De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Furlan boog zijn hoofd bijna tot aan de vloer. ‘Ach, moeder Leich zal in de ochtend weer terug zijn, heer Orban. Een geboorte, heer. Maar ze zei dat ze uw wonden had dichtgenaaid en verbonden, en die van heer Gan ook, dus u hoeft zich geen zorgen te maken. Ik ben er zeker van, heer Orban, dat ze u als eerste in de morgen opzoekt.’ De verbonden man mompelde iets onduidelijks – behalve voor Perijn – over het moeten wachten op een boerenvrouw die ‘haar kroost moest werpen’ en nog iets over ‘dichtgenaaid worden als een meelzak’. De blik van zijn sombere, kwade oogjes verschoof en voor het eerst scheen hij de nieuwkomers op te merken. Perijn keurde hij geen tweede blik waardig, wat hem helemaal niet verbaasde. Zijn ogen werden wat groter toen hij Loial zag – Hij beeft al eerder een Ogier gezien, dacht Perijn, maar hij had nooit gedacht dat hij er hier een tegen zou komen – versmalden wat bij Lan – Hij herkent een krijgsman als hij er een ziet, en hij vindt het niet prettig er een te zien – en verhelderden toen hij zich bukte om in Moiraines kap te turen, hoewel hij niet dichtbij genoeg was om haar gezicht te zien.
Perijn besloot er maar helemaal niets van te denken, het had niets te maken met Aes Sedai, en hij hoopte dat noch Moiraine noch Lan er aanstoot aan nam. Een licht in de ogen van de zwaardhand zei hem dat hij die hoop zeker kon vergeten.
‘Twaalf van jullie bevochten twintig Aiel?’ vroeg Lan met vlakke stem. Orban richtte zich op en kreunde. Met een overdreven achteloze stem zei hij: ‘Zeker, je moet op zulke dingen voorbereid zijn als je de Hoorn van Valere zoekt. Het waren niet de eerste schermutselingen waar Gan en ik in belandden, en het zullen ook niet de laatste zijn voor we de Hoorn vinden. Als het Licht op ons schijnt.’ Hij klonk alsof het Licht onmogelijk iets anders kon doen. ‘Natuurlijk vochten we niet altijd tegen Aiel, maar er zijn altijd mensen die de Jagers zouden tegenhouden, als ze konden. Gan en ik laten ons niet gemakkelijk tegenhouden.’ Vanuit de stedelingen steeg weer een goedkeurend gemompel op. Orban ging nog wat meer rechtop staan.
‘U verloor er zes en nam er één gevangen.’ Uit Lans stem was niet op te maken of dat een goede of een slechte verhouding was. ‘Zeker,’ zei Orban. ‘We doodden de anderen, behalve degenen die vluchtten. Ze zijn nu zonder twijfel bezig hun doden te verbergen; ik heb gehoord dat ze dat doen. De Witmantels zijn uitgetrokken om ze te zoeken, maar ze zullen hen nooit vinden.’
‘Er zijn hier Witmantels?’ vroeg Perijn scherp.
Orban keek hem aan en vond hem opnieuw van geen belang. De man sprak weer tegen Lan. ‘Witmantels steken hun neuzen altijd in zaken die hen niets aangaan. Onhandige klungelaars, allemaal. Ja, ze zullen dagenlang door het land rijden, maar ik betwijfel of ze veel meer dan hun eigen schaduw kunnen vinden.’
‘Dat neem ik ook aan,’ zei Lan.
De verbonden man fronste alsof hij niet zeker wist wat Lan precies bedoelde en richtte zich toen weer tot de herbergier. ‘Jij vindt die oude vrouw, hoor je dat! Mijn hoofd knapt uit elkaar.’ Met een laatste blik op Lan strompelde hij weg en beklom de trap tree voor tree, gevolgd door bewonderend gemompel over een Jager op de Hoorn die Aielmannen had gedood.
‘Dit is een stad van vele gebeurtenissen.’ Loials diepe stem trok ieders oog. Behalve die van de schippers, die nu over touwen praatten, voor zover Perijn het kon volgen. ‘Overal waar ik ga, doen jullie mensen dingen, haasten en jagen jullie, en laten toe dat jullie van alles overkomt. Hoe kunnen jullie zoveel opwinding verdragen?’
‘Ach, vriend Ogier,’ zei Furlan, ‘het is nu eenmaal menselijk om naar opwinding te verlangen. Hoeveel spijt heb ik dat ik niet in staat was om naar de Glanzende Muren op te marcheren. Laat me u vertellen...’
‘Onze kamers.’ Moiraine verhief haar stem niet, maar haar woorden sneden die van de herbergier af alsof ze een mes had gebruikt. ‘Andra heeft kamers geregeld, niet?’
‘Ach, vrouwe, vergeef me. Ja, meester Andra heeft inderdaad kamers genomen. Vergeef me alstublieft. Deze kant op, als het u behaagt. Volg mij alstublieft.’ Terwijl hij telkens nederig boog en zich voortdurend verontschuldigde, bracht Furlan hen naar de trap. Bovenaan bleef Perijn even staan om zich om te draaien. Hij hoorde beneden het gemompel van ‘vrouwe’ en ‘Ogier’ en kon al die ogen voelen. Maar het scheen hem toe dat hij één paar ogen in het bijzonder kon voelen, iemand die niet naar Moiraine of Loial staarde, maar naar hem.
Hij vond haar onmiddellijk. Om te beginnen stond ze apart van de anderen, en vervolgens was ze de enige vrouw in de gelagkamer die geen enkel stukje kant droeg. Haar donkergrijze, bijna zwarte jurk was even gewoon als de kleren van de schippers, met wijde mouwen en een nauwe rok, en zonder een strookje of stikseltje versiering. Toen ze zich bewoog, zag hij dat haar rok was gedeeld om te kunnen paardrijden, en ze droeg zachte laarzen die onder de zoom vandaan staken. Ze was jong – misschien niet ouder dan hij – en lang voor een vrouw, met zwart haar tot aan haar schouders. Een neus die net niet te lang of te groot was, een gulle mond, hoge jukbeenderen en donkere, ietwat schuinstaande ogen. Hij kon maar niet beslissen of ze nu mooi was of niet.
Zodra hij naar beneden keek, wendde ze zich tot een van de dienstmeisjes. Ze keek niet meer naar de trap, maar hij wist zeker dat hij gelijk had. Ze had naar hem gestaard.
34
Een andere dans
Furlan bleef maar doorkletsen terwijl hij hen naar hun kamers bracht, maar Perijn luisterde niet echt. Hij was te druk bezig zichzelf af te vragen of het zwartharige meisje wist wat gele ogen betekenden. Drakenvuur, ze keek echt naar me. Toen hoorde hij de herbergier zeggen: ‘... de Draak uitroepen in Geldan,’ en hij dacht dat zijn oren zich net zo spitsten als die van Loial.
Moiraine bleef stokstijf in de deuropening van haar kamer staan. ‘Er is nog een valse Draak, herbergier? In Geldan?’ De kap van haar mantel verborg haar gezicht nog steeds, maar ze klonk alsof ze tot in haar merg geschokt was. Zelfs terwijl hij naar het antwoord van de herbergier luisterde, kon Perijn het niet laten om naar haar te kijken; hij snoof iets op wat vrees benaderde.
‘Ach, vrouwe, wees niet bevreesd. Het is wel honderd roede ver naar Geldan; hier zal u niets gebeuren, niet met meester Andra in de buurt, en heer Orban en heer Gan. Waarom...’
‘Antwoord haar!’ zei Lan ruw. ‘Is er een valse Draak in Geldan?’
‘Eh... eh, nee, meester Andra, niet precies. Ik zei dat er een man is die in Geldan de komst van de Draak aankondigt. Dat hebben we een paar dagen geleden gehoord. Hij preekt zijn komst, zo te zeggen. Hij heeft het over die kerel in Tarabon, van wie we hebben gehoord. Hoewel sommigen zeggen dat het Arad Doman is, niet Tarabon. Hoe dan ook, het is ver van hier. Ach, op elke andere dag zouden we hier meer over praten dan over wat dan ook, behalve misschien die wilde verhalen over de terugkeer van Haviksvleugels leger...’ Lans koude ogen hadden wel messen kunnen zijn, waarna Furlan slikte en nog heftiger in zijn handen wreef. ‘Ik weet alleen wat ik hoor, meester Andra. Er wordt gezegd dat die kerel een blik heeft die je vasthoudt op de plek waar je staat, en hij slaat allerlei onzin uit over de Draak die komt om ons te redden, en dat we hem allemaal moeten volgen, en dat zelfs de dieren voor de Draak zullen vechten. Ik weet niet of ze hem al gevangen hebben genomen of niet. Het zal wel gebeurd zijn; de Geldaners nemen niet lang genoegen met zulke praat.’
Masema, dacht Perijn verwonderd. Het is die rottige Maserna. ‘Je hebt gelijk, herbergier,’ zei Lan. ‘Die kerel zal ons hier waarschijnlijk niet lastig vallen. Ik heb eens een man gekend die dol was op wilde toespraken. U zult hem zich vast nog wel herinneren, vrouwe Alys? Masema?’