De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Hurin wierp Rhand boven zijn vork een brede grijns toe. ‘Die Cairhienin kruiden hun eten heel vreemd, heer Rhand, maar desondanks smaakt het niet slecht.’
‘Je gaat er niet dood aan, Rhand,’ voegde Loial eraan toe. Rhand nam een aarzelend hapje en zijn adem stokte hem bijna in de keel. Het smaakte net als het rook, zowel zoet als scherp. Het varkensvlees was knapperig vanbuiten en zacht vanbinnen. Hij proefde wel tien verschillende smaken, kruiden die bij elkaar pasten en elkaar bestreden. Zoiets had hij nog nooit eerder gegeten maar het smaakte heerlijk. Hij at z’n bord schoon leeg en toen vrouw Madwen met de dienstmeisjes kwam afruimen, had hij bijna net als Loial om een tweede bord gevraagd. Selene liet de helft staan, maar ze knikte de meisjes kortaf toe dat ze het mee mochten nemen. ‘Het is me een genoegen, vriend Ogier.’ De herbergierster glimlachte. ‘Er is veel voedsel nodig om iemand van uw ras voldaan van tafel te laten gaan. Catrine, schep nog een keer op, en snel een beetje.’ Een van de meisjes schoot weg. Vrouw Madwen richtte haar glimlach op Rhand. ‘Mijn heer. Ik had hier eens een man die hanou speelde, maar hij is getrouwd met een meisje van een boerderij buiten het dorp en ze laat hem nu de ploeg bespelen. Ik zag in het pak van uw dienaar toevallig een kistje met volgens mij een fluit. Vindt u het goed dat uw dienaar ons met wat muziek verpozing schenkt om mijn muzikant te vervangen?’ Hurin keek verlegen.
‘Hij speelt niet,’ legde Rhand uit. ‘Ik wel.’
Haar ogen sperden zich verbaasd open. Blijkbaar speelden hoge heren geen fluit, tenminste niet in Cairhien. ‘Ik trek mijn vraag terug, mijn heer. Moge het Licht getuigen dat ik u niet wilde beledigen, echt niet. Ik zou nooit iemand van uw stand vragen in een gelagkamer te spelen.’
Rhand aarzelde slechts even. Het was lang geleden dat hij op de fluit had gespeeld; hij had meer aandacht besteed aan zijn zwaard en de munten in zijn buidel zouden niet eeuwig meegaan. Als hij die dure kleren eenmaal kwijt was – als hij eindelijk de Hoorn aan Ingtar had overhandigd en de dolk aan Mart – zou hij weer moeten spelen voor zijn maaltijd terwijl hij ergens een veilig plekje zocht ver weg van de Aes Sedai. En ver van mezelf? Er is daarginds bij die kuil écht iets gebeurd. Maar wat?
‘Het geeft niet,’ zei hij. ‘Hurin, wil je me dat kistje eens aangeven? Trek het er maar uit.’ Ze hoefden de speelmanmantel niet te zien. In de donkere ogen van vrouw Madwen blonken toch al genoeg onuitgesproken vragen.
Het gouden en zilveren instrument leek inderdaad op een fluit van een heer, als er tenminste ergens heren leefden die fluit speelden. De in zijn rechterpalm ingebrande reiger gaf geen problemen met de vingerzetting. De zalf van Selene had zo goed geholpen dat hij alleen nog aan de brandwond dacht als hij hem zag. Maar door die gedachte zette hij onbewust op! reiger, op! in.
Hurin zat op het wijsje mee te knikken en Loial sloeg met een dikke vinger de maat op de tafel. Selene keek Rhand aan alsof ze zich afvroeg wat hij was – Ik ben geen heer, vrouwe. Ik ben een schaapherder en ik speel fluit in gelagkamers – maar de soldaten waren opgehouden met praten en hadden zich omgekeerd om te luisteren en de officier had de houten omslag van zijn leesboek gesloten. De strakke blik van Selene maakte Rhand koppig. Vastbesloten vermeed hij elk lied dat in een paleis of een adellijk Huis zou passen. Hij speelde: Een enkele emmer water, Een bruingeel blad in Tweewater, Ouwe Jak op het dak en De pijp van ome Prikkel. Bij het laatste lied begonnen de soldaten met rauwe stemmen mee te zingen al gebruikten ze niet de woorden die Rhand kende.
‘We reden naar de Iralel
om de Tyreners te zien komen.
We stonden aan de oever van de rivier
in het licht van d’opgaande zon.
Hun paarden kleurden zomervelden zwart,
hun vaandels kleurden blauwe hemel zwart.
Maar wij hielden stand op de oever van de Iralel,
Zeker, wij hielden stand.
Ja, wij hielden stand.
Hielden die ochtend stand aan de rivier.’
Rhand had al eerder ontdekt dat een wijsje in verre streken andere woorden kon hebben of een andere titel, soms zelfs in dorpen van hetzelfde land. Hij speelde met ze mee tot ze de woorden lieten wegsterven, elkaar op de schouders beukten en ruwe grappen over elkaars zangkwaliteiten maakten.
Toen Rhand de fluit liet zakken, stond de officier op en maakte een snel gebaar, waardoor het gelach abrupt afbrak. De soldaten schoven hun stoelen achteruit, maakten met een hand op hun borst een buiging voor de officier en voor Rhand en verlieten vervolgens het vertrek zonder op of om te zien.
De officier kwam naar Rhands tafel en boog met de hand op zijn hart. Het kaalgeschoren stuk van zijn hoofd zag eruit of hij het wit had gepoederd. ‘Genade zij uw deel, mijn heer. Ik mag hopen dat ze u met hun rauwe gezang niet hebben gehinderd. Het zijn maar gewone soldaten, maar ik wil u verzekeren dat ze het niet kwaad bedoelen. Ik ben Aldrin Caldewin, mijn heer, kapitein in dienst van Zijne Majesteit, moge het Licht op hem schijnen.’ Zijn ogen gleden langs Rhands zwaard. Rhand had het gevoel dat de reigers Caldewin al bij hun binnenkomst waren opgevallen.
‘Ze hebben me niet beledigd.’ De tongval van de officier deed hem aan Moiraine denken. Deze Caldewin praatte even precies en sprak elk woord ook tot de laatste letter uit. Heeft ze me echt laten gaan? Ik vraag me af of ze me volgt. Of ergens op me wacht. ‘Alstublieft, gaat u zitten, kapitein.’ Van een andere tafel trok Caldewin een stoel bij. ‘Kunt u me vertellen of u de laatste tijd nog vreemdelingen hebt gezien? Een vrouw van adel, klein en slank en een krijgsman met blauwe ogen. Hij is lang en draagt soms zijn zwaard op de rug.’
‘Mij zijn helemaal geen vreemdelingen opgevallen,’ zei de officier terwijl hij stijfjes op de stoel ging zitten. ‘Behalve u en uw vrouwe, mijn heer. Er komen hier weinig mensen van aanzien langs.’ Zijn ogen schoten even met een kleine frons naar Loial. Hurin negeerde hij; dat was enkel een dienaar, ik dacht het zomaar.’
‘In het Licht, mijn heer, ik wil niet onbeleefd schijnen, maar zou ik mogen vragen hoe u heet? Wij krijgen hier zo weinig vreemdelingen dat ik graag kennis met ze wil maken.’
Rhand noemde zijn naam. Hij noemde geen titel, maar de officier leek het niet te merken en net als bij de herbergierster voegde Rhand eraan toe: ‘Uit Tweewater, in Andor.’
‘Een prachtige plek, heb ik gehoord, heer Rhand. Mag ik u zo noemen? Goede mannen, die van Andor. In Cairhien heeft nog nooit iemand van uw leeftijd zo’n zwaard van een zwaardmeester gedragen. Ik heb ooit Andoranen ontmoet, waaronder de kapitein-generaal van de koninginnegarde. Ik ben zijn naam vergeten en ik voel me daarover zeer beschaamd. Weet u die misschien?’
Rhand besefte dat achter hem de dienstmeiden begonnen op te ruimen en schoon te maken. Caldewin leek zomaar wat te babbelen, maar er zat iets onderzoekends in zijn ogen. ‘Garet Brin.’