Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 84 85 86 87 88 89 90 91 92 ... 178
Перейти на страницу:

30

De eerste worp

Na het vertrek van Nynaeve en de anderen bleef Mart bijna de hele dag in zijn kamer, op een enkel kort uitstapje na. Hij maakte plannen. En hij at. Hij at bijna alles op wat de dienstmeisjes brachten, en vroeg om meer. Ze waren maar al te blij hem ter wille te zijn. Hij vroeg om brood en kaas en fruit, verstopte rimpelige winterappels en peren, stukken kaas en brood in zijn kleerkast en liet de lege borden weer meenemen. In de middag moest hij het bezoek van een Aes Sedai verdragen; hij dacht dat ze Anaiya heette. Ze legde haar handen op zijn hoofd en joeg koude rillingen door hem heen. Het was de Ene Kracht, besloot hij, het kwam niet doordat een Aes Sedai hem aanraakte. Ze was een gewone vrouw, ondanks haar gladde wangen en de plechtige ernst van een Aes Sedai.

‘Je lijkt me veel beter,’ zei ze glimlachend. Haar glimlach deed hem denken aan zijn moeder. ‘Zelfs hongeriger dan ik verwachtte, hoor ik, maar veel beter. Ze hebben me verteld dat je de provisiekamers probeert leeg te eten. Je mag er zeker van zijn dat je al het voedsel krijgt dat je nodig hebt. Je hoeft niet bang te zijn dat we je een maaltijd onthouden voordat je helemaal beter bent.’

Hij gebruikte de grijns die hij bij zijn moeder toepaste, vooral als hij haar iets wilde laten geloven. ‘Dat weet ik. En ik voel me inderdaad beter. Ik dacht dat ik vanmiddag de stad maar eens moest bekijken. Als u geen bezwaren hebt, natuurlijk. Misschien vanavond een herberg opzoeken. Er is niets zo goed als een praatje in de kroeg om je beter te voelen.’

Hij dacht dat haar lippen krulden op het randje van een bredere glimlach. ‘Niemand zal proberen je tegen te houden, Mart. Maar probeer de stad niet te verlaten. Het zal de wachten maar storen en je niets anders opleveren dan dat je onder geleide naar de Toren wordt teruggebracht.’

‘Dat zal ik zeker niet doen, Aes Sedai. De Amyrlin Zetel zei dat ik binnen enkele dagen zou verhongeren als ik zou vertrekken.’ Ze knikte alsof ze geen woord geloofde van wat hij zei. ‘Natuurlijk.’ Toen ze zich omkeerde, zag ze de vechtstok die hij van het oefenveld had meegenomen. ‘Je hoeft jezelf niet tegen ons te beschermen, Mart. Hier ben je even veilig als waar dan ook. Waarschijnlijk veiliger.’

‘Dat weet ik, Aes Sedai.’ Na haar vertrek staarde hij nadenkend naar de deur en vroeg zich af of het hem was gelukt haar te overtuigen. Het was al meer avond dan middag toen hij zijn kamer verliet en naar hij hoopte voor de laatste keer. De lucht kleurde purper en de ondergaande zon beschilderde de wolken in het westen met rode tinten. Hij trok zijn mantel aan, hing de grote leren tas die hij bij een eerdere speurtocht had gevonden en die nu uitpuilde van de gespaarde etenswaren, over zijn schouder en keek in de spiegel. Eén blik vertelde hem dat zijn bedoeling er duimendik bovenop lag. Hij bond de andere kleren in een dekenrol en gooide die ook over zijn schouder. De vechtstok diende als wandelstok. Hij Het niets achter. In de zakken van zijn wambuis zaten al zijn kleinere bezittingen en in zijn beurs had hij het belangrijkste: het papier van de Amyrlin Zetel, Elaynes brief en zijn dobbelstenen.

Toen hij in de Toren zijn weg naar buiten zocht, kwam hij Aes Sedai tegen. Sommigen merkten hem op en hoewel de meesten van hen een wenkbrauw optrokken, sprak niemand hem aan. Anaiya was er een van. Ze keek geamuseerd, glimlachte en schudde droevig het hoofd. Hij haalde zijn schouders voor haar op met de meest schuldbewuste glimlach die hij kon opbrengen en ze liep zwijgend en hoofdschuddend door. De wachten bij de Torenpoorten wierpen hem alleen een blik toe. Pas toen hij het grote plein was overgestoken en in de straten van de stad kon wegduiken, voelde hij eindelijk opluchting door zich heen stromen. En triomf. Als je niet kunt verbergen wat je gaat doen, doe het dan zo dat iedereen denkt dat je een dwaas bent. Dan wachten ze af hoe je op je gezicht valt. Die Aes Sedai zullen op de wachters rekenen om me terug te brengen. Als ik morgenochtend nog niet terug ben, gaan ze zoeken. In het begin niet al te gehaast, omdat ze denken dat ik me ergens in de stad verstopt heb. Tegen de tijd dat ze beseffen dat dat niet zo is, zal dit konijn ver voorliggen op de honden en een flink eind de rivier af zijn.

Zo opgewekt als hij zich in jaren niet meer gevoeld had, begon hij We zijn de grens weer over te neuriën, en begaf zich naar de haven waar de schepen afzeilden naar Tyr en daarbij vele dorpen aan de Erinin aandeden. Hij zou natuurlijk niet zo ver gaan. Voor het laatste stuk van de reis naar Caemlin zou hij halverwege, in Aringil, aan land gaan. Ik zal jouw bloedbrief afleveren. Dat lef van baar! Denken dat ik alleen maar zeg dat ik bet doe. Ik ga dat rottige ding afleveren, al kost het me m’n leven.

De avondschemer viel over Tar Valon, maar er was nog steeds genoeg licht om de luister te laten uitkomen van de fantastische gebouwen en de vreemde torens, onderling verbonden door hoge bruggen, die een diepte van ruim honderd pas overspanden. Mensen in zoveel verschillende kledingstijlen bevolkten de straten, dat hij dacht dat elk land vertegenwoordigd moest zijn. Langs de hoofdstraten gebruikten lamplichters hun ladders om de lantaarns op de hoge palen aan te steken. Maar in het deel van Tar Valon dat hij zocht, straalde het enige licht uit de vensters.

De Ogier hadden de grote gebouwen en torens van Tar Valon gebouwd, maar andere, nieuwere wijken waren door mensenhanden opgetrokken. In sommige gevallen betekende ‘nieuwere’ tweeduizend jaar oud. Bij de Zuidhaven hadden mensenhanden getracht om de solide Ogier-bouwstijl te evenaren of gewoon na te maken. Herbergen, waar zeelieden hun drankgelagen hielden, hadden evenveel siersteen als een paleis. Levensmiddelenwinkels en koopmanshuizen waren versierd met standbeelden in nissen en op dakkoepeltjes, met weelderig bewerkte kroonlijsten en bewerkelijk gesneden friezen. Ook hier verbonden bruggen huizen aan de straat, maar die had kasseien, geen grote plavuizen. Veel bruggen waren van hout en niet van steen, en verbonden de eerste, hoogstens de derde verdieping van huizen. De donkere straten bruisten van evenveel leven als de andere straten van Tar Valon. Kooplieden van schepen, handelaren die de scheepsvracht opkochten, reizigers over de Erinin, werkers op het water, zij allen vulden de herbergen en gelagkamers, evenals de lieden die op een eerlijke of duistere wijze op hun geld aasden. Rauwe muziek van hanou’s en fluiten, harpen en hamerhakkeborden weergalmde in de straten. In de eerste herberg die Mart betrad, waren drie dobbelspelen gaande. Bij de muur zaten mannen in kringen neergehurkt die elkaar hun winsten of verliezen toe schreeuwden.

Hij had niet meer dan een uurtje willen spelen voor hij een schip ging zoeken. Net lang genoeg om een paar munten aan zijn beurs toe te voegen. Maar hij won. Hij was al heel lang gewend meer te winnen dan te verliezen en er waren spelletjes met Hurin geweest of in Shienar waarin hij wel zes of acht winnende worpen achter elkaar gooide. Vanavond won elke worp.

Hij zag de blikken van zijn medespelers en was blij dat hij zijn eigen stenen in zijn buidel had gelaten. Door al die blikken besloot hij om naar elders te vertrekken. Tot zijn verrassing zag hij bijna dertig zilvermarken in zijn buidel zitten; hij had ze niet van één man gewonnen, maar van de hele groep, die hem dan ook met genoegen zag vertrekken.

Op één na. Een donkere zeeman met krulhaar – van het Zeevolk volgens iemand, al vroeg Mart zich af wat een zeeman van de Atha’an Miere hier zo ver van de zee deed – volgde hem de donkere straat op en maakte ruzie, omdat hij de kans wilde krijgen zijn verliezen goed te maken. Mart wilde naar de kaden – dertig zilvermarken was genoeg – maar de zeeman bleef aandringen, en hij had slechts de helft van zijn uur gebruikt, dus gaf hij toe en samen stapten ze de volgende herberg in.

Hij won weer; het leek wel alsof een koorts hem in de greep had. Hij won elke worp. Hij trok van taveerne tot herberg tot kroeg, maar bleef nooit lang genoeg om iemand met zijn winst kwaad te maken. En voortdurend won hij elke worp. Hij zette bij een wisselaar zijn zilver om in goud. Hij speelde kroon, en vijfjes en meisjesleed. Hij speelde met vijf stenen, met vier, drie en zelfs met slechts twee. Hij deed mee aan spelletjes die hij niet eens kende voor hij neerhurkte of aan tafel ging zitten. En hij won. Ergens in de nacht wankelde de donkere zeeman – hij had gezegd dat hij Raab heette – uitgeput maar met een volle beurs weg; hij had besloten op Mart te wedden. Mart bezocht weer een geldwisselaar, of misschien wel twee. De koorts leek zijn gedachten net zo te benevelen als zijn herinneringen aan het verleden. Hij trok weer naar een volgend spel. En bleef winnen.

1 ... 84 85 86 87 88 89 90 91 92 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)