De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Een grijsharige man kwam de kade op; de drie strengen henneptouw op de mouwen van zijn jas gaven aan dat hij een havenmeester was. Zijn brede schouders gaven de indruk dat hij ooit begonnen kon zijn als dokwerker die trossen binnenhaalde in plaats van ze te dragen. Hij keek even naar Mart en stond toen stil met een verraste uitdrukking op zijn getaande gezicht.
‘Je bepakking verraadt wat je van plan bent, jongen, maar dat mag je wel vergeten. Een zuster liet me een tekening van je zien. Je gaat in Zuidhaven niet aan boord van een schip, kerel. Ga die trappen weer op, zodat ik geen man hoef op te trommelen om een oogje op je te houden.’
‘Wat in het Licht...?’ mompelde Thom.
‘Dat is allemaal anders geworden,’ zei Mart vastberaden. Het schip wierp het laatste meertouw af; de opgevouwen driehoekige zeilen hingen nog steeds als dikke, zandkleurige bundels om de grote, scheve dwarsmasten, maar de bemanning maakte zich klaar om te roeien. Hij trok het papier van de Amyrlin uit zijn buidel en hield het vlak onder de neus van de havenmeester. ‘Zoals u zelf kunt zien, ben ik hier voor zaken van de Toren, op het gezag van de Amyrlin Zetel zelf. En ik moet met dat schip vertrekken.’
De havenmeester las de woorden, en herlas ze. ‘Zoiets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Waarom zou de Toren zeggen dat je niet kan vertrekken en je dan... dit geven?’
‘Vraag het de Amyrlin, als je het wil weten,’ zei Mart op een vermoeide toon die aangaf dat hij niet kon geloven dat iemand zo ongelooflijk stom kon zijn om dat te doen, ‘maar ze grijpt mij bij de kladden, en jou, als ik niet op dat schip meevaar.’
‘Dat red je nooit,’ zei de havenmeester, maar hij legde al de handen aan zijn mond. ‘Ahoi, Grijze Meeuw! Stoppen! Het Licht brande jullie, stoppen!’
De halfnaakte man aan het roer keek om en zei toen iets tegen zijn maat, een grote man in een donkere jas met pofmouwen. Deze hield zijn ogen op de bemanning gericht, die juist de riemen in het water stak. ‘Allemaal tegelijk: roeien!’ riep hij, en de roeibladen lieten het schuim opspatten.
‘Ik red het wél!’ snauwde Mart. Het eerste schip, zei ik, en dat meende ik! ‘Kom op, Thom!’
Zonder te wachten of om te kijken of de speelman hem wel achterna kwam, rende hij de kade op en ontweek mannen en karren die hoog opgestapeld waren met laadgoed. Het gat tussen het achterdek van de Grijze Meeuw en de kade werd groter toen de riemen dieper gingen. Hij hief zijn vechtstok op en gooide hem als een speer voor zich uit naar het schip, deed nog een stap en sprong toen zo ver als hij kon. Het donkere water dat onder zijn voeten voorbijgleed, zag er ijskoud uit, maar in een hartslag was hij over de reling heen en rolde over het dek. Toen hij overeind krabbelde, hoorde hij achter zich gegrom en een vloek.
Thom Merrilin trok zichzelf met nog een vloek op aan de reling en klom aan dek. ‘Ik ben mijn stok kwijt,’ bromde hij. ‘Ik wil een nieuwe.’ Hij wreef over zijn rechterbeen en tuurde naar de steeds breder wordende watermassa achter het schip en huiverde. ‘Ik heb vandaag al een bad gehad.’ De roerganger staarde met grote ogen van hem naar Mart en terug, en klampte zich vast aan het roer alsof hij zich afvroeg of hij zich daarmee tegen deze waanzinnige lieden kon verdedigen. De grote man naast hem scheen al net zo verbijsterd te zijn. Zijn bleekblauwe ogen puilden uit en even bewogen zijn lippen zonder geluid. Zijn donkere puntbaardje scheen te trillen van woede en zijn smalle gezicht liep purper aan. ‘Bij de Steen!’ brulde hij ten slotte. ‘Wat betekent dit allemaal? Ik heb nog niet genoeg ruimte op dit schip voor een scheepskat, en al had ik die wel, dan zou ik nog geen vagebonden meenemen die op mijn dekken springen. Sanor! Vasa! Smijt dat zootje overboord!’ Twee buitengewoon grote mannen, blootsvoets en met ontbloot bovenlijf, richtten zich op van de grote lussen meertouw en liepen naar het achterschip toe. De mannen aan de riemen gingen gewoon door; met gekromde ruggen tilden ze de bladen op, namen drie grote stappen op het dek, rechtten hun ruggen en liepen terug, en sleurden zo het schip onder hun roeiriemen met zich mee. Mart zwaaide in één hand met het papier van de Amyrlin naar de man met de baard – hij nam aan dat het de schipper was – en viste met de ander een gouden kroon uit zijn buidel. Zelfs in zijn haast zorgde hij ervoor dat de man kon zien dat er méér waren waar die ene vandaan kwam. Hij gooide de zware munt op naar de man en sprak snel, terwijl hij nog steeds met het papier wapperde. ‘Voor het ongemak van de manier waarop we aan boord kwamen, schipper, en meer nog voor de overtocht. Zaken van de Witte Toren. Persoonlijk bevel van de Amyrlin Zetel. Het is van het grootste belang dat we onmiddellijk afvaren. Naar Aringil, in Andor. Hoogste spoed. De zegen van de Witte Toren op allen die ons helpen; de toorn van de Toren voor ieder die ons dwarsboomt.’
Tegen die tijd moest de man het zegel van de Vlam van Tar Valon hebben gezien – en nog wat meer, hoopte Mart. Hij vouwde het papier weer op en liet het verdwijnen. Ongerust bekeek hij de twee mannen die naast de schipper waren opgedoken – Bloedvuur, ze hebben net zulke dikke armen als Perijn! - en wenste dat hij zijn vechtstok bij de hand had. Hij kon hem even verder op het dek zien liggen. Hij probeerde er zelfverzekerd uit te zien, als het soort kerel met wie anderen maar beter geen ruzie konden krijgen, een man met de macht van de Witte Toren achter zich. Heel ver achter me, hoop ik. De schipper keek weifelend naar Mart, maar nog meer naar Thoms speelmansmantel en zijn onvaste benen, maar hij gebaarde Sanor en Vasa te blijven staan, ik zou de Toren niet willen dwarszitten. Bij mijn ziel, de rivierhandel brengt me tegenwoordig van Tyr naar deze plaats, die vergeven is van... Ik kom hier te vaak om iemand dwars te zitten... wie dan ook.’ Op zijn gezicht verscheen een strakke glimlach. ‘Maar ik sprak de waarheid. Bij de Steen, het is waar! Ik heb zes hutten voor reizigers en ze zijn allemaal vol. Jullie kunnen op het dek slapen en met de bemanning eten, voor nog een gouden kroon. Ieder.’
‘Dat is belachelijk!’ stoof Thom op. ‘Ik weet niet wat de oorlog stroomafwaarts heeft aangericht, maar dit is belachelijk!’ De twee grote zeelieden schuifelden met hun blote voeten.
‘Dat is de prijs,’ zei de schipper beslist, ik wil niemand kwaad maken, maar ik heb jullie problemen net zo lief niet aan boord. Net of je je door een man laat betalen zodat die je kan insmeren met hete teer, dat soort zaken. Je betaalt de prijs of je gaat overboord, en dan mag de Amyrlin Zetel zelf je afdrogen. En dit hou ik voor de moeite die jullie me al gegeven hebben, dank je wel.’ Hij stopte de gouden kroon die Mart hem had toegeworpen, in een zakje van zijn dure vest. ‘Hoeveel voor een van de hutten?’ vroeg Mart. ‘Voor onszelf. Je kunt degene die er nu zit, bij een ander stoppen.’ Hij wilde niet buiten in de koude nacht slapen. En als je een knaap als hem niet overdondert, steelt hij je broek en zegt hij dat hij je een gunst verleent. Zijn maag knorde luid. ‘En we eten wat u eet, niet met de bemanning. En veel!’
‘Mart’, zei Thom, ‘ik dacht ik hier degene was die dronken was.’ Hij wendde zich tot de schipper en zwaaide sierlijk met zijn lapjesmantel, zo goed en zo kwaad als dat met de dekenrol en instrumentkistjes ging. ‘Zoals u opgemerkt zult hebben, schipper, ben ik een speelman.’ Zelfs in de open lucht scheen zijn stem plotseling te weergalmen. ‘Voor onze vaarprijs ben ik maar al te graag bereid om uw passagiers en bemanning te onderh...’