De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
In een oogwenk dook hij opzij in de zwarte schaduw van een hoek die gevormd werd doordat een gebouw iets verder uitstak dan het gebouw ernaast. Op dit moment leek hem dat het beste. Zenuwachtig greep hij zijn vechtstok stevig beet en wachtte af.
Een achtervolger doemde op, toen een tweede, en beiden hadden een mes in de hand en bewogen zich half gebukt sluipend voort. Mart verstrakte. Als ze nog enkele stappen verder kwamen voordat ze zagen dat hij zich schuilhield in de zwarte schaduw van de hoek, kon hij ze verrassen. Hij wou maar dat zijn maag niet meer zo kriebelig voelde. Die messen waren veel korter dan de oefenzwaarden, maar deze waren van staal en niet van hout.
Een van de mannen tuurde naar het eind van de smalle zijstraat en richtte zich opeens met een schreeuw op. ‘Hebben jullie hem niet gezien?’
‘Ik zag alleen maar schaduwen,’ klonk het antwoord met een zwaar accent. ‘Ik kap ermee. Er bewegen zich vannacht vreemde dingen door de straten.’
Op nog geen vier pas van Mart keken de twee mannen elkaar aan, schoven toen hun messen terug in de schede en draafden terug naar waar ze vandaan waren gekomen.
Mart liet zijn adem langzaam ontsnappen. Geluk! Ik mag branden als het me nu ook niet heeft geholpen.
Hij kon de mannen aan het begin van de straat niet meer onderscheiden, maar hij wist dat ze zich nog ergens in een nabije straat moesten ophouden. En de andere kant op waren nog meer mannen. Een van de twee gebouwen waartegen hij zich had weggedrukt, had geen versieringen en het dak leek vrij plat. Een witstenen fries met enorme wijnranken scheidde de twee huizen van elkaar. Hij hield zijn vechtstok aan het ene eind vast, liet de punt op de rand van het dak rusten en wipte de staf omhoog. De stok kwam kletterend neer op de pannen. Hij wachtte niet af of iemand het had gehoord, maar klauterde langs de fries omhoog. Het ging gemakkelijk, de grote bladeren gaven zijn laarzen voldoende houvast. Binnen enkele tellen had hij zijn vechtstok weer vast en holde hij weg over de daken, waarbij hij op zijn geluk rekende om niet mis te stappen. Nog driemaal klom hij en iedere keer kwam hij een verdieping hoger uit. De iets hellende pannendaken liepen op die hoogte een heel eind door en hij voelde een lichte bries. De koude wind bewoog de haartjes in zijn nek en lieten hem bijna denken dat hij achtervolgd werd.
Hou daarmee op, dwaas! Ze zijn nu zeker drie straten verder, op zoek naar iemand anders met een vette beurs. Laat ze doodvallen. Zijn laarzen gleden weg op de dakpannen en hij besloot dat het een goed idee zou zijn om weer op de straat te staan. Hij keek behoedzaam over de rand van het dak naar beneden. Ruim veertig voet lager zag hij een lege straat met drie taveernes en een herberg waaruit licht en muziek de kasseien op stroomde. Maar rechts van hem liep een stenen brug van de hoogste verdieping van zijn gebouw naar een ander aan de overkant.
De brug leek hem akelig smal in die duisternis en het licht van beneden reikte niet zo hoog. Onder de brug bevond zich een diep gat waarvan de bodem uit straatkasseien bestond. Hij gooide toch de vechtstok de brug op en ging er zonder er lang over na te denken zelf achteraan. Zijn laarzen ploften op de brug en hij liet zich rollen zoals hij als jongen had gedaan als hij uit een boom sprong. Tegen een heuphoge leuning kwam hij tot stilstand.
‘Een slechte gewoonte komt altijd ergens van pas,’ zei hij in zichzelf toen hij opstond en zijn stok opraapte.
Het donkere venster aan de andere kant van de brug had stevige luiken. Hij bedacht dat de bewoner van dat huis het niet zou waarderen als er midden in de nacht een vreemdeling verscheen. Hij zag een heleboel stenen beelden, maar elk gaatje waar hij zich aan vast kon houden of een laarspunt in kon zetten, bleef in het nachtelijk duister verborgen. Nou ja, vreemdeling of niet, ik ga naar binnen. Hij wendde zich van de leuning af en zag onmiddellijk die andere man, een man met een dolk in de hand.
Mart greep naar de hand toen de dolk naar zijn keel daalde. Hij kon nog net de pols vastgrijpen en toen haakte zijn vechtstok zich tussen zijn benen, waardoor hij struikelde en achterover tegen de leuning viel, er half overheen, terwijl hij de man over zich heen trok. Terwijl hij daar zo balanceerde met de brugleuning in zijn rug en de ontblote tanden van zijn aanvaller vlak bij zijn gezicht, was hij zich zeer bewust van de diepte onder zijn hoofd, en zeker van het lemmet, dat het zwakke maanlicht weerkaatste en zijn keel zocht. Zijn vingers gleden weg van de pols van de man terwijl zijn andere hand zat vastgeklemd rond de vechtstok tussen hun twee lichamen. Er waren nauwelijks enige tellen voorbijgegaan sinds hij de man had gezien en over enige tellen zou hij sterven met een mes in zijn keel.
‘Tijd om de stenen te gooien,’ zei hij. Hij meende dat de ander door zijn opmerking even in de war was, en dat was alles wat hij nodig had. Hij zwiepte zijn benen omhoog en trok de man met zich mee toen hij in de diepte stortte.
Heel lang leek hij gewichtloos te zijn. De lucht floot langs zijn oren en liet zijn haren wapperen. Hij dacht dat hij de ander hoorde gillen. De val stootte alle lucht uit zijn longen en zilverzwarte vlekjes dansten voor zijn ogen.
Toen hij weer kon ademhalen en kon zien, besefte hij dat hij boven op de man lag die hem had aangevallen. Zijn val was gebroken door het lichaam van de ander. ‘Geluk,’ fluisterde hij. Langzaam kroop hij overeind en vervloekte de pijnlijke plek in zijn ribben waar zijn vechtstok tegen hem aan was geperst.
Hij verwachtte niet anders dan dat de ander dood zou zijn. Er bestonden niet veel mensen die een val van dertig voet op de kasseien zouden overleven met het gewicht van een ander erbij. Wat hij echter niet had verwacht, was dat de dolk van die kerel tot aan het heft in diens hart stak. Dat zo’n ontzettend gewone man had geprobeerd hem te vermoorden. Mart dacht niet dat de man in een menigte zou zijn opgevallen.
‘Pech gehad, kerel,’ zei hij bevend tegen het lijk. Opeens schoot hem het hele gebeuren weer te binnen. De straatrovers in de kronkelende straat. Het geklauter over de daken. Deze vent. De val. Zijn ogen gleden omhoog naar de brug boven hem en een huivering maakte zijn knieën zwak. Ik moet gek geweest zijn. Een avontuurtje is aardig, maar zelfs Rogosh Adelaarsoog zou hier niet om vragen.
Hij besefte dat hij bij een dode met een dolk in de borst stond te wachten tot er iemand zou langskomen, die schreeuwend zou wegrennen om de stadswachten erbij te halen, met de Vlam van Tar Valon op hun borst. Het schrijven van de .Amyrlin zou hem misschien helpen, maar misschien niet voor zij ervan had gehoord. Hij kon nog steeds weer in de Witte Toren belanden, maar de volgende keer zou hij het gebied van de Toren waarschijnlijk niet eens meer af mogen. Hij wist dat hij nu ogenblikkelijk naar de haven moest gaan en op het eerste uitvarende schip moest stappen, zelfs al was het een lekke tobbe vol bedorven vis, maar zijn knieën trilden nog zo dat hij nauwelijks een voet kon verzetten. Hij wilde alleen maar even rustig bijkomen. Heel even, tot hij weer kracht in zijn knieën voelde, en daarna zou hij meteen naar de haven gaan.
De taveernes waren dichterbij, maar hij richtte zijn schreden op de herberg. De gelagkamer van een herberg was vriendelijker en een man kon daar een tijdje zitten zonder zich zorgen te maken of er iemand achter hem aan kwam sluipen. Er scheen genoeg licht door de vensters naar buiten om het uithangbord te kunnen zien. Een vrouw met vlechten die iets vasthield wat hem een olijftak leek, en de naam: De Vrouw van Tanchico.
31
De Vrouw van Tanchico
De gelagkamer van de herberg was helder verlicht. Zo laat op de avond waren de tafels zelfs niet voor een kwart bezet. Een paar dienstmeisjes met witte voorschoten liepen met bekers bier of wijn tussen de mannen en door het lage gemurmel van de gesprekken klonk het getokkel van een harp heen. De gasten – sommigen met een pijp tussen de tanden, een paar die zich over een Steenbord bogen – hadden het voorkomen van schepelingen en kleine kooplui van de lagere huizen. Hun kleren waren goed gesneden, maar zonder het goud of zilver of borduursel van de rijkere lieden. En eindelijk klonk er ditmaal niet het klikken of ratelen van dobbelstenen. Vlammen speelden vrolijk in de grote haarden aan beide kanten van de kamer, maar ook zonder deze vuren had de plek een aangename sfeer.