De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Weten? Ik weet niets, kerel. Ik vermoed meer dan goed voor me is, maar weten doe ik niets.’
Mart ging niet verder op het onderwerp in. Het heeft geen zin om zijn achterdocht te versterken. Geen zin hem te laten weten dat ik meer weet dan goed voor mij is.
De oudere vrouw – die Thom Mada noemde – kwam terug met drie kippen, knapperig bruin van buiten. Voor ze wegging, wierp ze de witharige man een bezorgde blik toe en Mart een waarschuwende. Mart rukte een bout los en begon al knabbelend te praten. Thom keek fronsend in zijn beker en keurde het gebraad geen blik waardig. ‘Waarom ben je hier in Tar Valon, Thom? Het is de laatste plaats waar ik je zou verwachten, gezien jouw gevoelens voor de Aes Sedai. Ik hoorde dat je geld verdiende in Cairhien.’
‘Cairhien,’ mompelde de oude speelman, en zijn scherpe ogen werden weer dof. ‘De moeite die het kost om een man te doden, zelfs als hij het verdient.’ Hij maakte een zwierig gebaar en er verscheen een mes in zijn hand. Thom had altijd messen op zijn lichaam verborgen. Hij mocht dan dronken zijn, maar hij hield het wapen zonder trillen vast. ‘Dood een man die gedood moet worden, en soms moeten anderen ervoor boeten. De vraag is: was het eigenlijk wel de moeite waard? Er is altijd een soort evenwicht, weet je. Goed en kwaad. Licht en schaduw. We zouden niet menselijk meer zijn als er geen evenwicht was.’
‘Doe dat weg,’ gromde Mart met zijn mond vol. ‘Ik wil niet praten over doden.’ Licht, die man ligt daar nog steeds op straat. Ik mag branden als ik niet allang op een schip had moeten zitten. ‘Ik vroeg alleen maar waarom je in Tar Valon was. Als je Cairhien moest verlaten omdat je iemand gedood hebt, wil ik er niets over horen. Bloed en as, als je je kop niet uit de wijn kan halen om normaal te praten, ga ik er nu vandoor.’
Thom liet het mes met een vuile blik verdwijnen. ‘Waarom ik in Tar Valon ben? Ik ben hier omdat het de rotste plaats is om te zijn, behalve Caemlin misschien. Ik verdien het, kerel. Een paar zusters van de Rode Ajah kennen mij nog wel. Gisteren zag ik Elaida op straat. Als ze wist dat ik hier was, zou ze mijn huid in reepjes los snijden, en daarna zou ze niet meer zo aardig zijn.’
‘Ik heb nooit geweten dat je zo’n medelijden met jezelf had,’ zei Mart met afkeer. ‘Ga je jezelf in wijn verzuipen?’
‘Wat weet jij ervan, kerel?’ snauwde Thom. ‘Zorg ervoor dat je een paar jaartjes ouder wordt, beleef eens wat, heb misschien een vrouw of twee lief, en dan weet je het. Jij wilt weten waarom ik in Tar Valon ben? Waarom ben jij in Tar Valon? Ik weet nog dat je begon te beven toen je erachter kwam dat Moiraine een Aes Sedai was. Je piste zowat in je broek, telkens als iemand de Kracht zelfs maar noemde. Wat doe jij in Tar Valon, met Aes Sedai overal om je heen?’ ik ga weg uit Tar Valon. Dat doe ik hier. Weggaan!’ Marts gezicht vertrok. De speelman had zijn leven gered, en misschien meer. Er was een Schim bij betrokken geweest. Daarom werkte Thoms rechterbeen niet zo goed als zou moeten. Een schip kan niet genoeg wijn bevatten om hem zo dronken te houden, ik ga naar Caemlin, Thom. Als jij je dwaze leven om de een of andere reden wilt riskeren, waarom ga je dan niet met me mee?’
‘Caemlin?’ vroeg Thom beduusd.
‘Caemlin, Thom. Elaida zal daar vroeg of laat wel naar terugkeren, dus dan heb je iets om je zorgen over te maken. En als ik het me goed herinner, zou jij, als Morgase jou in handen krijgt, wensen dat zij Elaida was.’
‘Caemlin. Ja. Caemlin past mijn gemoed als een handschoen.’ De speelman keek even naar het bord met kip en schrok op. ‘Wat heb je gedaan, kerel? Ze in je mouw gestopt?’ Van de drie kippen waren alleen nog maar afgekloven botjes en karkassen over.
‘Soms krijg ik honger,’ mompelde Mart. Het kostte hem moeite om zijn vingers niet af te likken. ‘Ga je met me mee of niet?’
‘O, ik ga mee, kerel.’ Toen Thom overeind kwam, leek hij minder onvast dan daarvoor. ‘Wacht hier – en probeer de tafel niet op te eten – terwijl ik mijn spullen pak en gedag zeg.’ Hij hinkte weg, maar wankelde niet één keer.
Mart dronk wat wijn en plukte een paar flintertjes vlees van wat botjes en beentjes. Hij vroeg zich af of hij nog tijd had om er nog een te bestellen, maar Thom was snel terug. Zijn harp en zijn fluit hingen in hun donkere leren kistjes op zijn rug, samen met een dekenrol. Hij had een gewone wandelstok in de hand, even lang als hijzelf was. De twee dienstmeisjes kwamen naast hem mee. Mart bedacht dat het zusters waren. Twee paar dezelfde grote bruine ogen keken naar de speelman op, met dezelfde uitdrukking. Thom kuste eerst Saai, toen Mada. Hij streek over hun wangen en gebaarde Mart met zijn hoofd dat hij moest volgen. Hij stond al buiten voordat Mart klaar was met het bijeen grissen van zijn eigen spullen en zijn vechtstok.
De jongste van de twee, Saai, hield Mart tegen toen hij bij de deur kwam. ‘Wat je ook tegen hem gezegd hebt, ik vergeef je voor de wijn, zelfs al betekent het dat hij weggaat. Ik heb hem in weken niet meer zo levendig gezien.’ Ze drukte iets in zijn hand en toen hij ernaar keek, werden zijn ogen groot van verwarring. Ze had hem een zilveren Tarvalonse mark gegeven. ‘Voor wat je ook maar gezegd hebt. Bovendien: wie jou ook te eten geeft, heeft niet echt z’n best gedaan, maar je hebt nog steeds mooie ogen.’ Ze lachte om zijn gezichtsuitdrukking. Ondanks zichzelf lachte Mart ook toen hij de straat op stapte en de zilveren munt tussen zijn vingers door liet draaien. Zo, dus ik heb mooie ogen’ Zijn gelach verstierf als de laatste druppel uit een wijnvat: Thom was er, maar het lijk niet. De ramen van de herbergen verderop in de straat wierpen genoeg licht op de kasseien om daar zeker van te zijn. De stadswacht zou nooit een dode man hebben weggesleept zonder in die herbergen rondvraag te doen, dus ook in De Vrouw van Tanchico.
‘Waar staar je naar, kerel?’ vroeg Thom. ‘Geen Trolloks in deze schaduwen.’
‘Rovers,’ mompelde Mart. ‘Ik dacht aan rovers.’
‘Ook geen straatrovers of rabauwen in Tar Valon, kerel. Als de wachten een rover te pakken krijgen – niet dat er hier overigens veel zijn, want een dief weet wat hem te wachten staat – maar als ze het doen, slepen ze hem naar de Toren, en wat de Aes Sedai hem ook aandoen, die kerel verlaat Tar Valon de volgende dag met ogen zo groot als van een ganzenhoedster. Ik heb begrepen dat ze zelfs nog harder optreden tegen vrouwen die op diefstal betrapt zijn. Nee, je geld kan alleen worden gestolen doordat iemand je glanzend koper voor goud verkoopt of dobbelstenen gebruikt waarmee geknoeid is. Er zijn geen straatrovers.’
Mart draaide zich op zijn hielen om en liep Thom voorbij, op weg naar de haven. Zijn vechtstok dreunde op de keien, alsof hij zich nog sneller wilde voortduwen. ‘We nemen het eerste het beste schip dat wegzeilt, wat het ook is. Het eerste het beste schip, Thom.’ Thoms wandelstok klikte haastig achter hem aan. ‘Rustig aan, kerel. Waarom die haast? Er zijn genoeg schepen, en ze zeilen dag en nacht uit. Rustig aan. Er zijn geen straatrovers.’
‘Het eerste het beste rottige schip, Thom! Al is het aan het zinken, wij zitten erop!’ Als er geen rovers zijn, wat waren het dan? Het moeten dieven geweest zijn, wat anders?
32
Het eerste schip
Zuidhaven was een enorm, door de Ogier gebouwd rond bekken dat omgeven werd door hoge muren van dezelfde glanzend witte steen als de rest van Tar Valon. Over de hele lengte liep één grote kade, voor het grootste gedeelte overdekt, behalve waar de brede waterpoorten openstonden en toegang tot de rivier boden. Aan de kade waren schepen van allerlei grootte afgemeerd, de meeste aan de boeg. Ondanks het vroege uur haastten dokwerkers zich met het laden en lossen van zakken en kisten, kratten en tonnen, met behulp van touwen en laadbomen of op hun rug. Aan de dakbalken hingen lampen die de kade verlichtten en een ring van licht op het zwarte water in het midden van de haven wierpen. Kleine open boten schoten kriskras door de duisternis en hun lantaarns op de hoge achtersteven gaven de indruk dat er vuurvliegjes in de haven fladderden. Maar ze waren slechts klein als je ze vergeleek met de schepen rondom hen; sommige hadden wel zes stel riemen. Toen Mart een nog steeds sputterende Thom voorging naar de kade, onder een boog van gepolijste roodsteen door de brede treden afliep, was op nog geen twintig pas afstand de bemanning van een driemaster bezig de meertouwen los te gooien. Het schip was groter dan de meeste andere die Mart kon zien; van de scherpe boeg tot aan de vierkante spiegel mat het tussen de vijftien en twintig stap, en het van relingen voorziene dek was bijna op dezelfde hoogte als de kade. Het belangrijkste was echter dat men bezig was de trossen los te gooien. Het eerste bet beste schip dat uitvaart.