De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ik moet terug,’ fluisterde ze. Ze maakte zich van hem los, niet in staat de pijn op zijn gezicht te verdragen. Weloverwogen vormde ze een knop in haar geest, een witte knop op een braamtak. Ze maakte de doorns scherp en wreed en wenste dat ze in haar vlees drongen. Ze voelde zich alsof ze al in een braamstruik vastzat. Net buiten haar gehoor danste de stem van Sheriam Sedai, die haar vertelde dat het gevaarlijk was de Kracht te geleiden. De bloemknop ging open en saidar vulde haar met licht. ‘Nynaeve, zeg me wat er aan de hand is.’
Lans stem brak door haar afscherming heen, maar ze weigerde te luisteren. Er moest nog een weg terug zijn. Ze keek strak naar de plek waar de zilveren boog had gestaan en tastte rond of er een spoor was. Niets. ‘Nynaeve...’
In haar geest probeerde ze een beeld van de boog te vormen, probeerde hem te scheppen en tot in het kleinste detail te vormen, tot een boog van glanzend metaal die gevuld was met een gloed van sneeuwvuur. Hij leek daar, vóór haar, trillend tot leven te komen, tussen haar en de bomen, dan weer niet, dan weer wel. ‘... ik hou van je...’
Ze nam saidar op, dronk de stroom van de Ene Kracht, tot ze dacht te breken. De uitstraling vervulde haar, leek rond haar op te lichten, brandde in haar ogen. De hitte leek haar te verteren. De flikkerende boog vormde zich, kreeg vaste vorm en rees volledig voor haar op. Vlammen en pijn leken haar te vullen; haar botten voelden aan alsof ze in brand stonden; haar schedel leek een laaiende oven. ‘... met heel mijn hart.’
Ze snelde naar de zilveren boog en stond zichzelf niet toe om te kijken. Ze had gedacht dat Marin Alverens hulpgeroep toen ze haar in de steek liet, het bitterste was dat ze ooit zou horen, maar dat was honing vergeleken bij de gemartelde stem van Lan die haar achtervolgde. ‘Nynaeve, alsjeblieft, verlaat me niet.’ De glanzende gloed nam haar op.
Naakt wankelde Nynaeve door de boog en viel op haar knieën. Haar mond hing open, ze snikte en tranen stroomden langs haar wangen. Sheriam knielde naast haar neer. Ze keek de roodharige Aes Sedai woest aan. ‘Ik haat je!’ wist ze er woedend uit te brengen, ik haat alle Aes Sedai!’
Sheriam zuchtte zachtjes en trok Nynaeve overeind. ‘Kind, bijna iedere vrouw die dit doet, zegt zowat hetzelfde. Het is niet gering om gedwongen te worden je eigen angsten te bevechten. Wat is dit?’ zei ze scherp terwijl ze Nynaeves handpalmen omdraaide. Nynaeves handen beefden opeens van een niet eerder gevoelde pijn. Precies midden in beide handpalmen stak een lange zwarte doorn. Voorzichtig trok Sheriam ze eruit en Nynaeve voelde de koele Heling van de Aes Sedai. Toen de doorns eruit waren, lieten ze slechts een klein litteken op de rug en de palm van de handen achter. Sheriam keek bezorgd. ‘Er zouden geen littekens mogen zijn. En waarom kreeg je er slechts twee, en allebei zo precies op dezelfde plaats? Als je in een braamstruik terecht was gekomen, zou je onder de schrammen en doorns moeten zitten.’
‘Dat had ook gemoeten,’ beaamde Nynaeve verbitterd. ‘Misschien dacht ik dat ik al genoeg betaald had.’
‘Er is altijd een prijs die betaald moet worden,’ stemde de Aes Sedai in. ‘Kom nu. De eerste prijs heb je betaald. Aanvaard waarvoor je betaald hebt.’ Ze gaf Nynaeve een duwtje.
Nynaeve besefte opeens dat er nu meer Aes Sedai in het vertrek waren. De Amyrlin Zetel was er met haar gestreepte stola, en links en rechts van haar stonden de anderen met hun eigen stola’s, één van elke Ajah. Allen keken naar Nynaeve. Ze herinnerde zich de aanwijzingen van Sheriam, wankelde naar voren en knielde neer voor de Amyrlin. Zij was her die de laatste kelk ophield en hem langzaam boven Nynaeves hoofd omkeerde.
‘Jij bent gereinigd van Nynaeve Almaeren van Emondsveld. Jij bent gereinigd van alle banden die je aan deze wereld binden. Jij bent tot ons gekomen, gereinigd in hart en hoofd. Jij bent Nynaeve Almaeren, Aanvaarde van de Witte Toren.’ De Amyrlin gaf de kelk over aan een van de zusters en trok Nynaeve overeind. ‘Je bent nu aan ons gebonden.’
De ogen van de Amyrlin leken donker te gloeien. Nynaeves rillingen hadden niets te maken met het feit dat ze naakt en nat was.
24
Nieuwe vrienden en oude vijanden
Egwene volgde de Aanvaarde door de gangen van de Witte Toren. Tapijten en schilderijen bedekten de muren, die net zo wit waren als de buitenkant van de toren. Tegelpatronen sierden de vloer. Het gewaad van de Aanvaarde was precies hetzelfde als het hare, maar afgezet met zeven smalle gekleurde banden aan manchet en zoom. Egwene keek gefronst naar dat gewaad. Sinds gisteren droeg Nynaeve het kleed van een Aanvaarde, maar ze leek er weinig plezier aan te beleven. Ook niet aan de gouden ring met het serpent dat in zijn eigen staart beet, de ring die haar rang aangaf. De paar keer dat Egwene de Wijsheid had kunnen ontmoeten, leken er diepe schaduwen in Nynaeves ogen te liggen alsof ze zaken had gezien die ze vurig nooit had willen zien.
‘Hier,’ zei de Aanvaarde kort en gebaarde naar een deur. Ze heette Pedra, een kleine, pezige vrouw, iets ouder dan Nynaeve, die altijd kortaf was en dat liet horen.
‘Deze tijd werd je gegund omdat het je eerste dag is, maar ik verwacht je in de bijkeuken als de gong hoog slaat. Niet later.’ Egwene maakte een knix, maar stak toen achter de rug van de weglopende Aanvaarde haar tong uit. Sheriam had haar naam pas de vorige avond in het Noviceboek bijgeschreven, maar ze wist nu al dat ze Pedra niet aardig vond. Ze duwde de deur open en ging naar binnen. De kamer was kaal en klein en had ook witte muren. Een jonge vrouw met rossige, gouden haren die tot op haar schouders vielen, zat op een van de twee harde banken. De vloer was kaal; Novices kregen meestal geen kamers met tapijten. Egwene dacht dat het meisje van haar eigen leeftijd was, maar ze bezat een waardigheid en zelfbeheersing die haar ouder leken te maken. Zoals zij haar eenvoudige Novicekleed droeg, leek het gewoon wat beter te zijn. Elegant. Dat was het.
‘Ik heet Elayne,’ zei ze. Ze keek op om Egwene aan te kijken. ‘En jij bent Egwene. Uit Emondsveld in Tweewater.’ Ze zei het alsof het iets te betekenen had, maar ging meteen door: iemand die hier al langer is, mag altijd een nieuwe Novice de eerste paar dagen wat wegwijs maken. Ga zitten.’
Egwene nam de andere bank, tegenover Elayne. ‘Ik dacht dat de Aes Sedai me zouden opleiden nu ik eindelijk Novice ben. Maar alles wat er tot nu toe gebeurd is, is dat Pedra me ruim twee uur voor het eerste licht wekte en me aan het vegen zette in de gangen. Ze zegt dat ik na het eten ook borden moet wassen.’
Elayne vertrok haar gezicht, ik haat afwassen. Ik heb nooit... nou ja, dat doet er niet toe. Je zult je lessen krijgen. Feitelijk zul je vanaf nu elke dag om deze tijd lessen krijgen. Vanaf ontbijt tot hoog-gong, en dan vanaf middageten tot laaggong. Als je bijzonder snel of bijzonder traag bent, kunnen ze je ook nog bezighouden van avondeten tot volgong, maar die tijd wordt meestal gebruikt voor nog meer huishoudklusjes.’ Elaynes blauwe ogen kregen een nadenkende uitdrukking. ‘Je werd ermee geboren, niet?’ Egwene knikte. ‘Ja, ik dacht al dat ik dat voelde. Dat werd ik ook, ermee geboren. Wees niet teleurgesteld omdat je het niet wist. Je leert nog wel om het vermogen in andere vrouwen te voelen. Ik had het voordeel om bij een Aes Sedai op te groeien.’
Egwene had haar dat willen vragen – Wie groeit er op met een Aes Sedai? – maar Elayne praatte door.
‘En je moet ook niet teleurgesteld zijn als het je een tijdje kost voordat je iets klaarspeelt. Met de Ene Kracht, bedoel ik. Zelfs het eenvoudigste heeft tijd nodig. Geduld is een deugd die geleerd moet worden.’ Ze trok haar neus op. ‘Sheriam Sedai zegt dat altijd, en ze doet haar best om dat ons ook bij te brengen. Probeer te rennen als ze zegt ‘loop’ en ze heeft je in haar studeerkamer voor je met je ogen kunt knipperen.’