Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 88 89 90 91 92 93 94 95 96 ... 217
Перейти на страницу:

‘Bevalt de stijl u, heer?’

Mart schrok op. Hij had de magere man en de ring vergeten. ‘Nee, ik wil hem...’ Nijdig rukte hij weer aan de ring. Hij wilde er niet af!

‘U hoeft niet te trekken; zo kunt u de steen breken.’ Nu hij geen mogelijke klant meer was, hield Mart op heer te zijn. De man snoof en hield hem scherp in de gaten, voor het geval hij probeerde ervandoor te gaan. ‘Ik heb wat smeervet. Deril, waar is de vetpot?’ De wachter knipperde en krabde op zijn hoofd alsof hij zich afvroeg wat een vetpot was. De wit gepluimde hoed was al halverwege de andere kant van de brug.

‘Ik neem hem,’ blafte Mart. Geen tijd om te onderhandelen. Hij trok een handvol munten uit zijn jaszak en klapte ze op de toonbank neer. Het meeste was goud, met wat zilver. ‘Genoeg?’

De ogen van de ringenmaker puilden uit. ‘Iets te veel,’ zei hij wat onzeker bevend. Zijn handen weifelden boven de munten en twee vingers schoven een paar zilveren penningen naar Mart. ‘Zoveel?’

‘Geef ze aan Deril,’ gromde Mart toen de bloedring van zijn vinger gleed. De magere kerel harkte haastig de rest van de munten op. Te laat om onder de koop uit te komen. Mart vroeg zich af wat hij te veel had betaald. Hij schoof de ring in zijn jas en haastte zich achter de Duistervriend aan. De hoed was nergens meer te zien. Naast de afrit van de brug stonden twee sierbeelden, witmarmeren vrouwenfiguren van zo’n zes voet hoog. Elk had één blote borst en een hand die naar iets in de hemel wees. In Ebo Dar betekende een ontblote borst openheid en eerlijkheid. Hij negeerde het gestaar toen hij naast een van de vrouwen klom en zich met een arm om haar middel vasthield. Er liep een straat langs het kanaal en voor hem splitste die zich in tweeën. Beide straten waren vol mensen, karren, draagstoelen, wagens en koetsen. Iemand schreeuwde ruw dat echte vrouwen warmer waren, en de mensen lachten. In de linkerstraat verschenen witte pluimen, van achter een blauw gelakte koets.

Hij sprong naar beneden en drong door de straat achter haar aan, de vloeken negerend van degenen tegen wie hij aan botste. Het was een vreemde jacht. In deze mensenmassa, met voortdurend wagens en koetsen vlak voor hem, kon hij geen duidelijk zicht op de hoed houden. Hij sprong brede marmeren paleistrappen op, ving weer een glimp van haar op, en haastte zich naar de straat terug om verder te dringen. Een hoge fonteinrand gunde hem een volgende blik, daarna een staande ton tegen een muur, en een krat dat net van een ossenkar was geladen. Een keer hing hij aan de zijkant van een wagen tot de koetsier hem met de zweep bedreigde. Met al dat klimmen en kijken kon hij de afstand tussen hem en de Duistervriend niet verkleinen. Nou ja, hij had toch geen idee wat hij moest doen als hij haar inhaalde. Hij hees zich op aan een smalle uitstekende gevellijst van een groot huis en plotseling was ze nergens meer te zien.

Gejaagd zocht hij de hele straat af. De pluimen golfden niet meer door de menigte. Vlakbij stonden vijf, zes huizen die veel leken op het huis waaraan hij hing, een paar kleine en grote paleizen, twee herbergen, drie taveernes, een messenwinkel met een mes en een paar scharen op het uithangbord, een visboer met een bord waarop vijftig soorten vis waren afgebeeld, twee tapijtwevers met afgerolde tapijten op tafels onder luifels, een kleermaker en vier stoffenverkopers, twee winkels die lakwerk aanboden, een goudsmid, een zilversmid, een stalhouderij.... De lijst was te lang. Ze kon overal zijn binnengegaan. Of nergens. Ze had een hoek om kunnen slaan zonder dat hij het zag.

Hij sprong omlaag, binnensmonds mopperend... en zag haar, bijna boven aan de brede trap van een paleis schuin tegenover hem. De hoge, gegroefde zuilen aan de voorkant hadden haar al bijna verborgen. Het was geen groot paleis, met slechts twee slanke spitsen en één peervormige koepel met een rode band, maar in Ebodaraanse paleizen bevonden zich op de begane grond altijd de bediendenverblijven, keukens en dergelijke ruimten. De betere kamers lagen hoger, voor de verkoelende bries. Deurwachters in zwart en geel livrei bogen diep en zwaaiden de bewerkte deuren wijdopen. Een bediende aan de binnenkant maakte een buiging, zei kennelijk iets, draaide zich onmiddellijk om en leidde haar verder het paleis in. Men kende haar. Daar durfde hij alles om te verwedden.

Nadat de deuren gesloten waren, stond hij een tijdlang het paleis te bekijken. Het was zeker niet het duurste in de stad, maar alleen een edelman zou zoiets durven neerzetten. ‘Wie in de Doemkrocht woont daar?’ mompelde hij ten slotte, zijn hoed afzettend om zich wat koelte toe te wuiven. Zij niet, als ze moest lopen. Een paar vragen in de taveernes verderop in de straat zouden wel een antwoord opleveren, maar zijn rondvraag zou naar het paleis doordruppelen, even zeker als stof je handen vuil maakte.

Iemand zei: ‘Carridin.’ Het was een uitgeteerde, witharige kerel die vlakbij in de schaduw tegen de muur leunde. Mart keek hem vragend aan en de man grinnikte, waardoor de vele gaten tussen zijn tanden zichtbaar werden. Zijn afhangende schouders en treurige, getaande gezicht pasten niet goed bij zijn fraaie grijze jas. Ondanks het beetje kant bij zijn hals was hij een toonbeeld van harde tijden. ‘Je vroeg wie hier woonde. Het Chelsainepaleis is verhuurd aan Jaichim Carridin.’

Marts hoed verstarde. ‘Je bedoelt de gezant van de Witmantels?’

‘Jep. En een Inquisiteur van de Hand van het Licht.’ De oude man tikte met een gekromde vinger opzij tegen zijn snavelneus. Ze leken allebei een paar keer gebroken te zijn. ‘Geen man om lastig te vallen, en zelfs dan zou ik er nog driemaal over nadenken.’ Onbewust floot Mart een deuntje uit Storm van de bergen. Inderdaad, geen man om lastig te vallen. Ondervragers waren de gemeenste Witmantels. Zo zo. Dus een Inquisiteur van de Witmantels kreeg een Duistervriend op bezoek.

‘Dank je...’ Mart schrok op. De kerel was weg, opgeslokt in de menigte. Het was vreemd, maar hij had er bekend uitgezien. Misschien een van de reeds lang dode bekenden die uit zijn oude herinneringen opdoemden. Misschien... en toen leek een nachtbloem van een vuurfeest in zijn hoofd uiteen te spatten. Een witharige man met een haakneus. Die oude man was op de Zilveren Baan geweest en had daar niet ver van de vrouw gestaan die zojuist in Carridins gehuurde paleis was verdwenen. Frommelend met zijn hoed keek hij nadenkend en verontrust naar het paleis. Zo’n smerig moeras kwam zelfs in de Slikken niet voor. Hij voelde plotseling de dobbelstenen in zijn hoofd rollen. Dat was altijd een slecht teken.

15

Insecten

Carridin keek niet onmiddellijk op van de brief die hij aan het schrijven was toen vrouwe Shiaine, zoals ze zichzelf noemde, werd binnengelaten. Drie mieren spartelden tevergeefs in de natte inkt waar ze in vast zaten. Al het andere leek langzaam af te sterven, maar mieren, kakkerlakken en ieder soort ongedierte schenen uitstekend te gedijen. Zorgvuldig drukte hij het vloeiblok neer. Voor een paar mieren ging hij niet opnieuw beginnen. Als hij dit verslag niet kon versturen, of het verslag van een mislukking moest verzenden, zou dat voor hem evenzeer de ondergang betekenen als voor deze smerige insecten, maar echt maagkrampen kreeg hij van de mogelijkheid van een geheel andere mislukking.

Hij maakte zich geen zorgen of Shiaine het geschrevene zou lezen. Het stond in een code die slechts aan twee anderen bekend was. Er waren zoveel benden ‘Draakgezworenen’ aan het werk, die allemaal door een kern van zijn echte vertrouwelingen werden opgehitst, en dan waren er nog zoveel meer, bestaande uit schurken of zelfs uit mensen die die smerige Altor waren toegedaan. Pedron Nial mocht dat laatste dan niet prettig vinden, zijn opdracht was om Altara en Morland onder te dompelen in bloedige chaos waaruit alleen Nial en de Kinderen van het Licht hen konden redden. Redden van een waanzin die duidelijk de schuld was van die zogenaamde Herrezen Draak, en die opdracht had hij uitgevoerd. Vrees hield beide landen bij de keel. En de geruchten dat die wijven door datzelfde land optrokken, waren een welkom geschenk. De straten gonsden van de geruchten over de feeksen uit Tar Valon en Draakgezworenen, over Aes Sedai die jonge vrouwen wegsleepten en valse Draken aanstelden, over dorpen die in vlammen opgingen en over mensen die aan hun eigen schuurdeuren werden genageld. Al die geruchten waren nu één pot nat geworden. Nial zou tevreden zijn. En meer bevelen geven. Maar hoe hij kon verwachten dat Carridin Elayne Trakand uit het Tarasin-paleis ontvoerde, ging elk gezond verstand te boven.

1 ... 88 89 90 91 92 93 94 95 96 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)