Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Om een of andere reden gleden zijn ogen terug naar de vrouw met het scherpe gezicht. Ze was knap, zij het op een vosachtige manier. Hij schatte haar van Nynaeves leeftijd. Zoiets was moeilijk op deze afstand te zeggen, maar hij kon vrouwen even goed beoordelen als paarden, al konden vrouwen je uiteraard veel meer voor gek zetten dan een paard. Slank. Waarom deed ze hem aan stro denken? Wat hij onder die gepluimde hoed aan haren kon zien, was donker. Nou ja, het deed er niet toe.
Birgitte en Aviendha konden het wel af zonder dat hij ze in het oog moest houden, en hij zou dat anders ook van Elayne en Nynaeve gezegd hebben, al waren zij nog zulke eigenwijze, achterbakse doordouwers. Maar dat ze al die tijd stiekem waren weggeglipt, maakte wel iets duidelijk. Eigenwijsheid, dat was de sleutel. Zij waren het soort vrouwen dat een man stijf schold over bemoeizucht, hem dan wegjoeg, en hem vervolgens de les las omdat hij in een noodgeval niet beschikbaar was. Niet dat ze ooit zouden toegeven dat ze hem nodig hadden, zelfs dan niet, zeker niet die twee. Je was een bemoeial als je een helpende hand toestak en een onbetrouwbaar misbaksel als je dat niet deed.
Opnieuw viel de vrouw met het vossengezicht aan de overkant hem op. Geen stro, een stal. Wat hem niet veel wijzer maakte. Hij had heel wat pretjes in stallen beleefd met jonge meisjes en ook met minder jonge, maar deze droeg een blauwzijden gewaad dat beschaafd van lijn was, met een hals tot onder haar kin, afgezet met sneeuwwitte kant, terwijl nog meer kant over haar handen wolkte. Een vrouwe, en hij vermeed edelvrouwes als de dood. Ze plukten aan je alsof je een harp was, en verwachtten dat een man bij het minste of geringste aan kwam draven. Nou, Mart Cauton mooi niet. Vreemd genoeg wuifde ze zichzelf koelte toe met een waaier van witte pluimen. Waar was haar meid? Een dolk. Waarom deed ze hem aan een dolk denken? En... vuur? Nou ja, iets wat brandde.
Hij schudde zijn hoofd en probeerde zijn aandacht te richten op wat belangrijk was. De herinneringen aan andere lieden, aan veldslagen, koningshoven en landen die eeuwen geleden verdwenen waren, vulden de gaten in zijn geheugen, de plaatsen waar zijn eigen herinneringen ineens heel wazig of geheel afwezig waren. Hij kon zich bijvoorbeeld heel helder voor de geest halen hoe hij met Moiraine en Lan uit Emondsveld was gevlucht, maar van daarna, tot aan Caemlin, wist hij bijna niets meer. Daarvoor en ook daarna waren er gaten. Als hij hele stukken van zijn kindertijd niet meer kon terughalen, waarom verwachtte hij dan zich elke vrouw te herinneren die hij ooit had ontmoet? Misschien deed zij hem wel denken aan een vrouw die al zo’n duizend jaar dood was; het Licht mocht weten dat dat vaak genoeg gebeurd was. Zelfs Birgitte knaagde soms aan zijn herinneringen. Nou ja, er waren hier in Ebo Dar vier vrouwen die voortdurend door zijn gedachten spookten. Alleen zij waren belangrijk.
Nynaeve en de anderen meden hem alsof hij vlooien had. Vijf keer was hij bij het paleis geweest, en de enige keer dat ze hem hadden ontvangen, zeiden ze alleen dat ze het te druk voor hem hadden, waarna ze hem wegstuurden als een boodschappenjongen. Het kwam allemaal neer op één ding. Ze dachten dat hij zich met hun plannen zou bemoeien, en dat zou hij alleen doen wanneer ze zichzelf in gevaar brachten. Het waren beslist geen dwazen. Soms stommelingen, maar geen dwazen. Als zij gevaar zagen, was er ook gevaar. Er waren plekken in deze stad waar je een mes in je ribben kon krijgen, omdat je een vreemdeling was of een muntstuk liet zien, en zelfs met geleiden hielden ze geen mes tegen als ze het niet bijtijds zagen. Hij zat mooi vast. Hij, Nalesean, een tiental goede mannen van de Bond, om nog maar te zwijgen van Thom en Juilin, die, Licht-nog-aan-toe, kamers hadden in de bediendenvleugel van het paleis. Met z’n allen zaten ze duimen te draaien. Die domme wichten zouden nog eens overhoop worden gestoken. ‘Over mijn lijk,’ gromde hij.
‘Wat?’ vroeg Nalesean. ‘Kijk, ze stellen zich op, Mart. Licht en drakenvuur, ik hoop dat je gelijk hebt. Die bonte lijkt me helemaal niet doorgedraaid; hij staat gewoon op springen.’
De paarden dansten rond en namen hun plaatsen in tussen hoge palen die in de grond waren gestoken. Bovenaan wapperden wimpels in de warme bries: blauw, groen, elke kleur, sommige zelfs gestreept. Vijfhonderd pas verderop stond een tweede rij van soortgelijke palen met wimpels. Elke ruiter moest rond de paal met de wimpel van zijn kleur, die rechts van hem aan de beginlijn wapperde, en dan weer terug. Aan weerszijden van de rij paarden, vlak achter de lijn, stonden twee wedboekers: een welgedane vrouw en een nog dikkere kerel. Ze hielden een witte doek boven het hoofd. De wedboekers vlagden om de beurt een ren en mochten dan geen weddenschappen aannemen.
‘Bloedvuur,’ bromde Nalesean.
‘Licht, man, bedaar. Je zal je naaistertje heus wel onder de kin kunnen kietelen.’ Zijn laatste woord werd overstemd door losbarstend gebrul toen de doeken omlaag kwamen en de paarden naar voren schoten. Zelfs het geroffel van de hoeven verdronk in het lawaai van de menigte. Binnen tien lengten had Wind de leiding genomen. Olver lag dicht tegen de nek aan, maar de grijze met de zilveren manen bleef slechts een hoofdlengte achter. De bonte bleef hangen in de groep, waar de zwepen van de ruiters al heftig op- en neergingen.
‘Ik zei je dat die grijze gevaarlijk was,’ kreunde Nalesean. ‘We hadden niet alles in moeten zetten.’
Mart gaf niet eens antwoord. Hij had nog een beurs in zijn zak, en nog wat losse munten ook. Die beurs noemde hij zijn zaaigoed. Al zaten er nog zo weinig munten in, met een dobbelspel kon hij er zijn fortuin mee aanvullen, wat er vanochtend ook gebeurde. Halverwege de koers had Wind nog steeds de leiding. De grijze bleef dicht bij hem, een volle lengte voor het volgende paard. De bonte rende op de vijfde plaats. Na het keerpunt kwam het gevaar: het was bekend dat de jongens op achterliggende dieren de berijders sloegen die de paal al hadden gerond.
Marts ogen volgden de paarden, gleden weer over de vrouw met het spitse gezicht... en schoten met een ruk terug. Het geschreeuw en gegil van de menigte waren vergeten. De vrouw wuifde met haar waaier naar de paarden en sprong opgewonden op en neer, maar opeens zag hij haar in een bleekgroen gewaad onder een donkergrijze mantel, haar haren gevangen in een schuimend net van kant, en haar rok kieskeurig opgetrokken terwijl ze zich een weg zocht door een stal, niet ver van Caemlin.
Rhand lag nog steeds kreunend in het stro, zelfs nu de koorts geweken leek; hij gilde tenminste niet meer naar mensen die er niet waren. Achterdochtig bekeek Mart de vrouw die naast Rhand knielde. Misschien kon ze helpen, zoals ze beweerde, maar Mart had niet meer het vertrouwen van vroeger. Wat deed een hoge vrouwe als zij in een dorpsstal? Hij streelde de robijnknop van de dolk die onder zijn jas verborgen zat en vroeg zich af waarom hij ooit zo goed van vertrouwen was geweest. Je werd er nooit beter van. Nooit. ‘.... zo slap als een eendagskuiken,’ zei ze, en ze reikte onder haar mantel. ‘Ik denk...’
In haar hand verscheen bliksemsnel een mes; ze haalde uit naar Marts keel, en hij zou gestorven zijn als hij niet voorbereid was geweest. Hij liet zich plat voorover vallen, greep haar pols en duwde die weg. Het kromme Shadar Logoth-lemmet zwiepte tiaar voren en gleed tegen haar slanke, witte hals. De vrouw bevroor en trachtte omlaag te kijken, naar de scherpe rand die op haar huid drukte. Hij wilde snijden. Vooral toen hij zag waar haar eigen dolk in de houten wand stak. Rond het smalle lemmet groeide een verkoolde kring en dunne, grijze rookpluimpjes rezen op van het hout dat op het punt stond in vlammen op te gaan.
Mart huiverde en streek met een hand langs zijn ogen. Louter het dragen van die dolk uit Schaduwwaak had hem bijna gedood, het had die gaten in zijn geheugen gevreten, maar hoe kon hij een vrouw vergeten die geprobeerd had hem te doden? Een Duistervriend – ze had het min of meer toegegeven – die geprobeerd had hem te doden. Nadat ze haar in de tuigkamer hadden opgesloten en haar dolk in een emmer hadden gegooid, was het water gaan koken. Een Duistervriend die hem en Rhand achtervolgd had. Was het toeval dat zij in Ebo Dar was terwijl hij hier op de renbaan was, op dezelfde dag? Het antwoord kon ta’veren zijn – daar wilde hij evenmin aan denken als aan die Hoorn van dat rottige Valere – maar het was een feit dat de Verzakers zijn naam wisten. Die stal was niet de laatste keer geweest dat Duistervrienden Mart Cauton aan z’n eind hadden willen helpen.