De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Vaag herinnerde ze zich hoe ze als klein meisje op papier het dool-hofspel speelde. Er was een kunstje om je weg naar buiten te vinden, maar ze kon er niet opkomen. Alles uit haar verleden leek vaag, alsof het iemand anders betrof. Ze kwam in beweging en volgde met een hand de muur, terwijl het stof opwolkte onder haar blote voeten.
Bij de eerste doorgang merkte ze dat ze een andere gang inkeek. Die verschilde op het eerste gezicht niet van de gang waar zij in stond. Ze haalde diep adem, ging door de opening en liep door meer gangen die allemaal precies op elkaar leken. Uiteindelijk kwam ze bij iets anders aan. Het pad vertakte zich. Ze nam de linkertak en na een tijdje splitste de gang zich weer. De derde linkertak leidde haar naar een blinde muur.
Grimmig liep ze terug naar de laatste splitsing en ging naar rechts. Deze keer sloeg ze vier keer rechtsaf voor ze in een doodlopende gang belandde. Even stond ze er woest naar te kijken. ‘Hoe ben ik hier gekomen?’ wilde ze met luide stem weten. ‘Waar is deze plek?’ De terugweg komt slechts één keer.
Nog eens keerde ze terug. Ze wist zeker dat er een kunstje voor deze doolhof was. Bij de laatste splitsing sloeg ze links af en bij de volgende rechts af. Vastberaden ging ze door. Links, dan rechts. Rechtdoor, tot ze bij een splitsing kwam. Links, dan rechts.
Het leek te werken. Ze was deze keer tenminste een tiental kruispunten gepasseerd zonder dood te lopen. Ze kwam bij het volgende. Vanuit haar ooghoeken ving ze een flikkerende beweging op. Toen ze zich omdraaide, zag ze alleen de stoffige gang tussen de stenen muren. Ze wilde de linkertak ingaan... en draaide zich snel om toen ze weer iets van beweging opmerkte. Er was niets te zien, maar ze was er zeker van dat er iemand achter haar had gelopen. Ze liep haastig de andere kant op.
En nu zag ze, keer op keer, aan de rand van haar gezichtsveld iets bewegen, nu eens in de ene dan weer in een andere zijgang. Het was te snel om te zien wat het was en het was weg voor ze haar hoofd genoeg kon draaien om het duidelijk te kunnen zien. Ze begon te rennen. Slechts enkele jongens konden harder rennen dan zij, toen ze nog een meisje was in Tweewater. Tweewater? Wat is dat? Voor haar stapte een man uit een opening. Zijn donkere kleren leken schimmelig en half vergaan, en hij was oud. Ouder dan oud. Een huid als verkreukeld perkament spande zich over zijn schedel, alsof er geen vlees meer onder zat. Plukjes piekerig kort haar bedekten een schurftige hoofdhuid en zijn ogen lagen zo diep dat ze uit twee grotten leken te kijken.
Ze kwam glijdend tot stilstand en voelde het ruwe plaveisel onder haar voeten.
‘Ik ben Aginor,’ zei hij glimlachend, ‘en ik ben voor jou gekomen.’ Haar hart leek uit haar borst te springen. Een van de Verzakers. ‘Nee! Nee, dat kan niet!’
‘Je bent een mooi meisje. Ik zal van je genieten.’ Plotseling bedacht Nynaeve dat ze geen draad aan haar lijf had. Met een kreet en een gezicht dat niet alleen rood van boosheid was, sprong ze opzij de dichtstbijzijnde dwarsgang in. Kakelend gelach achtervolgde haar, net als het geluid van een schuifelend rennen dat haar hoogste snelheid leek te evenaren en hijgerige beloften van wat hij haar zou aandoen als hij haar te pakken had. Die beloften deden haar maag omdraaien, zelfs al verstond ze ze maar half. Vertwijfeld zocht ze naar een uitgang; wanhopig keek ze om zich heen, terwijl ze met gebalde vuisten doorholde. De terugweg komt slechts één keer. Wees standvastig. Ze zag echter niets anders dan de eindeloze doolhof. Hoe hard ze ook rende, zijn voze woorden drongen steeds weer tot haar door. Langzaam veranderde haar angst in woede.
‘Verzeng hem!’ snikte ze. ‘Het Licht verzenge hem. Hij heeft het recht niet!’ Ze voelde iets in zich opengaan, een opening naar het Licht. Met opgetrokken lippen draaide ze zich om. Ze wilde haar achtervolger het hoofd bieden. Aginor kwam met grote sprongen grijnzend aansnellen.
‘Je hebt het recht niet!’ Ze haalde met haar vuist naar hem uit en opende haar vingers alsof ze iets wegwierp. Ze was nauwelijks verbaasd toen ze een vuurbol uit haar hand zag vliegen. De bol spatte tegen Aginors borst uiteen en wierp hem neer. Heel even bleef hij plat op zijn rug liggen, toen stond hij wankelend op. Hij leek de smeulende voorkant van zijn jas niet op te merken. ‘Hoe durf je? Je durft!’ Hij beefde en speeksel droop langs zijn kin omlaag.
Plotseling verschenen er wolken in de lucht, dreigende donderwolken in grijs en zwart. Bliksemschichten sprongen uit de wolken op Nynaeves hart af.
Een hartenklop lang leek het of de tijd ineens vertraagd was, alsof die hartslag een eeuwigheid duurde. Ze voelde de stroming in zichzelf – saidar, kwam een verre gedachte – en voelde de tegenstroom in de bliksem. En ze veranderde de richting van die stroom. De tijd schoot vooruit.
De schicht versplinterde met een krakende klap de steen boven Aginors hoofd. De verzonken ogen van de Verzaker werden groot en hij wankelde achteruit. ‘Dat kun je niet! Het kan niet!’ Hij sprong opzij toen de bliksem insloeg op de plaats waar hij gestaan had; stenen barstten uiteen in een fontein van splinters. Grimmig kwam Nynaeve op hem af. En Aginor vluchtte. Saidar was een vloedgolf die door haar heen raasde. Ze kon de rotsen om zich heen voelen, de lucht, de kleine stromen van de Ene Kracht die hen doordrenkten en hen vormden. Ze kon ook Aginor voelen, die... iets deed. Vaag voelde ze het, en op grote afstand, alsof het iets was wat ze nooit echt zou kennen, maar om zich heen zag ze de gevolgen en ze wist wat het was.
De grond rommelde en bewoog onder haar voeten. Vóór haar stortten muren in tot steenhopen en versperden haar de weg. Ze klauterde er overheen en gaf er niet om dat de scherpe rotsen in haar handen en voeten sneden. Ze bleef Aginor in het oog houden. Een wind stak op; hij gierde door de gangen op haar af, woedde tot haar wangen hol stonden en haar ogen traanden en probeerde haar omver te werpen. Ze veranderde de stroom en Aginor tuimelde als een ontwortelde struik de gang door. Ze voelde de stroom in de grond, stuurde, en rond Aginor stortten de stenen muren in en versperden hem de weg. Bliksemschichten sprongen uit haar blik en sloegen rondom hem in, stenen spatten uiteen terwijl de schichten hem steeds meer belaagden. Ze kon voelen hoe hij woest vocht om de stroom naar haar terug te stuwen, maar voet na voet kropen de verblindende flitsen naar de Verzaker toe.
Rechts van haar doemde glinsterend iets op achter de instortende muren.
Nynaeve kon voelen hoe Aginor verzwakte, hoe zijn pogingen om naar haar uit te halen zwakker en wanhopiger werden. Maar ergens besefte ze dat hij het niet had opgegeven. Als ze hem nu liet gaan, zou hij haar weer najagen, even sterk als tevoren, in de overtuiging dat ze te zwak was om hem echt te kunnen vernietigen, te zwak om hem ervan te weerhouden met haar te doen wat hij wenste. Een zilveren boog rees op waar steen had gestaan, een boog met een zacht zilveren schijnsel. De terugweg...
Ze wist het toen de Verzaker de aanval opgaf, voelde het moment dat al zijn inspanningen op beschermen werden gericht. Zijn macht was niet groot genoeg; hij kon haar slagen niet langer afweren. Hij was gedwongen uit de baan van de opspringende stukken steen weg te springen. Nieuwe bliksems wierpen stenen en haar uitbarstingen velden hem weer.
De terugweg komt slechts één keer. Wees standvastig. De bliksems flitsten niet langer. Nynaeve keerde zich van de opkrabbelende Aginor af en keek naar de boog. Ze wendde zich weer naar Aginor, juist op tijd om te zien hoe hij over een steenhoop uit het gezicht kroop en verdween. Ze siste van teleurstelling. Een groot deel van de doolhof stond nog overeind en er waren honderden nieuwe plekken om zich te verbergen in de puinhopen die zij en de Verzaker gemaakt hadden. Het zou tijd kosten om hem weer te vinden, maar ze was er zeker van dat hij haar zou opzoeken als zij hem niet meteen vond. Met al zijn kracht zou hij haar aanpakken op het moment waarop ze hem het minst verwachtte. De terugweg komt slechts één keer.