Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ineens verscheen er tussen de zoldering en de vloer een lichtlijn voor de Uitverkorene. Die leek op de een of andere manier te kantelen en daarna in een vierkant... gat te veranderen. Carridin keek met open mond toe. Hij staarde door een gat in de lucht, naar een ruimte vol grijze pilaren waar een dikke mist hing. Sammael stapte het gat in en de opening klapte dicht tot een stralende band van licht, die tot slot een purperen nabeeld in Carridins ogen liet opgloeien.
Hij kwam wankelend overeind. Falen werd altijd gestraft, maar niemand overleefde ongehoorzaamheid aan een Uitverkorene.
Plotseling bewoog Shiaine. Ze kwam eindelijk helemaal overeind. ‘Nou, hoor eens, Bors,’ begon ze, maar ze zweeg opeens en staarde naar het venster waar hij had gestaan. Haar ogen schoten heen en weer, vonden hem, en ze veerde op. Haar ogen puilden uit alsof ze in hem een Uitverkorene zag.
Niemand overleefde ongehoorzaamheid aan de Uitverkorenen. Hij hield beide handen tegen zijn slapen. Zijn hoofd knelde verschrikkelijk, alsof het op barsten stond. ‘Er is een man in de stad, Mart Cauton. Je zult...’ Ze schrok en hij keek haar vragend aan. ‘Ken je hem?’
‘Ik heb de naam gehoord,’ zei ze behoedzaam. En boos, meende hij. ‘Maar weinig mensen die met Altor te maken hebben, blijven onbekend.’ Toen hij naderbij kwam, sloeg ze haar armen beschermend over elkaar en bleef met moeite staan. ‘Wat doet die sjofele boerenpummel hier in Ebo Dar? Hoe is hij...?’
‘Stel geen stomme vragen, Shiaine.’ Nooit, nooit eerder had hij zo’n hoofdpijn gehad. Of er een dolk tussen zijn ogen was gedreven. Niemand overleefde ooit... ‘Zet je kring aan het werk om Cauton onmiddellijk te vinden. Allemaal.’ Vannacht zou Ouwe Culla komen en door de stallen naar binnen glippen. Ze hoefde niet te weten dat er anderen waren. ‘Niets mag dat in de weg staan.’
‘Maar ik dacht...’
Hij omklemde haar hals, en snakkend naar adem zweeg ze. Er verscheen een smalle dolk in haar hand, maar hij wrong die los. Ze draaide en worstelde terwijl hij haar gezicht tegen het tafelblad duwde. Haar wang maakte vochtige vlekken in de inkt van de terzijde geschoven brief aan Pedron Nial. De dolk die vlak voor haar ogen neerkwam, deed haar verstarren. Het lemmet doorboorde het papier en prikte bij toeval de achterpoot van een mier vast. Die worstelde even vergeefs als zij.
‘Je bent een insect, Mili.’ Zijn stem kraste van de pijn in zijn hoofd. ‘Het wordt tijd dat je dat begrijpt. Insecten zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden, dus als eentje je niet bevalt...’ Haar ogen volgden zijn duim en toen hij de mier plat drukte, kromp ze ineen, ‘Ik leef om te dienen en te gehoorzamen, meester,’ fluisterde ze ademloos. Dat had ze steeds tegen Ouwe Culla gezegd als die er was, maar nog nooit tegen hem.
‘En zo zul je gehoorzamen...’ Niemand overleefde ongehoorzaamheid. Niemand.
16
Een tikje op de wang
Het Tarasin-paleis leek tot aan de derde verdieping geheel en al te zijn opgetrokken uit glanzend marmer en wit pleisterwerk, met zuilengalerijen en balkons van wit geschilderd smeedijzer. Duiven zwenkten om puntkoepels en hoge, met balkons gekroonde torenspitsen met rode en groene tegelbanden die glinsterden in het zonlicht. Onder puntige spitsbogen leidden de paleispoorten naar verschillende binnenhoven, en ook de hoge muur die de tuinen aan het gezicht onttrok, was voorzien van spitse hoogpoorten. Maar aan de kant die uitkeek op het Mol Haraplein leidden tien stap brede treden naar grote deuren, die net als de balkonhekken waren voorzien van spiraalpatronen en waren bedekt met bladgoud.
Zo’n tien wachters die voor deze deuren zwetend in de zon stonden, droegen vergulde borstkurassen over groene jassen en wijde witte broeken die in donkergroene laarzen waren gestopt. Rond hun glinsterende gouden helmen was een witte doek gewikkeld die met groene koorden bijeen werd gehouden. De losse punten vielen tot over hun schouders. Zelfs hun hellebaarden en de scheden van hun dolken en korte zwaarden glommen van het goud. Schildwachten voor het vertoon, niet om te vechten. Maar toen Mart bovenaan kwam, kon hij het zwaardeelt op hun handen zien. Hij was de vorige keren altijd door de stallen gegaan, om meteen de paarden van het paleis te bekijken, maar deze keer ging hij zoals een edelman betaamt.
‘Het Licht zegene allen,’ zei hij tot de bevelhebber, een man die niet veel ouder was dan hijzelf. Ebodaranen waren beleefde mensen, ‘Ik ben gekomen om een boodschap achter te laten voor Nynaeve Sedai en Elayne Sedai. Of om die persoonlijk aan hen te overhandigen, indien zij zijn teruggekeerd.’
De bevelhebber staarde hem verbouwereerd aan en keek weer naar de trap. Een gouden koord tussen alle groene rond zijn piekhelm duidde op een rang die Mart niet kende, en in plaats van een hellebaard droeg hij een vergulde staf met een scherpe punt en haak, zoals een ossen-prik. Aan zijn gezicht te zien had niemand ooit deze weg genomen. De man bekeek Marts jas en nam de tijd om de zaak te overdenken. Ten slotte besloot hij dat hij deze heer niet kon wegsturen. Zuchtend murmelde de man een zegening terug en vroeg naar Marts naam. Hij duwde een deurtje in een van de grote deuren open en bracht hem naar een ruime ontvangstzaal, omgeven door vijf rijen balkons met stenen balustrades onder een koepel die geschilderd was als de lucht, met inbegrip van wolken en een zon.
De knippende vingers van de wachter riepen een jong, slank dienstmeisje in een witte jurk, die links was vastgezet om haar groene onderrokken te tonen. Op haar borst was aan de linkerkant een Anker en Zwaard geborduurd. Ze schuifelde haastig en ietwat geschrokken over de blauwrode marmeren vloer en maakte een knix voor zowel Mart als de schildwacht. Kort zwart haar omlijstte een lief, knap gezichtje met een olijfzachte huid, en haar kleren vertoonden dezelfde diepe halslijn die in Ebo Dar alle vrouwen behalve edelvrouwes bezaten. Maar deze keer merkte Mart het niet eens op. Toen ze vernam wat hij wenste, werden haar grote donkere ogen zelfs nog groter. Aes Sedai waren niet echt ongewenst in Ebo Dar, maar de meeste stedelingen zouden een flink eind omlopen om er een te vermijden.
‘Jazeker, zwaardluitenant,’ zei ze, opnieuw buigend. ‘Natuurlijk, zwaardluitenant. Als het u behaagt om mij te volgen, heer?’ Het behaagde hem.
Buiten glinsterde Ebo Dar wit, maar binnen was het een wilde kleurenpracht. De brede paleisgangen leken wel spannenlang, met hier een hoog blauw plafond en gele muren, en elders zachtroze wanden en een groen plafond. Na een bocht kon alles anders zijn, met kleurencombinaties die iedereen behalve een ketellapper zouden doen duizelen. Marts laarzen klonken hol op de vloertegels, die in twee, drie, soms zelfs vier kleurenpatronen van ruiten, sterren of driehoeken waren gelegd. Op kruisingen met andere gangen vormde het mozaïekwerk ingewikkelde slingers en krullen. Een paar zijden wandtapijten toonden afbeeldingen van de zee, en in ronde nissen stonden geslepen kristallen schalen, kleine beeldjes en geel Zeevolkporselein dat overal behoorlijk wat geld zou hebben opgebracht. Van tijd tot tijd haastte een lakei zich zwijgend langs hem heen, vaak met een zilveren of gouden dienblad.