Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 95 96 97 98 99 100 101 102 103 ... 178
Перейти на страницу:

Op het uithangbord boven de deur van de herberg waar Lan hen naar toe bracht, dichter bij de rivier, stond de Weglands Smidse. Perijn beschouwde het als een goed voorteken, hoewel er niets van een smid te zien was, behalve de man met de leren voorschoot en de hamer, die op het uithangbord was geschilderd. Het was een groot gebouw van drie verdiepingen, opgetrokken uit vierkante, gepolijste grijze steen en met purperen dakpannen. Het had grote ramen en met houtsnijwerk versierde deuren; alles zag er welvarend uit. Er kwamen stalknechten aanrennen om de paarden aan te nemen. Ze bogen zelfs nog dieper toen Lan ze wat munten toewierp.

In de herberg staarde Perijn naar de mensen. Hij dacht dat de mannen en vrouwen aan de tafels allemaal waren uitgedost in feestkledij, want er waren meer geborduurde jassen, kantwerk, gekleurde linten en van franje voorziene sjaals dan hij in lange tijd had gezien. Slechts vier mannen aan een tafel waren gekleed in gewone jassen, en zij waren de enigen die niet verwachtingsvol opkeken toen Perijn en de anderen naar binnen kwamen. De vier mannen bleven op zachte toon doorpraten. Hij kon wat verstaan, iets over de waarde van ijspepers boven bont als handelswaar, en hoe de moeilijkheden in Saldea van invloed konden zijn op de prijzen. Schippers van vrachtboten, besloot hij. De anderen schenen van de plaatselijke bevolking te zijn. Zelfs de dienstmeisjes leken op hun mooist gekleed; hun grote schorten bedekten geborduurde jurken met wat kant bij de hals.

De keuken werkte uit alle macht; hij kon de geur van schapenvlees, lamsvlees, kip en rundvlees opsnuiven, en iets wat naar groente rook. En een kruidkoek die hem het vlees even deed vergeten. De herbergier kwam hen meteen na het binnentreden tegemoet. Hij was een dikke, kale man met glimmende bruine ogen in een glad roze gezicht, die handenwrijvend een buiging maakte. Als hij niet naar hen toe was gekomen, had Perijn hem nooit voor de herbergier gehouden, want in plaats van de verwachte witte voorschoot droeg hij net zo’n jas als de anderen, met wit en groen borduursel op dikke blauwe wol. De man zweette onder het gewicht ervan. Waarom dragen ze allemaal feestkleren? vroeg Perijn zich af. ‘Ha, meester Andra,’ zei de herbergier, die Lan aansprak. ‘En een Ogier, net wat u me zei. Niet dat ik eraan twijfelde, hoor. Niet met alles wat er gebeurd is, en nooit aan uw woord, meester. Waarom geen Ogier? O, vriend Ogier, u hier in huis te hebben pleziert me meer dan u kunt weten. Het is iets geweldigs, en een passende bekroning. Aha, en vrouwe...’ Zijn blik nam de diepblauwe zijde van haar gewaad op, en de fijne wol van haar mantel, bestoft van de reis maar kostbaar. ‘Vergeef me, vrouwe. Alstublieft.’ Zijn buiging deed hem dubbelslaan als een hoefijzer. ‘Meester Andra gaf uw hoge positie niet aan, vrouwe. Ik wilde niet oneerbiedig zijn. U bent zelfs nog meer welkom dan vriend Ogier hier, natuurlijk, vrouwe. Wees alstublieft niet beledigd door Gainor Furlans armzalige manieren.’

‘Ik ben niet beledigd.’ Moiraine aanvaardde kalm de titel die Furlan haar gegeven had. Het was beslist niet de eerste keer dat de Aes Sedai een andere naam had of voorwendde iemand te zijn die ze niet was. Het was ook niet de eerste keer dat Perijn Lan zichzelf Andra had horen noemen. De grote kap verborg nog steeds Moiraines rimpelloze Aes Sedai-trekken, en ze hield de mantel met één hand dicht alsof ze kou gevat had. Niet de hand waaraan ze de ring met het Grote Serpent droeg, in de stad zijn vreemde dingen gebeurd, herbergier, dus ik begrijp het. Het is niet iets waar reizigers zich zorgen over hoeven te maken, mag ik hopen.’

‘Ah, vrouwe, u zou ze gerust vreemd kunnen noemen. Uw eigen, stralende aanwezigheid is reeds meer dan genoeg om dit nederige huis te eren, vrouwe, terwijl u nog een Ogier hebt meegebracht, maar we hebben ook Jagers in Remen. Ze zijn hier, in Weglands Smidse, dat zijn ze. Jagers op de Hoorn van Valere, vanuit Illian vertrokken op zoek naar avontuur. En avontuur hebben ze gevonden, vrouwe, hier in Remen, of eigenlijk een span of twee stroomopwaarts, waar ze wilde Aielmannen bevochten hebben, vreemd genoeg. Kunt u het zich voorstellen, vrouwe, zwart gesluierde Aielwilden in Altara?’ Aiel. Nu wist Perijn waarom de man in de kooi hem zo bekend voorkwam. Hij had eerder een Aiel gezien, een van die woeste, bijna legendarische bewoners van het harde land dat de Woestenij genoemd werd. De man had vrij veel op Rhand geleken, langer dan de meeste mensen, met grijze ogen en rossig haar, en hij was gekleed zoals de man in de kooi, alles in bruin en grijs, dat opging in de rotsen of struiken, en met zachte laarzen die tot de knieën met veters waren dichtgeknoopt. Perijn kon bijna Mins stem weer horen. Een Aielman in een kooi. Een keerpunt in je leven, of iets belangrijks dat op het punt staat te gebeuren.

‘Waarom hebt u...?’ Hij hield op om zijn keel te schrapen, zodat hij niet zo hees zou klinken. ‘Hoe komt een Aiel in een kooi op uw dorpsplein terecht?’

‘O, jonge meester, dat is een verhaal om...’ Furlans stem zakte af en hij nam Perijn van top tot teen op. Hij merkte zijn eenvoudige kleren en de grote handboog op en stopte even bij de bijl in zijn gordel, aan de andere zijde als zijn pijlkoker. Toen zijn ogen Perijns gezicht bereikten, schrok de dikke man, alsof hem nu pas – door de aanwezigheid van een vrouwe en een Ogier – de gele ogen opvielen. ‘Dit zal uw dienaar zijn, meester Andra?’ vroeg hij behoedzaam. ‘Antwoord hem,’ was alles wat Lan zei.

‘Ach, maar natuurlijk, meester Andra. Maar hier is iemand die het beter kan vertellen dan ikzelf. Heer Orban zelf. En het is voor hem dat we hier verzameld zijn.’

Een donkerharige jongeman in een rode jas kwam de trap naast de gelagkamer af. Er was een verband om zijn slapen gewikkeld en hij gebruikte schouderkrukken; de linkerpijp van zijn broek was weggesneden, zodat er nog meer verband om zijn kuit kon worden gewikkeld.

De stedelingen mompelden onder elkaar alsof ze iets wonderbaarlijks zagen. De schippers bleven rustig doorpraten; zij waren aangekomen bij het onderwerp bont.

Furlan mocht dan gedacht hebben dat de man in de rode mantel het verhaal beter kon vertellen, maar hij begon zelf. ‘Heer Orban en heer Gan boden met slechts tien dienaren het hoofd aan twintig wilde Aielmannen. Ach, woest was het vechten en hard, en vele wonden werden uitgedeeld en ontvangen. Zes goede dienaren stierven, en allen werden gewond, het meest nog heer Orban en heer Gan, maar zij versloegen elke Aiel, behalve zij die de vlucht namen, en een ervan namen zij gevangen. Hij is het die u daar op het plein ziet, waar hij het platteland niet meer zal lastig vallen met zijn woeste manieren, evenmin als de dode Aiel dat doen.’

‘Hebt u in deze streek moeilijkheden met Aiel gehad?’ vroeg Moiraine.

Dat vroeg Perijn zich ook af, en niet zonder ontsteltenis. Dat sommige mensen van tijd tot tijd ‘zwartgesluierde Aiel’ zeiden als ze iemand aanduidden die gewelddadig was, bewees hoeveel indruk de Aiel-oorlog had gemaakt. Maar dat was nu twintig jaar geleden en voor of na die tijd waren de Aiel nooit uit de Woestenij gekomen. Maar ik heb er een aan deze kant van de Rug van de Wereld gezien, en nu heb ik er twee gezien.

De herbergier wreef over zijn kale hoofd. ‘Eh... eh, nee, vrouwe, niet echt. Maar dat zouden we met twintig van die wilden los zeker krijgen. Iedereen herinnert zich toch nog hoe ze zich moordend en plunderend en brandstichtend een weg door Cairhien baanden. Mannen uit dit eigenste dorp marcheerden naar de Slag van de Glanzende Muren, toen de naties zich verenigden om hen terug te drijven. In die dagen had ik last van een verdraaide rug en kon ik niet meegaan, maar ik herinner het me nog goed; wij allen trouwens. Hoe zij hier kwamen, zo ver van hun eigen land vandaan, of waarom, dat weet ik niet. Maar heer Orban en heer Gan hebben ons van hen verlost.’ Uit het volk in feestkledij klonk instemmend geroezemoes op.

Orban zelf hobbelde door de gelagkamer en scheen niemand anders te zien dan de herbergier. Perijn kon de schrale wijnlucht zelfs van ver al ruiken. ‘Waar zit die oude vrouw met haar kruiden, Furlan?’ wilde Orban op grove toon weten. ‘Gans wonden doen hem pijn en mijn hoofd voelt aan of het zal openbarsten.’

1 ... 95 96 97 98 99 100 101 102 103 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)