Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 93 94 95 96 97 98 99 100 101 ... 203
Перейти на страницу:

De tuin met de zandpaden tussen de keurig nette bloemperken zag er net zo fraai uit als het huis. Ook in het maanlicht, dat bijdroeg aan het gele schijnsel uit de vensters. Ze schikte de mantel wat beter om zich heen tegen de zachte koelte van de nacht. Wat was het antwoord en wat was de vraag?

Achter haar knisperde zand en ze draaide zich om, in de gedachte dat het Lan was.

Slechts enkele passen van haar vandaan rees de grijze schaduw op van een veel te lange man in een mantel. Het maanlicht onthulde een gezicht met ingevallen, bleke wangen, zwarte, grote ogen en een samengetrokken mond met vuurrode lippen. De mantel ging open en grote vleermuisvleugels ontvouwden zich. Hoewel ze wist dat het te laat was, stelde ze zich toch open voor saidar, maar de Draghkar zette een zoet liefdeslied in. Zijn zachte zang vervulde haar, verbrijzelde haar wil en saidar druppelde weg. Ze voelde slechts een verre droefheid toen ze naar het wezen toe stapte. Het zachte kwelen lokte haar en onderdrukte elk gevoel. Witte, witte handen – als mannenhanden met klauwen – strekten zich naar haar uit en bloedrode lippen krulden in een spottende nabootsing van een glimlach en ontblootten scherpe tanden; ze wist dat hij niet zou bijten of verscheuren. Vrees de kus van de Draghkar. Als die lippen haar eenmaal raakten, zou ze zo goed als dood zijn, zou ze eerst haar ziel verliezen en dan haar leven. Wie haar zou vinden, zelfs meteen nadat de Draghkar losliet, zou een lijk aantreffen zonder één wond en zo koud alsof ze al twee dagen dood was. En als er mensen kwamen voor ze dood was, zouden ze iets ergers vinden, iets wat in niets meer op haar leek. De zang trok haar binnen het bereik van die bleke handen en de kop van de Draghkar boog zich langzaam naar haar toe. Ze voelde slechts een minieme verbazing toen een kling over haar schouder flitste en in de botst van de Draghkar verdween; er verscheen een tweede wapen over haar andere schouder, dat naast het eerste toesloeg.

Versuft, als van grote afstand, keek ze toe hoe het schepsel werd teruggedrongen, van haar werd weggeslagen. Lan kwam in zicht, toen Jaem. De broodmagere, grijsharige handen van de zwaardhand hielden het wapen even recht en stevig als die van Lan. Bloed sprong uit de bleke handen van de Draghkar toen ze het scherpe staal probeerden te breken en vleugels sloegen donderend neer op de twee mannen. Opeens, gewond en bebloed, begon het monster weer te zingen. Tegen de zwaardhanden.

Met moeite kwam Moiraine weer tot zichzelf. Ze voelde zich bijna zo leeg alsof het wezen erin geslaagd was haar te kussen. Geen tijd voor zwakte. In een oogwenk opende ze zichzelf voor saidar en toen de Kracht haar vulde, weerhield ze zichzelf ervan om het Schaduw – gebroed rechtstreeks te doden. De twee mannen waren te dichtbij en zouden ook gewond kunnen raken. Zelfs als ze de Ene Kracht gebruikte, zou ze zich door de Draghkar bevuild voelen. Maar op het moment dat ze begon, riep Lan luid: ‘Omhels de dood!’ Jaems ferme woorden vormden een echo: ‘Omhels de dood!’ En de twee mannen stapten binnen het bereik van de Draghkar-armen en stootten hun wapen tot aan het gevest in het monster. De Draghkar gooide zijn kop achterover en brulde luid, een gekrijs dat als naalden in Moiraines hoofd leek door te dringen. Zelfs in saidar gehuld kon ze het voelen. Als een vallende boom stortte de Draghkar neer en een vleugel raakte Jaem, die op zijn knieën viel. Lans schouders zakten alsof hij uitgeput was.

Lantaarns uit het huis naderden snel, gedragen door Vandene en Adeleas.

‘Waar kwam dat geluid vandaan?’ wilde Adeleas weten. Ze was bijna het evenbeeld van haar zuster, is Jaem weg en...’ Het licht van de lamp viel op de Draghkar en ze verstomde. Vandene greep Moiraines handen. ‘Hij heeft toch niet...’ Ze maakte de vraag niet af en Moiraine zag een stralenkrans om haar heen. Kracht stroomde uit de andere vrouw in haar en Moiraine wenste voor de zoveelste keer dat een Aes Sedai evenveel voor zichzelf kon doen als voor een ander.

‘Nee, dat is niet gebeurd,’ zei ze dankbaar. ‘Zorg voor de gaidin.’ Lan keek haar met opeengeperste lippen aan. ‘Als je me niet zo kwaad had gemaakt, dan was ik niet met Jaem de zwaardvormen gaan oefenen en niet te ver weg geweest...’

‘Maar ik heb het gedaan,’ zei ze. ‘Het Patroon neemt alles in het web op.’ Jaem mopperde maar stond toe dat Vandene zijn schouder verzorgde.

‘Hoe kan een schepsel van de Schaduw,’ wilde Adeleas weten, ‘zo dichtbij komen zonder dat wij het merken?’

‘Het was voorzien van een ban,’ antwoordde Moiraine. ‘Onmogelijk,’ snauwde Adeleas. ‘Alleen een zuster kan...’ Ze slikte de rest in en Vandene wendde zich van Jaem naar Moiraine. Moiraine zei de woorden die niemand van hen wilde horen. ‘Zwarte Ajah.’ Uit het dorp klonk geschreeuw. ‘Het is beter dat je dit verbergt.’ Ze gebaarde naar de Draghkar, die midden op een bloemenperk lag. ‘Zo snel mogelijk. Ze komen jullie vragen of je hulp nodig hebt, maar als ze dit zien, komen er verhalen los die jullie niet aanstaan.’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Adeleas. ‘Jaem, ga erheen en vang ze op. Zeg maar dat jij ook niet weet wat dat geluid maakte, maar dat hier alles goed is. Hou ze op.’ De grijsharige zwaardhand haastte zich de nacht in, naar de rumoerig toestromende dorpelingen. Adeleas draaide zich om en bekeek de Draghkar alsof het een raadselachtige tekst in een van haar boeken was. ‘Of er nu een Aes Sedai hij betrokken is of niet, waarvoor is dat kreng hierheen gekomen?’ Vandene hield Moiraine zwijgend in het oog.

‘Ik ben bang dat ik moet vertrekken,’ zei Moiraine. ‘Lan, wil jij de paarden optuigen?’ Toen hij wegliep, zei ze: ‘Ik zal enkele brieven achterlaten die naar de Witte Toren moeten. Kunnen jullie dat regelen?’ Adeleas knikte verstrooid; ze schonk het monster nog steeds alle aandacht.

‘En zul jij je antwoorden vinden op de plaats waar je heen gaat?’ vroeg Vandene.

‘Misschien heb ik er een gevonden waarvan ik niet wist dat ik het zocht. Ik hoop alleen dat ik niet te laat ben. Ik heb pen en perkament nodig.’ Ze trok Vandene het huis binnen en liet de Draghkar aan Adeleas over.

23

De proeve

Diep onder de Witte Toren keek Nynaeve behoedzaam de enorme kamer rond en minstens even achterdochtig naar Sheriam, die naast haar stond. De Meesteresse der Novices leek ergens naar uit te kijken en was mogelijk zelfs wat ongeduldig. In de paar dagen dat ze in Tar Valon was, had Nynaeve alleen maar innerlijke rust gezien bij deze Aes Sedai, een glimlachende aanvaarding van elke gebeurtenis. De koepelkamer was in de diepste rots van het eiland uitgehouwen; het licht van de lantaarns op hun hoge standaards spiegelde in bleek-gladde stenen muren. Midden onder de koepel stond een voorwerp van drie ronde, zilveren bogen die elkaar bovenaan raakten. De bogen waren net hoog genoeg om er onderdoor te lopen en stonden op een dikke zilveren ring. Bogen en ring waren uit één stuk gemaakt. Ze kon niet zien wat er binnenin was. Daar glansde een vreemd flikkerend licht waarvan haar maag zich bij het zien al omdraaide. Op het punt waar elke boog in de ring overging, staarde een Aes Sedai in kleermakerszit op de kale stenen vloer strak naar het zilveren bouwwerk. Een vierde stond er vlakbij, naast een eenvoudige tafel met drie grote zilveren kelken. Elk ervan, wist Nynaeve – dat was haar tenminste verteld – was gevuld met helder water. De vier Aes Sedai droegen hun stola’s, net als Sheriam. Die van haar toonde blauwe franje, die van de Aes Sedai bij de tafel rode, en de stola’s van de drie rond de bogen waren groen, wit en grijs. Nynaeve droeg nog steeds een van de gewaden die ze in Fal Dara had gekregen; bleekgroen met borduurwerk van kleine witte bloempjes. ‘Eerst laat u me van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat met mijn duimen draaien,’ mopperde Nynaeve, ‘en nu moet alles plotseling gehaast.’

‘Het uur wacht op geen enkele vrouw,’ zei Sheriam. ‘Het Rad weeft wat het Rad wil, en wannéér het wil. Geduld is een deugd die geleerd moet worden, maar we moeten allen bereid zijn in een oogwenk te veranderen.’

1 ... 93 94 95 96 97 98 99 100 101 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)