De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De harpist stond op een tafel en droeg Mara en de drie dwaze koningen voor, waarbij hij zichzelf op zijn harp begeleidde. Zijn instrument, helemaal ingelegd met goud en zilver, zou in een paleis niet misstaan. Mart kende hem. Hij had eens Marts leven gered. De harpist was een magere man die lang geweest zou zijn als hij niet zo kromgebogen was, en als hij zijn voeten op het tafelblad verzette, zag je dat hij met zijn been trok. Zelfs hierbinnen had hij zijn mantel nog om, helemaal bezet met fladderende lapjes in wel honderd kleuren. Hij wilde altijd dat iedereen wist dat hij een speelman was. Zijn grote, brede snor en borstelige wenkbrauwen waren al even sneeuwwit als zijn dikke haardos, en tijdens de voordracht lag er een droevige blik in zijn ogen. Die blik was al even onverwacht als de man zelf. Mart kende Thom Merrilin niet als een droevig man. Hij nam een tafel, zette zijn spullen naast zijn stoel en bestelde twee bekers. De grote bruine ogen van het aardige dienstmeisje twinkelden hem toe.
‘Twee, jonge meester? U ziet er niet uit als een flinke drinker.’ Haar stem klonk plagerig, bijna lachend.
Hij rommelde wat en viste toen twee zilveren penners uit zijn zakken. Eén was genoeg voor de wijn, maar hij gaf haar de andere voor haar ogen. ‘Mijn vriend komt zo bij me zitten.’
Hij wist dat Thom hem gezien had. De oude speelman had zijn verhaal bijna afgebroken toen Mart binnenkwam. Dat was ook iets nieuws. Er waren maar weinig zaken die Thom zo verbaasden dat het te zien was, en voor zover Mart wist, bestond er niets waardoor hij midden in een verhaal zou ophouden, of her moest een Trollok zijn. Toen het meisje hem de wijn en zijn wisselgeld in koperstukken kwam brengen, liet hij de tinnen bekers staan en luisterde naar de afloop van het verhaal.
‘“Het was zoals wij gezegd hadden dat het zou zijn,” zei koning Madel, terwijl hij een vis uit zijn lange baard probeerde te bevrijden.’ Thoms stem galmde alsof hij in een grote zaal stond en niet in een gewone gelagkamer. Het plukken aan de snaren leidde de laatste dwaasheid van de drie koningen in. ‘“Het was zoals wij gezegd hadden dat het zou zijn,” verkondigde Orander. Zijn voeten gleden onder hem vandaan en met een luid gespetter plofte hij in de modder. “Het was zoals wij gezegd hadden dat het zou zijn,” verklaarde Kadar, terwijl hij tot aan zijn ellebogen in de rivier naar zijn kroon zocht. “De vrouw weet niet waarover ze het heeft. Zij is de dwaas!” Madel en Orander stemden er luidkeels mee in. En toen had Mara er genoeg van. “Ik heb ze alle kansen gegeven die ze verdienen, en meer,” mompelde ze in zichzelf. Ze liet Kadars kroon in haar zak bij de andere twee glijden, sprong weer op haar kar, klakte tegen haar merrie en reed zonder omwegen terug naar haar dorp. En toen Mara het hele verhaal aan de dorpelingen had verteld, wilden de mensen van Hoop geen koning meer hebben.’ Nog eens sloeg hij de klanken van de dwaasheid van de koningen aan en liet ze deze keer aanzwellen, zodat het zelfs nog meer op gelach leek. Toen maakte hij een zwierige buiging en viel bijna van de tafel.
De mensen lachten en stampten met hun voeten, hoewel ze het verhaal allemaal al vele keren hadden gehoord, en riepen om meer. Thom viel bijna nog eens toen hij van de tafel klauterde en naar de plek hinkte waar Mart zat; zijn zwabberende loop werd niet alléén veroorzaakt door zijn enigszins stijve been. Terwijl hij zijn harp achteloos op tafel zette, plofte hij achter de tweede beker op de stoel neer. Hij keek Mart uitdrukkingsloos aan. Zijn ogen waren altijd priemend geweest, maar ze leken zich nu met moeite op iets te richten. ‘Gewoon,’ mopperde hij. Zijn stem klonk nog steeds diep, maar hij scheen niet meer te schallen. ‘Het klinkt honderdmaal beter in Lage Zang en duizendmaal beter in Hoge Zang, maar zij willen Gewoon.’ Zonder verder iets te zeggen begroef hij zijn neus in de wijn. Mart kon zich niet herinneren dat hij Thom ooit had zien spelen zonder de harp meteen erna in de hardleren kist te stoppen. Hij had hem nooit eerder dronken gezien. Het was een opluchting de speelman te horen klagen over zijn toehoorders; Thom was altijd van mening dat zijn gehoor in het geheel geen smaak bezat. Er was tenminste nog iets dat hetzelfde was gebleven.
Het dienstmeisje was terug, zonder de twinkeling in haar ogen. ‘O, Thom,’ zei ze zacht, en haalde toen uit naar Mart. ‘Als ik geweten had dat hij de vriend was waar u op wachtte, had ik geen wijn voor hem gebracht, al had u er een zilveren honderdpenner voor gegeven.’ ik wist niet dat hij dronken was,’ protesteerde Mart. Maar ze had haar aandacht weer op Thom gevestigd; haar stem klonk weer overredend. ‘Thom, je hebt wat rust nodig. Als je het toelaat, laten ze je dag en nacht verhalen vertellen.’
Aan Thoms andere zijde verscheen nog een vrouw, die haar schort over haar hoofd uittrok. Ze was ouder dan de eerste, maar zag er even aardig uit. De twee hadden zusters kunnen zijn. ‘Ik heb altijd gedacht dat het een mooi verhaal was, Thom, en je vertelt het prachtig. Kom, ik heb een beddenpan in je bed gestopt en je kunt me alles over het hof van Caemlin vertellen.’
Thom tuurde in de beker alsof hij verbaasd was hem leeg te vinden, blies zijn lange snorpunten opzij en keek van het ene naar het andere meisje. ‘Mooie Mada. Lieve Saai. Heb ik jullie ooit verteld dat ik in mijn hele leven door twee vrouwen ben liefgehad? Dat is meer dan de meeste mannen kunnen zeggen.’
‘Daar heb je ons alles over verteld, Thom,’ zei de oudere vrouw treurig. Het jongere meisje keek Mart nijdig aan, alsof het allemaal zijn schuld was.
‘Twee,’ mompelde Thom. ‘Morgase was temperamentvol, maar ik dacht dat ik daar geen aandacht aan hoefde te schenken, dus op het laatst wilde ze me doden. Dena héb ik gedood. Zo goed als. Niet veel verschil. Kreeg twee kansen, meer dan de meeste, en ik heb ze allebei vergooid.’
‘Ik zorg voor hem,’ zei Mart. Nu keken Saai en Mada hem allebei nijdig aan. Hij gaf hun zijn stralendste glimlach, maar het werkte niet. Zijn maag knorde luidruchtig. ‘Ruik ik geen gebraden kip? Breng me er drie of vier.’ De vrouwen knipperden met hun ogen en wisselden verraste blikken uit toen hij eraan toevoegde: ‘Wil jij ook wat, Thom?’
‘Ik kan nog wel wat van deze fijne Andoraanse wijn gebruiken.’ De speelman hief zijn beker hoopvol op.
‘Voor jou geen wijn meer vannacht, Thom.’ De oudste vrouw zou zijn beker gepakt hebben als hij het had toegelaten.
Bijna gelijktijdig zei de jongste vrouw met een stem waarin zowel beslistheid als een smeekbede doorklonk: ‘Neem nou wat kip, Thom. Het is erg lekker.’
Geen van beiden wilde weggaan voordat Thom beloofd had iets te eten, en toen ze eenmaal vertrokken, waren hun blikken op Mart zo gemengd en snoven ze zo luid dat hij slechts zijn hoofd kon schudden. Bloedvuur, je zou denken dat ik hem zit aan te moedigen om nog meer te drinken! Vrouwen! Maar wat hebben ze allebei mooie ogen. ‘Rhand vertelde me dat je nog leefde,’ zei hij tegen Thom toen Mada en Saai buiten gehoorsafstand waren. ‘Moiraine heeft altijd al gezegd dat ze geloofde dat je nog leefde. Maar ik heb gehoord dat je in Cairhien zat en van plan was om door te gaan naar Tyr.’
‘Dan gaat het nog steeds goed met Rhand?’ Thoms blik werd scherper, tot hij bijna net zo doordringend keek als Mart zich herinnerde. ‘Ik had het eigenlijk niet verwacht, denk ik. Moiraine is nog steeds bij hem, nietwaar? Een mooie vrouw. Een goede vrouw, als ze geen Aes Sedai was geweest. Wie zich afgeeft met dat soort vrouwen, brandt meer dan alleen zijn vingers.’
‘Waarom dacht je dat het met Rhand niet goed zou zijn?’ vroeg Mart omzichtig. ‘Weet je van iets dat hem kwaad kan doen?’