De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Mijn bemanning gaat zo meteen aan het werk, speelman, en niet naar je voorstelling.’ De schipper streek over zijn puntbaardje; zijn lichte ogen schatten Marts eenvoudige jas tot op het laatste koperstuk in. ‘Zo, jij wilt een hut, niet?’ Hij lachte blaffend. ‘En mijn maaltijden.
Wel, je kunt mijn hut en maaltijden krijgen. Voor vijf gouden kronen van ieder van jullie. Andoraans gewicht!’ Dat waren de zwaarste. Hij begon zo hard te lachen dat zijn woorden er snuivend uit kwamen. Sanor en Vasa naast hem stonden breed te grijnzen. ‘Voor tien kronen mag je mijn hut en mijn maaltijden hebben. Ik verhuis wel naar de passagiers en schuif aan bij de bemanning. Mijn ziel mag branden, dat zal ik doen! Ik zweer het, bij de Steen! Voor tien gouden kronen...’ Zijn gelach maakte de rest onverstaanbaar.
Hij lachte nog steeds, hapte naar adem en veegde zijn tranen af toen Mart een van zijn twee beurzen te voorschijn haalde, maar zijn gelach was opgehouden tegen de tijd dat Mart vijf kronen in zijn handen had uitgeteld. De schipper knipperde ongelovig met zijn ogen; de twee enorme zeelui schenen door de bliksem te zijn getroffen. ‘Andoraans gewicht, zei u?’ voeg Mart. Het was moeilijk in te schatten zonder weegschaaltje, maar hij legde er nog zeven op. Twee ervan waren inderdaad Andoraans, en hij dacht dat de anderen het totale gewicht aardig benaderden. Goed genoeg voor deze knaap. Hij wachtte even en voegde er nog twee gouden Tyreense kronen aan toe. ‘Dat is voor degene die u uit de hut werkt waarvoor hij heeft betaald.’ Hij geloofde niet dat de passagiers er één koperstukje van zouden zien, maar het loonde soms de moeite om gul te lijken. ‘Tenzij u met hen wilt delen? Nee, natuurlijk niet. Ze zullen toch iets moeten krijgen voor het ongemak om bij de anderen gestopt te worden. U hoeft niet bij uw bemanning te eten, schipper. U bent welkom om bij de maaltijd van Thom en mij in uw hut aan te schuiven.’ Thom staarde hem net zo ongelovig aan als de anderen.
‘Bent u...?’ De stem van de schipper werd een hees gefluister. ‘Bent u... misschien... een jeugdige heer in vermomming?’
‘Ik ben geen heer,’ lachte Mart. Hij had alle reden om te lachen. De Grijze Meeuw bevond zich al een flink eind in het donker van de haven en de kade was een halfronde streep licht naar de nabije zwarte opening van de rivierpoorten. De riemen joegen het vaartuig nu snel naar die opening toe. Er waren al lieden bezig om de lange, schuine masten te wenden zodat de zeilen gehesen konden worden. En met het goud in zijn handen scheen de schipper weinig genegen om wie dan ook overboord te zetten. ‘Als u het niet erg vindt, schipper, willen we graag onze hut opzoeken. Uw hut, bedoel ik. Het is laat en zelf wil ik wel een paar uur slapen.’ Zijn maag liet zich horen. ‘En een maaltijd!’ Terwijl de boeg van het schip de duisternis doorkliefde, ging de baardman hen zelf voor, een ladder af die naar een kort, smal gangetje leidde, met aan twee kanten deuren vlak naast elkaar. De schipper haalde zijn spullen weg – de hut liep over de hele breedte van het achterschip, waarin het bed en alle meubels in de wanden waren weggewerkt, behalve twee stoelen en een paar kisten – en zag erop toe dat Mart en Thom werden ingekwartierd. Onderwijl leerde Mart een heleboel, te beginnen met het feit dat de man geen van de passagiers uit hun hutten zou werken. Hij had hun geld veel te lief, of hij achtte hen te zeer, om dat te laten gebeuren. De schipper zou de hut van zijn eerste nemen, en die zou het bed van de tweede nemen, en zo zou iedereen van lagere rang naar beneden gewerkt worden, tot de bootsman in de boeg bij zijn bemanning zou eindigen.
Mart dacht niet dat deze kennis erg bruikbaar zou zijn, maar hij luisterde naar elk woord dat de man sprak. Het was altijd het beste om niet alleen te weten waar je naar toe ging, maar ook met wie je te maken had, anders zouden ze misschien je jas en je laarzen stelen, zodat je op je blote voeten in de regen naar huis kon lopen. De schipper was een Tyreen die Huan Mallia heette en hij werd heel spraakzaam toen hij meende Mart en Thom goed te hebben ingeschat. Hij was niet van hooggeboren komaf, zei hij, nee, hij niet, maar hij wilde niemand laten denken dat hij een dwaas was. Een jongeman die meer goud op zak had dan goed voor hem was, zou gewoonlijk een dief worden genoemd, ware het niet dat iedereen wist dat dieven nimmer met hun buit uit Tar Valon ontsnapten. Een jongeman die gekleed was als een boerenjongen, maar met het uiterlijk en de zelfverzekerdheid van een heer, terwijl hij beweerde dat hij dat nier was... ‘Bij de Steen, ik beweer niet dat u een heer bent, als u zegt dat u het niét bent.’ Mallia knipoogde, grinnikte en trok aan zijn puntbaardje. Een jongeman in het bezit van een papier met het zegel van de Amyrlin Zetel, op weg naar Andor. Het was geen geheim dat koningin Morgase Tar Valon had bezocht, hoewel de reden daarvoor zeker geheim was. Voor Mallia was het duidelijk dat er tussen Caemlin en Tar Valon iets aan de hand was. En Mart en Thom waren boodschappers – voor Morgase, dacht hij, aan Marts tongval te horen. Hij zou met genoegen alles binnen zijn macht willen doen om hen te helpen... niet dat hij wilde rondsnuffelen waar hij ongewenst was.
Mart wisselde verbaasde blikken met Thom, die bezig was zijn instrumentkistjes onder een tafel te stouwen die uit een wand stak. De hut had aan elke kant twee kleine raampjes en een paar lampen in haken. ‘Dat is onzin,’ zei Mart.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Mallia. Hij was bezig om kleren uit een kist aan het voeteneind van het bed te pakken en rechtte zijn rug. ‘Natuurlijk.’ In een kast in de wand schenen rivierkaarten te liggen die hij nodig zou kunnen hebben, ik zeg al niets meer.’ Maar hij wilde wel degelijk rondsnuffelen, hoewel hij zijn bedoelingen probeerde te verbergen, en hij bleef maar doorbabbelen terwijl hij het probeerde. Mart hoorde het aan en beantwoordde zijn vragen met gegrom of een schouderophalen of een paar woorden, en Thom zei zelfs nog minder. De speelman bleef maar zijn hoofd schudden terwijl hij zich van zijn bezittingen ontdeed.
Mallia was heel zijn leven een rivierschipper geweest, hoewel hij droomde van de zeevaart. Hij sprak minachtend over bijna alle landen, behalve Andor, en het kostte hem zelfs moeite om dat te loven, ondanks alle moeite die hij zich getroostte. ‘Goede paarden in Andor, heb ik gehoord. Helemaal niet slecht. Niet zo goed als Tyreense, maar goed genoeg. Jullie maken fijn staal, en ijzerwaren, bronsgoed, koperwerk – ik heb er vaak genoeg in gehandeld, hoewel jullie er een flinke prijs voor vragen – maar ja, jullie hebben die mijnen in de Mistbergen. En goudmijnen ook. Wij van Tyr moeten ons goud verdienen.’ Zijn grootste minachting gold Mayene. ‘Die natie is zelfs nog belachelijker dan Morland. Eén stad en een paar roeden land. Ze kunnen alleen onder de olieprijs van onze goeie Tyreense olijven gaan zitten, omdat hun schepen weten waar ze de scholen olievissen kunnen vinden. Ze hebben absoluut niet het recht een natie te worden genoemd.’ Hij haatte Illian. ‘Op een dag plunderen we Illian helemaal kaal, breken elke stad en elk dorp tot de grond toe af en strooien zout over hun smerige grond.’ Mallia’s baardje stond bijna recht overeind van woede over de smerigheid van het Uliaanse land. ‘Zelfs hun olijven zijn walgelijk! Op een dag slepen we de laatste van die Illiaanse zwijnen geketend weg! Zo zegt hoogheer Samon het.’
Mart vroeg zich af wat Tyr met al die mensen aan moest als ze dit plan echt zouden uitvoeren. De Illianers moesten gevoed worden, en ze zouden vast en zeker niet in ketens gaan werken. Hij begreep er niets van, maar Mallia’s ogen glinsterden als hij erover sprak. Alleen dwazen laten zichzelf overheersen door een koning of koningin, door één man of vrouw. ‘Behalve natuurlijk koningin Morgase,’ voegde hij er gauw aan toe. ‘Ze is een goeie vrouw, heb ik gehoord. Mooi ook, heb ik me laten vertellen.’ Al die dwazen die bogen voor een enkele dwaas. De hoogheren bestuurden Tyr gezamenlijk, en namen eendrachtig beslissingen, en zo zouden de dingen gedaan moeten worden. De hoogheren wisten wat goed en waar was. Vooral hoogheer Samon. Je zat goed als je de hoogheren gehoorzaamde. Vooral hoogheer Samon.