Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 98 99 100 101 102 103 104 105 106 ... 178
Перейти на страницу:

‘Eh... nee.’ Ze kon hem niet helpen met wat Min had voorzien, behalve hem zeggen dat het belangrijk was, en dat wist hij al. En hij wilde haar niet vertellen wat Min gezien had. Niet eens dat Min iets gezien had, trouwens.

Hij stond weer in de gang achter de gesloten deur en zocht even steun tegen de muur. Licht, zomaar bij haar binnenlopen, en zij— Ze was een mooie vrouw. En waarschijnlijk oud genoeg om mijn moeder te zijn, of nog ouder. Mart zou haar volgens hem hebben gevraagd beneden in de gelagkamer te gaan dansen. Nee, dat zou hij niet hebben gedaan. Zelfs Mart is niet zo’n dwaas dat hij met een Aes Sedai aan wil pappen. Hij had zelf eens een keer met haar gedanst en was bij vrijwel elke pas over zijn eigen voeten gestruikeld. Hou op met te denken dat ze een dorpsmeisje is, alleen maar omdat je zag... Ze is een vervloekte Aes Sedai! Je hebt die Aiel om je zorgen over te maken. Hij schudde zichzelf door elkaar en ging naar beneden. De gelagkamer was overvol; elke stoel was bezet en er waren krukjes en banken naar binnen gebracht. Diegenen die nergens konden zitten, stonden langs de muren. Hij zag het zwartharige meisje nergens en niemand keek een tweede keer toen hij haastig door de kamer liep. Orban had een hele tafel voor zichzelf. Zijn verbonden been was op een kussen op een stoel gelegd. Aan die voet zat een zachte pantoffel en in zijn hand hield hij een zilveren roemer met wijn die de dienstmeisjes telkens bijvulden. ‘Ah,’ zei hij tegen de hele gelagkamer, ‘we wisten dat de Aiel woeste krijgers waren, Gan en ik, maar er was geen tijd om te aarzelen. Ik trok mijn zwaard en groef mijn hielen in Leeuws ribben...’

Perijn schrok op voor hij besefte dat de man bedoelde dat zijn paard Leeuw heette. Volgens mij is bij best in staat om te zeggen dat hij op een leeuw reed. Hij voelde zich ietwat beschaamd; hij mocht de man niet, maar dat was geen reden om te geloven dat de Jager zijn opschepperij zo ver zou voeren. Hij haastte zich naar buiten en keek niet om.

De straat voor de herberg was net zo vol als de gelagkamer. Mensen die binnen geen plaats hadden gekregen, tuurden door de ramen, en voor de deur stonden er tweemaal zo veel elkaar te verdringen om naar Orbans verhaal te luisteren. Niemand schonk Perijn aandacht, hoewel zijn doortocht brommend geklaag opleverde van de mensen die niet zo dicht bij de deur konden komen.

Iedereen die er vannacht op uit was, moest bij de herberg zijn, want hij zag niemand op het plein. Soms bewoog er een schaduw achter een verlicht raam, maar dat was alles. Toch had hij het gevoel dat hij werd gadegeslagen en hij keek tersluiks om zich heen. Niets dan in het donker gehulde straten waarlangs puntjes licht de ramen aangaven. De meeste ramen rond het plein waren donker, behalve een paar op de bovenste verdiepingen.

De galg stond er nog steeds zoals hij zich herinnerde, met de man – de Aiel – in de kooi, die te hoog hing om hem aan te raken. De Aiel leek wakker – tenminste, zijn hoofd was opgericht – maar hij keek geen enkele keer naar Perijn onder zich. De stenen van de kinderen lagen verspreid onder de kooi.

De kooi hing aan een dik touw en was met een ring aan een van de bovenste spijlen bevestigd. Over een zware katrol aan de dwarsbalk liep een touw dat aan enkele pennen op de paal was vastgebonden.

Het restant lag in warrige kronkels bij de voet van de galg. Perijn keek opnieuw om zich heen en speurde het donkere plein af. Hij had nog steeds het gevoel dat hij werd gadegeslagen, maar hij zag nog steeds niets. Hij luisterde, maar hoorde niets. Hij rook de rook van schoorstenen en etensluchtjes uit huizen, en mensenzweet en oud bloed van de man in de kooi. Er kwam geen angstgeur van hem af. Zijn gewicht, en dan nog de kooi, dacht hij toen hij dichter bij de kooi kwam. Hij wist niet wanneer hij besloten had om dit te doen en of hij eigenlijk wel iets beslist had, maar hij wist dat hij het ging doen. Hij haakte een been om de zware paal, trok aan het touw en hees de kooi net genoeg op voor wat speling. De manier waarop het touw schokte, vertelde hem dat de man in de kooi zich eindelijk had bewogen, maar hij had te veel haast om op te houden en hem te zeggen wat hij van plan was. Door de speling kon hij het touw rond de uitsteeksels loskrijgen. Hij had zijn been nog steeds om de paal geslagen en liet de kooi nu snel hand over hand op de kasseien zakken. De Aiel keek hem eindelijk aan en nam hem zwijgend op. Perijn zei niets. Toen hij eens goed naar de kooi keek, vertrok zijn mond zich tot een streep. Als je iets maakte, zelfs zoiets als een kooi, moest je het goed doen. De hele voorkant van de kooi was een hek aan grove hengsels, gemaakt door een haastige hand. Hij was gesloten met een stevig ijzeren slot aan een ketting die net zo slecht gesmeed was als de kooi. Hij liet de ketting door zijn handen glijden tot hij de zwakste schakel vond, en ramde er toen de zware piek van zijn bijl in. Een scherpe draai van zijn pols brak de schakel open. In minder dan geen tijd had hij de ketting los, trok die eruit en maakte het hek open. De Aiel bleef zitten, nog steeds met de knieën onder zijn kin, en staarde hem aan. ‘Nou,’ fluisterde Perijn hees. ‘Ik heb hem open, maar ik ga je zeker niet dragen.’ Snel zocht hij het donkere plein af. Er bewoog nog steeds niets, maar hij bleef het gevoel houden dat ogen hem gadesloegen. ‘Je bent sterk, natlander.’ De Aiel maakte zijn stijve schouders los maar bewoog verder niet. ‘Er waren drie mannen nodig om me op te hijsen. En nu laat je me zakken. Waarom?’

‘Ik hou niet van mensen in kooien,’ fluisterde Perijn. Hij wilde ervandoor. De kooi was open en die ogen keken toe. Maar de Aiel bewoog zich niet. Als je iets doet, moet je het goed doen. ‘Zou je er nu uit willen komen, voordat er iemand verschijnt?’

De Aiel greep de voorste spijl boven zijn hoofd en trok zichzelf er in één beweging uit. Hij bleef gebukt staan en ondersteunde zichzelf door een spijl vast te houden. Als hij rechtop was gaan staan, zou hij bijna een hoofd groter dan Perijn zijn geweest. Hij keek naar Perijns ogen – Perijn wist hoe ze nu moesten glanzen als gepolijst goud in het maanlicht – maar zei er niets over. ‘Ik heb daar sinds gisteren in vastgezeten, natlander.’ Hij praatte als Lan. Niet dat hun stem of tongval op elkaar leken, maar de Aiel bezat eenzelfde onverstoorbare rust, eenzelfde kalme zekerheid. ‘Het duurt even voordat mijn benen weer werken. Ik ben Gaul, van de Imransibbe van de Shaarad Aiel, natlander. Ik ben Shae’en M’taal, een Steenhond. Mijn water is het jouwe.’

‘Wel, ik ben Perijn Aybara. Uit Tweewater. Ik ben een smid.’ De man was uit de kooi; hij kon weg. Maar als er iemand langskwam voordat Gaul kon lopen, zou hij zo weer in de kooi terug zijn, tenzij ze hem doodden, en in beide gevallen zou Perijns werk voor niets zijn geweest, ik heb er niet aan gedacht, anders had ik een waterfles of een zak meegenomen. Waarom noem je me “natlander”?’

Gaul gebaarde naar de rivier. In het maanlicht konden zelfs Perijns ogen er niet al te zeker van zijn, maar hij dacht dat de Aiel zich voor het eerst ongemakkelijk voelde. ‘Drie dagen geleden zag ik een meisje in een enorme plas water rondspartelen. Het moet wel twintig pas breed geweest zijn. Ze... strekte er zich helemaal in uit.’ Hij maakte met een hand een onbeholpen zwembeweging. ‘Een dapper meisje. Het oversteken van deze... rivieren... heeft me bijna ontmand. Ik had nooit gedacht dat er zoiets als te veel water kon zijn, maar ik had ook nooit gedacht dat er zoveel water in de wereld is als jullie natlanders bezitten.’

Perijn schudde het hoofd. Hij wist dat de Aielwoestenij weinig water had – dat was een van de weinige dingen die hij over de Woestenij of de Aiel wist – maar hij had niet geweten dat water zo zeldzaam was dat het deze reactie kon veroorzaken. ‘Je bent ver van huis, Gaul. Waarom ben je hier?’

‘Wij zoeken,’ zei Gaul langzaam. ‘Wij zoeken naar Hij die komt met de dageraad.’

Perijn had die naam eerder gehoord, onder omstandigheden die duidelijk maakten wie er bedoeld werd. Licht, het komt altijd weer neet op Rhand. Ik ben aan hem gebonden als een paard voor het beslaan. ‘Je zoekt in de verkeerde richting, Gaul. Ik zoek hem ook, en hij is onderweg naar Tyr.’

1 ... 98 99 100 101 102 103 104 105 106 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)