Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 94 95 96 97 98 99 100 101 102 ... 217
Перейти на страницу:

Tylin Quintara, bij de Genade van het Licht, Koningin van Altara, Meesteresse van de Vier Winden, Waakster van de Zee der Stormen, Hoogzetel van Huis Mitsobar, wachtte hem op in een kamer met gele muren en een lichtblauw plafond, staande voor een enorme witte haard met een stenen schouw die gehouwen was als een woelige zee. Ze was het aanzien meer dan waard, besloot hij. Tylin was niet jong – het glanzende zwarte haar dat over haar schouders viel was grijs bij de slapen, en bij haar ooghoeken tekenden zich fijne lijntjes af – en ze was ook niet echt mooi, hoewel de twee dunne littekens op haar wangen met de jaren bijna waren verdwenen. Je kon beter zeggen dat ze er goed uitzag. Maar ze was... indrukwekkend. Grote donkere ogen bekeken hem majesteitelijk, als de ogen van een adelaar. Ze had weinig echte macht – een man kon in twee of drie dagen de grens van haar machtsgebied bereiken en zou dan nog steeds een groot deel van Altara voor zich hebben – maar een Aes Sedai kon ze nog wel laten inbinden. Net als Isebele van Dal Calain, die de Amyrlin Anghara naar haar toe had laten komen. Dat was een van de oude herinneringen; Dal Calain was in de Trollok-oorlogen ten onder gegaan.

‘Majesteit,’ zei hij, en hij nam zijn hoed met een weidse buiging af en zwierde met een denkbeeldige mantel, ‘op uw bevel ben ik gekomen.’ Indrukwekkend of niet, het was moeilijk om zijn ogen weg te houden van het ruime met kant omgeven ovaal, waar haar trouwmes in een witte schede rustte. Het was inderdaad een plezierig ronde aanblik, maar hoe meer boezem een vrouw toonde, hoe minder ze wenste dat je ernaar keek. Openlijk, tenminste. In een witte schede, maar hij wist al dat ze weduwe was. Niet dat het iets gaf. Hij zou zich net zo lief vermeien met die Duistervriend met het vossengezicht als met een koningin. Helemaal niet kijken was moeilijk, maar hij slaagde erin. Ze zou waarschijnlijk eerder de wacht roepen dan de dolk vol juwelen te trekken, die in een van gouddraad geweven riem was gestoken, passend bij de ketting met haar trouwmes. Misschien bleven de dobbelstenen daarom door zijn hoofd tuimelen. De mogelijkheid van een ontmoeting met de beul zou ze zeker aan het wentelen hebben gezet.

Een hele laag zijden onderrokken ruiste in wit en geel toen ze langzaam door de kamer helemaal naar hem toe kwam lopen. ‘Je spreekt de Oude Spraak,’ zei ze, toen ze voor hem stond. Haar stem was laag en muzikaal. Ze gleed zonder op antwoord te wachten naar een stoel, ging zitten en verschikte haar groene rokken. Het was een onbewust gebaar; haar ogen bleven op hem rusten. Volgens hem kon ze met zulke ogen vertellen wanneer hij voor het laatst zijn onderkleren had gewassen. ‘Je wilt een boodschap achterlaten. Ik bezit wat daarvoor nodig is.’ Een kanten waterval aan haar pols wuifde naar een kleine schrijftafel onder een goudomlijste spiegel. Alle meubels waren verguld en uitgesneden als bamboe.

Hoge drieboogramen, die uitzagen op een gesmeed balkon, lieten een zeebriesje binnen dat verrassend plezierig was, een beetje koel zelfs. Toch voelde Mart zich warmer dan in de straten, en dat had niets met haar blik te maken. Deyeniye, duy ninte concion ca’lyet ye. Dat was wat hij gezegd had. Die vervloekte Oude Spraak rolde weer eens onbewust zijn mond uit. Hij had gedacht dat hij dat ongemakje onder de duim had. Hij kon niet zeggen wanneer die stomme dobbelstenen zouden ophouden, of waarvoor. Het was maar het beste om zijn ogen voor zich te houden en zijn lippen zoveel mogelijk op elkaar te klemmen, ‘Ik dank u, majesteit.’ Hij zorgde dat hij deze woorden precies zo uitsprak.

Er lagen al dikke vellen lichtgekleurd papier op de schuine tafel die de juiste hoogte had om goed te kunnen schrijven. Hij zette zijn hoed tegen een tafelpoot. Hij kon haar in de spiegel zien. Observerend. Waarom had hij zijn tong niet beheerst? Hij doopte een gouden pen – wat had een koningin anders kunnen hebben? — in de inkt en bedacht wat hij wilde schrijven voor hij zich over het papier boog met een arm eromheen. Zijn handschrift was moeizaam en vierkant. Hij hield niet van schrijven.

Ik ben achter een Duistervriend aangegaan tot aan het paleis dat Jaichim Carridin huurt. Ze heeft Rhand en mij ooit willen doden. Ze werd begroet als een oude vriendin van het huis.

Hij bekeek de zinnen en knabbelde op het uiteinde van de pen voor hij besefte dat hij voren in het zachte goud maakte. Misschien zou Tylin het niet merken. Ze moesten op de hoogte gesteld worden van Carridin. Wat nog meer? Hij voegde er een aantal redelijk klinkende woorden aan toe. Het laatste dat hij wilde was hen op stang jagen.

Wees verstandig. Laat mij een paar mannen meesturen als jullie moeten ronddwalen, om te voorkomen dat je hoofden worden open gespleten. Wordt het trouwens geen tijd dat ik jullie mee terug neem naar Egwene? Er is hier niets dan hitte en vliegen, en die kunnen we in Caemlin ook vinden.

Zo. Nettere bewoordingen konden ze niet eisen. Hij droogde het vel zorgvuldig en vouwde het vierdubbel. Er lag een kooltje onder zand in een klein gouden bakje. Hij blies erop tot het gloeide, stak er een kaars mee aan en pakte een blok rode lak. Toen de zegellak op de rand van het papier druppelde, herinnerde hij zich ineens dat hij een zegelring in zijn zak had. Het was gewoon iets wat de ringenmaker had gesneden om zijn vaardigheid te tonen, maar het was beter dan een gewone spetter lak. De ring was iets langer dan het hoopje verhardende lak, maar het meeste van het zegel kwam er op te staan.

Voor het eerst wierp hij een goede blik op wat hij had gekocht. Binnen een rand van grote maansikkels joeg een rennende vos twee geschrokken vogels de lucht in. Hij moest erom grijnzen. Jammer dat het niet de hand van de Bond was, maar het was passend genoeg. Hij moest zeker zo sluw als een vos zijn om Nynaeve en Elayne bij te houden, en ze vlogen dan wel niet op, maar... Bovendien was hij door het vossenzegel dol op vossen geworden. Hij krabbelde Nynaeves naam aan de buitenkant, en toen ook die van Elayne als een gedachte achteraf. Een van de twee zou de boodschap gauw genoeg zien.

Hij draaide zich met de gezegelde brief in zijn hand om en schrok toen zijn knokkels over Tylins borsten gleden. Met een ruk trok hij zich terug, botste met grote ogen tegen de schrijftafel en probeerde geen rood gezicht te krijgen. Blijf naar haar gezicht kijken, alleen maar haar gezicht. Hij had haar niet horen naderen. Het beste leek hem om de botsing te vergeten, om haar niet nog meer te beschamen. Ze zou wel denken dat hij een lompe boerenkinkel was. ‘Er staat hier iets in, wat u zou moeten weten, majesteit.’ Er was tussen hun lichamen te weinig ruimte om de brief op te tillen. ‘Jaichim Carridin ontvangt Duistervrienden, en ik bedoel er niet mee dat hij ze in hechtenis neemt.’

‘Weet je dat zeker? Natuurlijk ben je dat. Niemand zou een dergelijke beschuldiging uiten zonder er zeker van te zijn.’ Een rimpel trok over haar voorhoofd, maar na een rukje van haar hoofd verdween die weer. ‘Laat ons over plezieriger zaken spreken.’

Hij had kunnen gillen. Hij had haar verteld dat de gezant van de Witmantels een Duistervriend was, en zij had er slechts een frons voor over?

‘Jij bent heer Mart Cauton?’ Er lag iets van twijfel in die titel. Haar ogen deden meer dan ooit aan die van een adelaar denken. Een koningin kon er niet tegen iemand te ontvangen die voorgaf een heer te zijn.

‘Gewoon Mart Cauton.’ Iets zei hem dat ze een leugen zou kunnen horen. Bovendien, het zich voordoen als een heer was slechts een list geweest, een die hem niet aanstond. Maar in Ebo Dar kon je overal in een tweegevecht verwikkeld raken. Er waren echter maar weinig mensen die een heer uitdaagden, hoogstens een andere heer. Zoals het er nu voor stond, had hij de laatste maand een aantal hoofden gekraakt, vier man verwond en een halve span gerend om aan een vrouw te ontkomen. Tylins strakke blik maakte hem zenuwachtig. En de dobbelstenen bleven maar in zijn hoofd ratelen. Hij wilde hier weg. ‘Als u me zegt waar ik de brief kan achterlaten, majesteit...’

1 ... 94 95 96 97 98 99 100 101 102 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)