De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Weet een van jullie misschien waarom die kapitein zo achterdochtig deed? Dat was hij, ik weet het zeker.’ Hij schudde het hoofd. ‘Het leek bijna of hij dacht dat wij het beeld wilden stelen.’
‘Dat was Daes Dae’mar, heer Rhand,’ zei Hurin. ‘Het Grote Spel. Maar sommigen noemen het ook het Spel der Huizen. Die Caldewin denkt dat u hier op eigen voordeel uit bent, anders zou u hier niet zijn. En wat u misschien wilt doen, kan hem nadeel berokkenen, dus moet hij voorzichtig zijn.’
Rhand schudde weer zijn hoofd. ‘Het Grote Spel? Welk spel?’
‘Het is helemaal geen spel, Rhand,’ zei Loial, die op het bed lag. Hij had een boek uit zijn zak gehaald, maar dat lag nog ongeopend op zijn borst. ‘Ik weet er niet veel van. De Ogier doen zulke dingen niet, maar ik heb ervan gehoord. De edelen en de adellijke Huizen manoeuvreren zich in een gunstige positie. Ze doen iets waarvan ze denken dat het hen bevoordeelt of een vijand benadeelt, of allebei tegelijk. Gewoonlijk wordt alles stiekem gedaan, en zo niet, dan doen ze net alsof ze iets anders doen als wat ze eigenlijk uitspoken.’ Hij krabde zich verbaasd achter een oortoefje. ‘Zelfs al weet ik wat het is, begrijpen doe ik het niet. Ouder Haman zei altijd dat er een groter geest nodig was dan de zijne om het gedoe van mensen te begrijpen en ik ken weinig mensen die zo knap zijn als Ouder Haman. Jullie mensen zijn vreemd.’
Hurin keek de Ogier van opzij aan en zei: ‘Hij heeft gelijk over dat Daes Dae’mar, heer Rhand. De Cairhienin spelen het beter dan wie ook, hoewel alle zuiderlingen het beoefenen.’
‘Die soldaten morgen,’ vervolgde Rhand. ‘Horen die bij Caldewins Grote Spel? We kunnen het ons niet veroorloven bij zoiets betrokken te raken.’ Het was niet nodig de Hoorn te noemen. Ze beseften maar al te goed dat de Hoorn in hun kamer was.
Loial schudde het hoofd, ik weet het niet, Rhand. Hij is een mens,
dus kan het van alles betekenen.’
‘Hurin?’
‘Ik weet het ook niet.’ Hurin klonk even bezorgd als de Ogier keek. ‘Misschien doet hij precies wat hij net zei, of... Zo wordt het Spel der Huizen nu eenmaal gespeeld. Je weet het nooit. Ik heb een groot deel van mijn Cairhien-tijd in Voorpoort doorgebracht, heer Rhand, en ik weet niet zoveel van de Cairhiense adel, maar... Nou ja, Daes Dae’mar kan overal gevaarlijk zijn, maar vooral in Cairhien, heb ik gehoord.’ Opeens keek hij opgelucht. ‘Vrouwe Selene, heer Rhand. Ze weet er meer van dan ik of de Bouwer. U kunt het haar morgenvroeg vragen.’
Die ochtend was Selene echter verdwenen. Toen Rhand beneden in de gelagkamer kwam, overhandigde vrouw Madwen hem een verzegeld perkament. ‘Als u het me niet kwalijk neemt, mijn heer, u had naar me moeten luisteren. U had bij haar moeten aankloppen.’ Rhand wachtte tot ze wegliep voor hij het witte waszegel verbrak, waarin een maansikkel tussen sterren stond gestempeld.
Ik moet je een tijdje verlaten. Er zijn hier te veel mensen en ik mag Caldewin niet. Ik zal in Cairhien op je wachten. Denk nooit dat ik heel ver weg ben. Je zult altijd in mijn gedachten zijn, zoals ik weet dat ik in de jouwe ben.
Het was niet ondertekend, maar dat elegante, vloeiende schrift leek kenmerkend voor Selene.
Hij vouwde het voorzichtig op en stak het in zijn zak voor hij naar buiten ging, waar Hurin klaar stond met de paarden. Kapitein Caldewin was er eveneens, met een andere, jongere officier en vijftig bereden soldaten, die de straat vulden. De twee officieren waren blootshoofds, maar droegen met staal versterkte handschoenen en met goud versierde borstplaten, die over hun blauwe jassen waren gegespt. Op de rug van hun wapenrusting zat een kleine staaf, waaraan boven hun hoofd een klein strak vaandel wapperde. Caldewins vaandel toonde één witte ster, terwijl dwars over het vaandel van de jongere officier twee witte balken liepen. Beide officieren vormden een scherpe tegenstelling met de soldaten in hun simpele wapenrusting en hun helmen die leken op klokken met een uitsparing voor het gezicht.
Caldewin boog toen Rhand de herberg uitkwam. ‘Ik wens u een goede morgen, mijn heer Rhand. Dit is Elriceen Tavolin, die het bevel voert over uw escorte, als ik dat zo mag uitdrukken.’ De andere officier boog; zijn hoofd was net zo geschoren als dat van Caldewin. Hij zei geen woord.
‘Ik stel het escorte zeer op prijs, kapitein,’ zei Rhand en het lukte hem dat heel ontspannen te zeggen. Fajin zou zeker niets beginnen tegen vijftig soldaten, maar Rhand wilde graag weten of ze ook echt voor begeleiding waren bedoeld.
De kapitein wierp een blik op Loial, die net met de kist onder de deken naar zijn paard toe liep. ‘Dat lijkt me zwaar, Ogier.’ Loial struikelde bijna, ik heb altijd graag mijn boeken bij me, kapitein.’ Een verlegen grimas ontblootte de tanden in zijn grote mond en hij haastte zich de kist op het zadel te binden. Caldewin keek bezorgd rond. ‘Uw vrouwe is er nog niet. En haar mooie rijdier staat niet klaar.’
‘Ze is al weg,’ zei Rhand. ‘Ze moest vannacht met spoed naar Cairhien.’
Caldewin trok zijn wenkbrauwen hoog op. ‘Vannacht? Maar mijn mannen... Wilt u me verontschuldigen, mijn heer Rhand.’ Woedend fluisterend trok hij de jonge officier met zich mee. ‘Hij heeft de herberg laten bewaken, heer Rhand,’ fluisterde Hurin. ‘Vrouwe Selene moet op de een of andere manier ongezien langs hen heen zijn gekomen.’
Rhand stapte met een zure grijns in Roods zadel. Als er een kleine kans had bestaan dat Caldewin hen nergens van verdacht, dan had Selene daar zeker een eind aan gemaakt. ‘Te veel mensen, zei ze,’ mompelde hij. ‘In Cairhien zullen er nog veel meer mensen zijn.’
‘Wilde u iets zeggen, mijn heer?’
Rhand keek op toen Tavolin, gezeten op een grote, zandkleurige ruin, zich bij hem voegde. Hurin zat te paard en Loial stond naast zijn grote ros. De soldaten stonden in het gelid. Caldewin was nergens meer te bekennen.
‘Niets gaat zoals ik verwacht,’ zei Rhand.
Tavolin toonde een klein glimlachje dat zijn lippen amper raakte. ‘Zullen we vertrekken, mijn heer?’
De vreemde stoet trok naar de zandweg die naar de stad Cairhien leidde.
22
Wakers
‘Niets gaat zoals ik verwacht,’ mompelde Moiraine, die geen antwoord van Lan verwachtte.
De lange, glimmend geboende tafel voor haar lag bezaaid met boeken en papieren, rollen en manuscripten. Vele waren stoffig van het lange bewaren en aangetast door ouderdom. Van sommige was nog maar een gedeelte over. Het vertrek leek bijna geheel te bestaan uit boeken en manuscripten op de planken, behalve waar de deuren zaten, de ramen en de open haard. De stoelen hadden hoge rugleuningen en dikke kussens, maar bijna de helft ervan en de meeste kleine tafeltjes waren bedolven onder boeken en onder sommige lagen nog meer boeken en boekrollen. Moiraine had echter alleen de wanordelijke stapel vlak voor haar veroorzaakt.
Ze stond op, liep naar het raam en tuurde de nacht in, naar de lichten van het dorp dat iets verder lag. Hier bestond geen gevaar van achtervolging. Niemand zou verwachten dat ze hierheen zou komen. Ik moet mijn gedachten opfrissen en opnieuw beginnen. Dat is het enige dat ik kan doen.
Geen enkele dorpeling had het flauwste vermoeden dat de twee oudere zusters in dit knusse huisje eigenlijk Aes Sedai waren. Men verwachtte dit soort zaken niet in een klein dorpje als Tifansbron, een plaatsje midden op de grasvlakten van Arafel. De dorpelingen kwamen naar de zusters voor raad bij hun problemen en voor middeltjes tegen ziekten. Ze genoten aanzien als vrouwen die door het Licht waren gezegend, maar dat was alles. Adeleas en Vandene hadden zich al zo lang geleden vrijwillig uit Tar Valon teruggetrokken dat zelfs in de Witte Toren maar weinig zusters wisten dat ze nog leefden. Met hun even oude zwaardhand, de enige die hen was gebleven, leidden ze een rustig leven dat gewijd was aan het schrijven van de geschiedenis na het Breken, maar ook de wereld voor die tijd wilden ze beschrijven met de feiten die ze konden vinden. Voor dat schrijven moesten veel gegevens verzameld en veel raadsels opgelost worden. Hun huis was voor Moiraine de volmaakte plek om de benodigde antwoorden te vinden, maar ze had nog niets gevonden. Vanuit haar ooghoeken zag ze iets bewegen en draaide zich om. Lan leunde onverstoorbaar als een rotsblok tegen de gele, bakstenen haard. ‘Herinner je je onze eerste ontmoeting nog, Lan?’ Ze hield hem in het oog voor een teken, anders had ze nooit de snelle spierbeweging in zijn wenkbrauw gezien. Het gebeurde niet zo vaak dat ze hem kon verrassen. Dit was een onderwerp dat geen van beiden ooit aansneed. Bijna twintig jaar geleden had ze hem gezegd – met de trots van iemand, herinnerde ze zich, die nog jong genoeg was om jong genoemd te worden – dat ze er nooit meer over zou praten en dat ze ook op zijn zwijgen rekende. ‘Ik herinner het me,’ was het enige dat hij zei. ‘En nog steeds geen verontschuldiging, neem ik aan? Je hebt me toen in de die poel gegooid.’ Ze glimlachte niet, hoewel ze het inmiddels wel vermakelijk vond. ‘Ik was tot op de draad toe nat en ik bevroor haast in wat jullie Grenslanders de vroege lente noemen.’ ik herinner me ook dat ik een vuur aanlegde en dekens ophing, zodat je je ongehinderd kon verwarmen.’ Hij pookte in de brandende houtblokken en hing het haardijzer terug aan de haak. Zelfs de zomernachten in de Grenslanden waren koud. ‘Ik herinner me ook dat toen ik die nacht sliep, jij de halve vijver over me uitstortte. Het zou ons allebei veel geril hebben bespaard als je me gewoon had verteld dat je een Aes Sedai was en dat niet aan me had willen bewijzen. Dat was beter geweest dan je poging me van mijn zwaard te scheiden. Geen goede manier om jezelf voor te stellen aan een Grenslander, zelfs niet voor een jonge vrouw.’