Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Hij wankelde, toen Nalesean opeens op zijn rug roffelde. ‘Kijk eens, Mart! Bij het Licht, moet je zien!’
De paarden waren om de palen gedraaid en al een flink eind op de terugweg. Wind scheerde over de baan met gestrekt hoofd en wapperende manen en staart. Olver zat op zijn rug geklemd alsof hij met het zadel vergroeid was. De jongen reed alsof hij ervoor geboren was. Vier lengten achter hem denderde de bonte, wiens berijder met de zweep werkte in een vergeefse poging de afstand te verkleinen. Zo vlogen ze de eindstreep over, het tweede paard op drie lengten achterstand. De grijze met de zilveren manen kwam als laatste binnen. Het gekreun en gegrom van de verliezers overstemde de kreten van de winnaars. De waardeloze penningen daalden als een witte regen neer op de renbaan, en tientallen bedienden van wedboekers schoten naar voren om ze weg te halen voor de volgende ren.
‘We moeten die vrouw vinden, Mart. Ze is ons zoveel schuldig dat ik haar best in staat acht ervandoor te gaan zonder ons uit te betalen.’ Mart had gehoord dat het wedboekersgilde uiterst streng optrad als een lid zoiets probeerde, en dat een tweede poging de dood betekende, maar voor Nalesean bleef het gepeupel.
‘Daar staat ze, duidelijk zichtbaar,’ wees Mart, zonder de Duistervriend met het vossengezicht uit het oog te verliezen. De vrouw keek woedend naar een penning, wierp hem op de grond en lichtte zelfs haar rokken op om erop te stampen. Duidelijk geen weddenschap op Wind. Nijdig begon ze zich een weg te banen door de menigte. Mart verstijfde. Ze vertrok. ‘Haal onze winst op, Nalesean, en breng Olver dan terug naar de herberg. Als hij zijn leesles mist, moet je de zuster van de Duistere zelf kussen voor vrouw Anan hem voor de volgende wedren laat gaan.’
‘Waar ga je heen?’
‘Ik zag een vrouw die geprobeerd heeft mij om zeep te helpen,’ zei Mart over zijn schouder.
‘Geef haar de volgende keer een aardigheidje,’ riep Nalesean hem achterna.
De vrouw volgen was niet moeilijk door de wit gepluimde hoed die als een banier tussen de menigte aan de overkant doorschoof. De aarden wallen gingen over in een groot veld met kleurrijk gelakte koetsen en draagstoelen, bewaakt door koetsiers en dragers. Marts paard Pips was een van de vele die bewaakt werden door leden van het Aloude en Achtenswaardige Gilde der Stallieden. In Ebo Dar hadden ze een gilde voor bijna alles, en wee degene die zich op hun gebied waagde. Mart bleef staan, maar ze liep de vervoermiddelen voorbij, die mensen van stand of met geld hierheen hadden gebracht. Geen meid, zelfs geen draagstoel. Niemand met wat geld om te rijden, zou in deze hitte lopen. Was zijn vrouwe in zorgelijke tijden beland?
De Zilveren Baan lag juist ten zuiden van de hoge witgepleisterde stadsmuren. Ze wandelde zo’n honderd passen de weg af naar de brede puntboog van de Moldijnse Poort, waar ze door verdween. Mart probeerde zo gewoon mogelijk te doen en volgde haar. De poort was een schemerige tunnel van twintig passen lang, maar haar hoed stak boven alle voorbijgangers uit. Mensen die moesten lopen, droegen zelden pluimen. Ze leek de weg goed te kennen. De pluimen deinden door de menigte voor hem uit, ongehaast maar steeds verder weg.
Ebo Dar schitterde wit in de ochtendzon. Witte paleizen met witte zuilen en balkons met smeedijzeren hekken stonden pal naast witgepleisterde weverswinkels, viskramen en stallen. Grote witte huizen met luiken van dunne latjes die de boogramen aan het gezicht onttrokken, stonden naast witte herbergen met geschilderde uithangborden. Op de open markten onder hun lange daken maakten levende schapen en kippen, kalveren, ganzen en eenden een lawaai als op een boerenerf, te midden van soortgenoten die al geslacht en opgehangen waren. Alles was wit, van steen of gepleisterd, afgezien van de paar rode, blauwe of gouden banen op knolvormige koepels en spitsen, waar balkons omheen liepen. Overal waren pleinen, altijd voorzien van een meer dan levensgroot standbeeld op een voetstuk of in een fontein die slechts de hitte benadrukte, en altijd waren ze vol mensen. De stad zat vol vluchtelingen, naast allerlei kooplieden en handelaren. Elke moeilijkheid leverde ergens wel iemand winst op. Wat Saldea vroeger naar Arad Doman had gestuurd, kwam nu over de rivier naar Ebo Dar. Ook Amadiciaanse goederen gingen niet meer naar Tarabon maar naar Ebo Dar. Iedereen deed zaakjes, voor een penner of voor duizend kronen, of om vandaag een hap eten te krijgen. De lucht rook naar reukwatertjes, naar stof en naar zweet. Op de een of andere manier rook het geheel naar wanhoop.
Kanalen vol dekschuiten doorsneden de stad, op tientallen plaatsen overbrugd. Sommige bruggen waren zo nauw dat twee mensen zich langs elkaar moesten wringen, en andere zo breed dat ze ruimte boden aan winkels die tot boven het water reikten. Op een van die bruggen zag hij de wit gepluimde hoed opeens stilhouden. Mensen stroomden langs hem heen toen hij ook bleef staan. De winkels hier waren eigenlijk niet meer dan houten hokken met zware luiken van planken die omlaag konden worden gehaald om ze ’s nachts af te sluiten. De open luiken waren uithangborden voor de winkels. Het bord boven de pluimhoed toonde een goudgele weegschaal en hamer, het teken van het goudsmidsgilde, van een niet al te welvarend lid. Door een plotseling ontstane lege plek zag hij haar omkijken. Hij wendde zich haastig af, naar een smal hok aan zijn rechterkant. Aan de achterwand hingen ringen en plankjes waarop stenen in alle mogelijke ontwerpen lagen.
‘Mijn heer wenst een nieuwe zegelring?’ vroeg het vogelachtige mannetje achter de toonbank, al buigend en handenwrijvend. Hij was zo mager als een lat, maar hoefde zich geen zorgen te maken dat iemand zijn waren zou stelen. In een hoek zat op een krukje een eenogige kerel geklemd, die niet zonder moeite rechtop in het hok kon staan. Tussen zijn dikke knieën hield hij een lange knuppel, waarin stalen nagels waren geslagen, ‘Ik kan elk ontwerp maken, zoals mijn heer kan zien, en ik heb uiteraard maatringen zodat u kunt passen.’
‘Laat me die eens zien.’ Mart wees er zomaar een aan; hij had een reden nodig om hier te blijven staan tot ze doorliep. Dit was misschien ook de juiste gelegenheid om te bedenken wat hij nou precies ging doen.
‘Een fraai voorbeeld van de lange stijl, heer, die nu veel gevraagd is. Hij is van goud, maar ik werk ook in zilver. Nee maar, ik denk dat het de juiste maat is. Wil mijn heer hem proberen? Wenst mijn heer het snijwerk van nabij te bekijken? Geeft mijn heer de voorkeur aan goud of zilver?’
Met een grom waarvan hij hoopte dat het ergens antwoord op gaf, schoof Mart de aangeboden ring om de middelvinger van zijn linkerhand en deed net of hij de donkere ovaal van de geslepen steen bekeek. Hij zag enkel dat die zo lang was als zijn vingerkootje. Met gebogen hoofd gluurde hij vanuit zijn ooghoeken russen de mensen door naar de vrouw. Ze hield een brede, platte gouden ketting tegen het licht.
Er was een burgerwacht in Ebo Dar, maar niet zo’n beste, en die werd zelden in de straten gezien. Als hij haar aanklaagde, zou het zijn woord tegen het hare zijn, en zelfs met zo’n aanklacht zou ze na wat geschuif met munten vrij weglopen. De burgerwacht was goedkoper dan een magistraat, maar ze konden allebei omgekocht worden, tenzij ze op de vingers werden gekeken door een machthebber. En dan kon het ook, alleen kostte het meer.
Een witte werveling in de menigte bleek een Witmantel. De kegelhelm en het lange maliënhemd glinsterden als zilver en de sneeuwwitte mantel met de vlammende gouden zon wapperde achter hem aan. De man wist dat er ruimte voor hem gemaakt zou worden. Dat gebeurde inderdaad; er waren maar weinig mensen die de Kinderen van het Licht durfden hinderen. Maar voor elke blik die zich van het onbewogen mannengezicht afwendde, was er ook een die goedkeurend naar hem opkeek. De vrouw keek hem niet alleen openlijk aan, maar glimlachte ook. Een aanklacht tegen haar kon haar wel of niet in de gevangenis stoppen, maar kon ook de vonk betekenen in een opstandige stad, na verhalen over Duistervrienden in het Tarasin-paleis. Witmantels waren goed in het ophitsen van menigten, en voor hen waren Aes Sedai Duistervrienden. Toen het Kind van het Licht haar voorbijliep, legde ze kennelijk spijtig de ketting neer en draaide zich om om verder te gaan.