De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Op een gegeven moment bespeurde hij in de invallende schemering een dorp waar al enkele vensterlichtjes flonkerden. ‘Vanavond slapen we weer in een bed,’ zei hij. ‘Dat doet me plezier, heer Rhand,’ lachte Hurin, en Loial knikte instemmend.
‘Een dorpsherberg,’ snoof Selene. ‘Ongetwijfeld smerig en vol ongewassen mannen die bier zuipen. Waarom kunnen we niet opnieuw onder de sterren slapen? Ik geniet ’s nachts van de sterren.’
‘Je zou er niet van genieten als Fajin ons inhaalt terwijl we slapen,’ zei Rhand, ‘hij en die Trolloks. Hij komt achter me aan, Selene. Ook achter de Hoorn aan, maar mij kan hij vinden. Waarom denk je dat ik de afgelopen nachten zo goed wacht heb gehouden?’
‘Als Fajin ons inhaalt, kun jij met hem afrekenen.’ Haar stem klonk koel en vol vertrouwen. ‘En in dat dorp kunnen ook Duistervrienden zitten.’
‘Maar zelfs als ze weten wie wij zijn, kunnen ze weinig doen met al die andere dorpelingen erbij. Of ga je ervan uit dat iedereen in dat dorp een Duistervriend is?’
‘En als ze ontdekken dat jij de Hoorn bij je hebt? Of jij nu roem wenst of niet, zelfs boeren dromen van de Hoorn.’
‘Ze heeft gelijk, Rhand,’ zei Loial. ‘Ik ben bang dat zelfs boeren hem zouden willen stelen.’
‘Rol je deken eens los, Loial, en gooi die over de kist. Hou hem toegedekt.’ Loial deed het en Rhand knikte. Het was duidelijk te zien dat er onder de gestreepte deken van de Ogier een doos of een kist zat, maar nergens viel aan te zien dat het meer was dan een gewone reiskist. ‘De kledingkist van vrouwe Selene,’ zei Rhand met een grijns en een buiging.
Selene negeerde zijn kwinkslag met een onpeilbare blik. Even later begaven ze zich weer op pad.
Bijna meteen, helemaal links van Rhand, weerspiegelde iets op de grond een straaltje van de ondergaande zon. Iets groots. Iets heel groots, aan het licht te zien dat het verspreidde. Nieuwsgierig stuurde hij zijn paard die kant op. ‘Heer?’ zei Hurin. ‘Het dorp?’
‘Ik wil alleen dat daar even bekijken,’ zei Rhand. Het is helderder dan zonlicht op water. Wat kan het zijn?
Met zijn ogen strak op de spiegeling gericht, voelde hij opeens verbaasd dat Rood bleef staan. Hij stond op het punt zijn vos aan te sporen, toen hij zag dat ze op de rand stonden van een steile klei-helling boven een enorme uitgraving. Het grootste deel van de heuvel was tot op een diepte van ruim honderd pas afgegraven. Er waren zeker enkele heuvels verdwenen en misschien verschillende akkers en weilanden, want het oppervlak van de uitgraving was minstens tien keer zo groot als de diepte. Langs de helling aan de andere kant liep een platgetreden pad. Ver in de diepte bevonden zich ongeveer tien mannen die een vuur oprakelden. Daar was het al bijna nacht. Hier en daar weerkaatste een enkel harnas licht en de mannen droegen een zwaard aan hun zij. Hij keek amper naar de groep.
Onder in de afgraving stak schuin uit de kleibodem een gigantische stenen hand met een kristallen bol die zojuist in het laatste zonlicht fel had geschitterd. Rhand bekeek met open mond de omvang van de bol. Het was een gladde bol – hij was er zeker van dat geen enkel klein krasje het oppervlak ontsierde – van minstens twintig pas doorsnede.
Op enige afstand van de hand was een stenen gezicht blootgelegd dat naar verhouding even groot was. Het gezicht van een man met een baard. Het stak uit de grond met de waardigheid van lange, lange jaren. De brede gelaatstrekken leken wijsheid en kennis te bevatten. Ongewild vormde zich in een oogwenk de leegte, geheel en volledig, en saidin glansde en wenkte. Hij ging zo volkomen op in het gezicht en de hand dat hij niet eens besefte wat er gebeurde. Hij had Baile Domon eens horen vertellen over een reuzenhand met een geweldige kristallen bol en de schipper had beweerd dat die op het eiland Tremalkin uit een heuvel oprees. ‘Dit is gevaarlijk,’ zei Selene. ‘Blijf uit de buurt, Rhand.’
‘Ik denk dat ik hier een weg naar beneden kan vinden,’ zei hij afwezig. Saidin zong hem toe. De enorme bol leek een witte gloed in het licht van de ondergaande zon. Hij meende in de diepten van het kristal licht te zien warrelen en dansen, op de maat van het saidinlied. Hij vroeg zich af waarom de mannen in de diepte het niet leken te merken.
Selene reed naar hem toe en trok aan zijn arm. ‘Alsjeblieft, Rhand, je moet meekomen.’ Hij keek naar haar hand, snapte het niet en liet zijn ogen toen langs haar arm naar haar gezicht glijden. Ze leek echt bezorgd, misschien wel bang. ‘Als deze rand het onder de paarden begeeft, breken we door de val allemaal onze nek. Bovendien zijn die mannen daar. Het zijn wachters en niemand zet een schildwacht bij iets wat elke voorbijganger mag bekijken. Wat heeft het voor zin Fajin te ontlopen als enkele krijgslieden van een heer je gevangennemen? Kom mee.’
Opeens – een zwevende, verre gedachte – besefte hij dat hij door de leegte werd omhuld. Saidin zong en de bol trilde van leven – zelfs zonder te kijken, kon hij het voelen. Hij bedacht opeens dat als hij het saidinlied mee zou zingen, dit geweldige stenen gezicht de mond zou openen en zou meezingen. Samen met hem en saidin. Verenigd.
‘Alsjeblieft, Rhand,’ zei Selene. ‘Ik ga met je mee het dorp in. Ik zal het niet meer over de Hoorn hebben. Maar kom nu mee.’
Hij liet de leegte los... maar die verdween niet. Saidin neuriede en het licht in het kristal klopte als een hart. Als zijn hart. Loial, Hurin en Selene staarden hem allemaal aan, maar ze leken blind en doof voor die glorieuze gloed in de bol. Hij probeerde de leegte weg te duwen, maar die bleef hard als graniet. Hij dreef in een steenharde leegte. Het lied van saidin en het lied van de bol, hij kon ze in zijn botten voelen trillen. Grimmig weigerde hij toe te geven, reikte diep in zichzelf... Ik zal niet...
‘Rhand.’ Hij wist niet van wie die stem was.
... reikte naar de kern van wie hij was, de kern van wat hij was...
... zal niet...
‘Rhand.’ Het lied vervulde hem, vervulde de leegte.
... raakte steen, heet van een genadeloze zon, koud van een onbarmhartige nacht... ... niet...
Licht vulde hem, verblindde hem.
‘Tot de schaduw heen is,’ mompelde hij, ‘tot het water weg is...’
De Kracht vervulde hem. Hij was één met het kristal.
‘... de Schaduw in, met ontblote tanden...’
De kracht kwam van hem. De Kracht was de zijne.
‘... tartend tot de laatste ademtocht, spuwend in het oog van Zichtzieder...’
Kracht om de wereld te breken.
‘... de Laatste Dag!’ Het kwam eruit als een schreeuw en de leegte was verdwenen. Rood schrok van zijn kreet. Klei brokkelde af onder de hoeven van de hengst en viel omlaag in de kuil. De grote vos zakte door zijn knieën. Rhand boog zich naar voren, trok de teugels aan en leidde Rood weg van de rand naar een veilige plek. Ze zaten hem allemaal aan te staren, zag hij. Selene, Loial, Hurin, allemaal. ‘Wat is er gebeurd?’ De leegte... Hij raakte zijn voorhoofd aan. De leegte was niet verdwenen toen hij haar had losgelaten, de gloed van saidin was sterker geworden en... Verder kon hij zich niets herinneren. Saidin. Hij voelde zich koud. ‘Heb ik... heb ik iets gedaan?’ Ingespannen nadenkend probeerde hij het zich te herinneren. ‘Heb ik iets gezegd?’
‘Je zat daar zo stijf als een standbeeld,’ zei Loial, ‘en je zat in jezelf te mompelen, wat we ook zeiden. Ik kon jouw woorden niet verstaan, alleen het laatste. Je riep zo hard “dag” dat je de doden had kunnen wekken en je dreef je paard bijna over de rand. Ben je ziek? Je doet met de dag vreemder.’