Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Je bent te goed voor mij, vrouw,’ zei hij droog. In Ebo Dar was er geen gilde voor herbergiers, maar elke herberg in de stad was in handen van een bazin. In Ebo Dar zou elke herberg van een man, en elke boot van een vrouw, door de ergste soorten ongeluk getroffen worden. Er waren geen vrouwen in het vissersgilde.
Mart trok het papier te voorschijn. Het was spierwit, dik en duur, en heel klein opgevouwen. De paar regels waren geschreven in blokletters, zoals Olver gedaan zou hebben. Of een volwassene die niet wilde dat het handschrift herkend zou worden.
ELAYNE EN NYNAEVE GAAN TE VER. HERINNER HEN ERAAN DAT DE TOREN NOG STEEDS EEN GEVAAR VOOR HEN IS. WAARSCHUW HEN DAT ZE VOORZICHTIG MOETEN ZIJN, OF ZE ZULLEN VOOR ELAIDA KNIELEN EN OM VERGEVING SMEKEN.
Dat was alles. Geen ondertekening. Nog stééds een gevaar? Dat gaf aan dat het niets nieuws was; op de een of andere manier botste dat met het door de opstandelingen gestrikt zijn. Nee, dat was de verkeerde vraag. Wie had hem dit briefje toegespeeld? Blijkbaar iemand die dacht dat het hem niet gewoon overhandigd kon worden. Wie was er in de gelegenheid geweest sinds hij vanmorgen deze jas had aangetrokken? Toen had het er niet ingezeten, zeker weten. Iemand die vlak bij hem had gestaan. Iemand... Ineens betrapte hij zichzelf erop, dat hij ‘Ze verblindt mijn ogen en verduistert mijn geest’ zat te neuriën. Hier had het wijsje andere woorden; ze noemden het ‘Ondersteboven, rond en rond’. Alleen Teslyn of Joline kwam in aanmerking, en dat was onmogelijk. ‘Slecht nieuws, heer?’ vroeg bazin Anan.
Mart propte het briefje in zijn zak. ‘Kan een man ooit een vrouw begrijpen? Ik bedoel niet alleen Aes Sedai. Elke vrouw.’
Jasfer brulde van het lachen, en toen zijn vrouw hem veelzeggend aankeek, lachte hij nog harder. Haar blik op hem was zo bedaard dat zelfs een Aes Sedai zich beschaamd zou hebben teruggetrokken. ‘Mannen hebben het niet zo moeilijk, mijn heer. Zij hoeven slechts te kijken of te luisteren. Juist de vrouwen hebben het zware werk. We moeten proberen om mannen te begrijpen.’ Jasfer hield zich vast aan de deurpost en de tranen rolden over zijn gezicht. Ze keek hem zijdelings aan, draaide zich koel en kalm om, en dreef haar vuist zo hard in zijn buik dat zijn knieën knikten. Zijn lachen werd een piepen maar stopte niet. ‘Er is een gezegde in Ebo Dar, mijn heer,’ zei ze over haar schouder tegen Mart. ‘Een man is een doolhof van doornstruiken in het donker, en zelfs hij weet de weg niet.’
Mart snoof. Daar had hij wat aan. Nou ja, Teslyn of Joline, of een ander – het moest een ander geweest zijn. Kon hij maar bedenken wie – de Witte Toren was ver weg en Jaichim Carridin was hier. Hij keek naar de twee lijken. Evenals honderden andere schurken. Hoe dan ook, hij zou ervoor zorgen dat die twee vrouwen veilig uit Ebo Dar kwamen. Het probleem was dat hij geen idee had hoe hij het moest aanpakken. Hij wenste dat die rottige dobbelstenen zouden ophouden, dat hij het achter de rug had.
De vertrekken die Joline met Teslyn deelde waren zeer ruim: een slaapkamer voor elk van hen, twee kleinere voor hun dienaressen en nog eentje waar Blaeric en Fen gemakkelijk in hadden gekund, als Teslyn had kunnen verdragen dat Joline haar zwaardhanden bij zich hield. Die vrouw zag iedere man als een mogelijke dolle wolf en duldde geen tegenspraak als ze ergens haar zinnen op gezet had. Even onverbiddelijk als Elaida verpulverde ze alles wat haar voor de voeten kwam. Natuurlijk waren ze gelijkwaardig, maar het lukte weinig zusters overwicht te hebben op Teslyn. Toen Joline binnenkwam, zat ze aan de schrijftafel in de zitkamer. Haar pen maakte afschuwelijk krassende geluiden. Ze was altijd zuinig met inkt.
Joline gleed zwijgend langs haar heen naar het balkon, een brede kooi van wit geschilderd ijzer. Het smeedwerk was zo dicht vervlochten, dat de mensen die drie verdiepingen lager in de tuin werkten moeilijk konden zien of er iemand stond. In deze streek deden bloemen het gewoonlijk heel goed, met wilde kleuren die nog bonter waren dan de muren en plafonds in het paleis, maar daar beneden waren ze afwezig. Tuinlieden liepen over het grind met emmers water, maar bijna elk blad was geel of bruin. Zelfs als ze gemarteld werd zou ze het niet hebben toegegeven, maar de hitte joeg haar angst aan. De Duistere beroerde de wereld en hun enige hoop was een losgeslagen jongeman. ‘Water en brood?’ zei Teslyn plotseling. ‘Die knaap Cauton naar de Toren sturen? Als onze plannen veranderd zijn, breng me dan op de hoogte vóór je het anderen vertelt.’
Joline voelde een blosje op haar wangen. ‘Merilille moest op haar plaats gezet worden. Ze gaf les toen ik een novice was.’ Net als Teslyn; een strenge lerares die haar klas in een ijzeren greep hield. Haar manier van praten gaf het al aan: een duidelijke waarschuwing om haar niet tegen te spreken, gelijke of niet. Maar Merilille stond lager. ‘Ze liet ons voor de klas staan en bleef maar graven naar het antwoord dat ze wilde hebben, tot we in het volle zicht van ellende stonden te huilen. Ze deed dan net of ze met ons meeleefde, en misschien deed ze dat wel, maar hoe meer schouderklopjes en aansporingen om niet te huilen, hoe erger het werd.’ Ze hield ineens op. Ze was helemaal niet van plan geweest dit te vertellen. Het was Teslyns schuld. Die keek altijd alsof ze ieder moment een uitbrander kon krijgen voor een vlek op haar jurk. Maar ze zou het moeten begrijpen; Merilille had haar ook onderwezen.
‘En al die tijd heb je dat onthouden?’ In Teslyns stem klonk puur ongeloof door. ‘De zusters die ons onderwezen, deden slechts hun plicht. Soms denk ik dat het juist is, wat Elaida over jou zei.’ Het vervelende gekras begon weer.
‘Het... kwam gewoon bij me op, toen Merilille begon alsof ze een echte gezant was.’ Maar ze was een opstandeling. Joline keek afwezig naar de tuin. Ze verachtte elke vrouw die de Witte Toren had gebroken en aan de hele wereld die breuk bekendmaakte. Ieder van hen, en allen die hen hielpen. Maar Elaida had ook geblunderd, op een verschrikkelijke manier. De opstandige zusters hadden met wat moeite verzoend kunnen worden. ‘Wat zei ze over mij? Teslyn?’ Het geluid van de pen ging door, als schrapende vingernagels over een lei. Joline stapte weer naar binnen. ‘Wat heeft Elaida gezegd?’
Teslyn legde een nieuw vel boven op de brief, als vloeiblad of om het te onttrekken aan Jolines blik, maar ze gaf niet meteen antwoord. Ze keek Joline dreigend aan – of misschien leek dat maar zo; daar was soms moeilijk achter te komen – en zuchtte toen. ‘Nou, als je het zo nodig moet weten. Ze zei dat je nog steeds een kind was.’
‘Een kind?’ Joline was geschokt, maar dat deerde de ander niet.
‘Sommigen,’ zei Teslyn kalm, ‘veranderen weinig nadat ze het novice-wit aantrekken. Sommigen veranderen helemaal niet. Elaida gelooft dat je nog niet volwassen bent, en dat nooit zult worden.’
Joline wierp boos haar hoofd in de nek, te boos om erop te reageren. En dat uit de mond van een vrouw wier moeder nog een kind was geweest toen zijzelf de stola had gekregen! Als novice was Elaida veel te veel in de watten gelegd, werd er veel te veel waarde gehecht aan haar vermogen en de ongewone snelheid waarmee ze leerde. Joline dacht dat dit weleens de reden van haar woede jegens Elayne, Egwene en de wilder Nynaeve kon zijn: ze waren sterker dan zij en veel korter novice geweest, hoewel ze duidelijk te snel waren voortgedreven. Nynaeve was zelfs nooit novice geweest, en dat was zeker ongehoord.
‘Aangezien jij het ter sprake hebt gebracht,’ ging Teslyn door, ‘zouden we misschien moeten proberen voordeel uit de toestand te halen.’
‘Wat bedoel je?’ Joline geleidde Lucht om de zilveren karaf op het met turkoois ingelegde dientafeltje op te tillen en een zilveren roemer met vruchtenwijn te vullen. Zoals altijd maakte het omhelzen van saidar haar blij, kalmeerde het haar, beurde het haar op. ‘Het ligt voor de hand, lijkt mij. Elaida’s bevelen gelden nog steeds. Elayne en Nynaeve moeten naar de Toren worden teruggebracht, zodra ze gevonden zijn. Ik heb ingestemd met wachten, maar misschien zouden we dat niet langer moeten doen. Het is jammer dat dat Alveren-kind niet bij hen is. Maar die twee zullen ons weer in de gunst brengen bij Elaida, en als we die jongen van Cauton erbij kunnen doen... Ik denk dat die drie ons een welkom zullen opleveren alsof we met Rhand Altor zelf aankomen. En die Aviendha zal een goede novice zijn, wilder of niet.’