De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Veel later, hoeveel wist hij absoluut niet, bevond hij zich in een herberg vol tobaksrook, Het Tremalkse Oorlam, meende hij. Hij zat strak naar vijf stenen te staren, elk met een diep ingekerfde kroon. De meeste klanten leken alleen maar belangstelling te hebben voor de drank, maar het gekletter van de dobbelstenen en de kreten van spelers in een andere hoek werden bijna overstemd door een vrouw die een snel wijsje zong begeleid door een hamerhakkebord.
Ik dans met een meisje met ogen diepbruin, of een meisje met ogen grasgroen, een meisje met ogen in kleuren van al, maar de jouwe zijn de mooiste in mijn ogen! Ik kus ook een meisje met haren diepzwart, of een meisje met haren geelgoud, een meisje met haren in kleuren van al, maar jij bent het die ik wil kussen!
De zangeres had als titel Wat hij tegen me zei genoemd. Mart herinnerde zich het liedje als Wil je met me dansen, en ook met andere woorden, maar op dit moment kon hij alleen maar aan die stenen denken.
‘Wéér koning,’ mopperde een man die naast Mart gehurkt zat. Het was de vijfde keer achter elkaar dat Mart koning had gegooid. Hij had de ingezette goudmark gewonnen en hij gaf er inmiddels niets om dat zijn Andoraanse mark kostbaarder was dan de Illiaanse munt. Hij veegde de stenen in de leren beker, schudde ze heftig en liet ze weer over de vloer rollen. Vijf kronen. Licht, het kan niet waar zijn. Niemand heeft ooit zes keer achter elkaar koning gegooid. Niemand. ‘Het geluk van de Duistere zelf,’ gromde een andere man. Het was een stevige kerel, die zijn haar met een zwart lint in de nek bijeengebonden had. Hij had zware schouders, littekens op zijn gezicht en een neus die meer dan eens was gebroken.
Mart besefte nauwelijks dat hij opvloog, de kerel bij de kraag greep, hem omhoog sjorde en met de rug tegen de muur drukte. ‘Waag het niet!’ snauwde hij. ‘Waag het niet dat ooit nog te zeggen!’ De man knipperde verbijsterd met de ogen; hij was een heel hoofd groter dan Mart. ‘Gewoon een gezegde,’ mompelde iemand achter hem. ‘Licht, het is gewoon maar een gezegde.’
Mart liet de jas van de man los en deed een stap terug. ‘Ik... ik... vind het niet prettig als mensen zulke dingen over me zeggen. Ik ben geen Duistervriend!’ Bloedvuur, niet het geluk van de Duistere. Dat niet! O Licht, heeft die rottige dolk mij echt iets aangedaan? ‘Niemand zei dat je dat was,’ bromde de man met de gebroken neus. Hij scheen over zijn verrassing heen te zijn en te bedenken of hij boos zou worden of niet.
Mart raapte zijn spullen van de vloer, liep de herberg uit en liet de munten liggen. Niet dat hij bang voor de grote man was. Hij was hem al vergeten, en de munten ook. Hij wilde alleen maar buiten zijn, in de frisse lucht, en nadenken.
Op straat aangekomen, leunde hij tegen de muur van de herberg, niet ver van de deur, en ademde de koele nachtlucht in. De donkere straten van Zuidhaven waren nu bijna verlaten. Hij hoorde nog steeds flarden muziek en gelach uit de herbergen, maar slechts weinig mensen trokken nog in de nacht rond. Hij zette de vechtstok met beide handen vóór zich neer, liet zijn hoofd op zijn handen rusten en probeerde het raadsel van alle kanten te bekijken.
Hij wist dat hij een geluksvogel was. Hij kon zich herinneren dat hij dat altijd was geweest. Maar op de een of andere manier herinnerde hij zich van Emondsveld niet dat hij daar ooit zoveel geluk had gehad als na zijn vertrek. Zeker, hij had een hoop kunnen uithalen, maar hij herinnerde zich ook de keren dat hij na zijn schelmenstreken was gepakt, terwijl hij zeker wist dat hij niet gesnapt zou worden. Zijn moeder leek altijd te weten wat hij in zijn schild voerde, en Nynaeve keek altijd dwars door zijn uitvluchten heen. Maar het was niet zo dat hij meteen na zijn vertrek uit Tweewater zo fortuinlijk was geworden. Het geluk was gekomen nadat hij de dolk uit Shadar Logoth had meegenomen. Hij herinnerde zich dat hij thuis eens had gedobbeld met een magere kerel met scherpe ogen, die voor een tobakskoopman uit Baerlon werkte. En hij herinnerde zich ook het pak slaag dat zijn vader hem gegeven had toen deze erachter kwam dat Man de man een zilvermark en vier penners schuldig was.
‘Maar ik ben bevrijd van die bloedige dolk,’ mompelde hij. ‘Die vervloekte Aes Sedai zeiden dat ik ervan bevrijd was.’ Hij vroeg zich af hoeveel hij deze nacht gewonnen had.
Toen hij in zijn zakken groef, zaten ze vol losse munten, kronen en marken, zowel zilveren als gouden, die glinsterden in het licht uit de herbergen. Hij had er nu blijkbaar twéé beurzen bij en allebei puilden ze uit. Hij maakte de koordjes los en zag nog meer goud. En nóg meer in de beurs aan zijn riem, tussen en in zijn dobbelbekers geperst. Elaynes brief en het papier van de Amyrlin Zetel waren zelfs verkreukeld. Hij herinnerde zich dat hij zilveren penners naar dienstmeisjes had toegegooid, omdat ze zo aardig glimlachten of mooie enkels hadden, en omdat zilveren penners niet de moeite waard waren. Niet de moeite waard? Misschien was dat wel zo. Licht, ik ben rijk! Ik ben stinkend rijk! Misschien kwam dat door wat de Aes Sedai hadden gedaan. Iets toen ze me heelden. Misschien per ongeluk. Dat kon het zijn. Beter dan die andere mogelijkheid. Die rottige Aes Sedai moeten het me aangedaan hebben.
Een forse man kwam de herberg uit en de deur zwaaide al dicht voor het licht op zijn gezicht had kunnen vallen.
Mart drukte zich stijf tegen de muur, propte de beurzen in zijn jas en verstevigde zijn greep op de vechtstok. Waar zijn geluk vanavond dan ook vandaan gekomen mocht zijn, hij had geen zin om al dat goud aan een straatrover te verliezen.
De man draaide zich naar hem toe, keek hem strak aan en schrok toen op. ‘K-kille nacht,’ zei hij lallend, naderbij komend. Mart zag dat zijn omvang meer door vet werd veroorzaakt, ik moet... ik moet...’ De dikke man struikelde de straat op en praatte onsamenhangend in zichzelf.
‘Dwaas!’ mompelde Mart, maar hij wist niet zeker of het hemzelf of de dikke man betrof. ‘Tijd om een schip te zoeken dat me hiervandaan brengt.’ Hij keek met samengeknepen ogen naar de zwarte lucht en probeerde te schatten hoe lang het zou duren voor het ochtend was. Twee, misschien drie uur, dacht hij. De hoogste tijd. Zijn maag rommelde; hij herinnerde zich vaag dat hij in een paar herbergen gegeten had, maar hij wist niet meer wat. De gokkoorts had zijn keel dichtgesnoerd. Zijn hand verdween in de tas en vond slechts broodkruimels. ‘Meer dan de hoogste tijd. Anders loop ik de kans dat er een Aes Sedai langskomt, mij met twee vingers oppakt en in haar beurs stopt.’ Hij duwde zich van de muur weg en begon naar de haven te lopen. Aanvankelijk dacht hij dat de zwakke geluiden achter hem de weerkaatsingen waren van zijn eigen laarzen op de kasseien. Toen drong het tot hem door dat iemand hem volgde. Iemand die dat stiekem probeerde te doen. Nou, dat zijn zéker straatrovers. Hij hief zijn vechtstok en overdacht even of hij zich zou omdraaien en hen uitdagen. Maar het was donker, op deze kasseien stond je niet echt stevig en hij had geen idee met hoeveel ze waren. Dat ik Gawein en Galad goed heb bevochten, houdt niet in dat ik zo’n bloedheld uit een verhaal ben.
Hij sloeg een hoek om, een smallere bochtige zijstraat in en probeerde op zijn tenen zo snel mogelijk lopend weg te komen. Ieder venster hier was donker en de meeste hadden luiken. Hij was de zijstraat bijna uit toen hij voor zich beweging zag. Twee mannen gluurden om de hoek van een steegje de straat in. Achter zich hoorde hij trage voetstappen, het zachte schrapen van laarzen op stenen.