Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘We zoeken een ter’angreaal.’ Haar stem klonk wel erg koel, maar iedereen die haar niet kende, zou denken dat Elayne een toonbeeld van kalmte was. Ze keek Nesta din Reas aan maar richtte zich tot iedereen, vooral tot de windvindster. ‘Daarmee kunnen wij naar wij aannemen het weer herstellen. Het moet u evenveel overlast bezorgen als de mensen aan wal. Baroc sprak van eindeloze stormen. U moet op zee evengoed de hand van de Duistere kunnen zien, de zucht van de Vader der Stormen, als wij op het land. Met deze ter’angreaal kunnen wij dat veranderen, maar wij kunnen het niet alleen. Vele vrouwen zullen moeten samenwerken, wellicht een hele cirkel van dertien. Wij vinden dat die groep ook windvindsters moet bevatten. Niemand anders weet zoveel van het weer, geen enkele levende Aes Sedai. Dat is de hulp die wij vragen.’
Haar woorden ontmoetten een doodse stilte, tot Dorile din Eiran behoedzaam zei: ‘Die ter’angreaal, Aes Sedai, hoe wordt die genoemd? Hoe ziet die eruit?’
‘Voor zover ik weet, heeft hij geen naam,’ zei Elayne. ‘Het is een zware kristallen schaal, vrij plat, maar ruim twee voet in doorsnee. Wanneer erin geleid wordt, bewegen de wolken...’
‘De Schaal der Winden!’ onderbrak de windvindster haar opgewonden, onbewust een stap naar voren zettend. ‘Ze hebben de Schaal der Winden!’
‘U hebt hem echt?’ De ogen van de golfvrouwe waren vol verwachting op die van Elayne gericht, en ook zij kwam onwillekeurig een stap dichterbij.
‘Wij zóéken ernaar,’ zei Elayne. ‘Maar we weten dat hij in Ebo Dar is. Als het dezelfde is...’
‘Hij moet het zijn,’ riep Malin din Toral uit. ‘Volgens uw beschrijving moet het hem zijn!’
‘De Schaal der Winden,’ verzuchtte Dorile din Eiran. ‘Te bedenken dat die hier, na tweeduizend jaar, gevonden kan worden! Het moet de Coramoor zijn. Hij moet...’
Nesta din Reas klapte eenmaal hard in haar handen. ‘Zie ik een golfvrouwe en haar windvindster, of twee dekmeiden bij hun eerste vloot-schouw?’ Malin din Torals wangen werden rood van boosheid, en ze boog strak en trots haar hoofd. Dorile din Eiran was tweemaal zo rood en boog, waarbij haar vingertoppen voorhoofd, lippen en hart aanraakten.
De Scheepsvrouwe keek hen een poosje dreigend aan voor ze verder ging. ‘Baroc, roep de andere golfvrouwen op die deze haven hebben aangedaan, en de Eerste Twaalf. Met hun windvindsters. En laat hun weten dat ze aan hun tenen in hun eigen want gehesen worden, als ze zich niet haasten.’ Toen hij overeind kwam, voegde ze eraan toe: ‘En laat thee brengen. Het uitwerken van de voorwaarden voor deze overeenkomst wordt een dorstige zaak.’
De oude man knikte; dat hij zowel golfvrouwen aan hun tenen moest ophangen als thee moest laten brengen, werd even gelijkmoedig geslikt. Hij keek Aviendha en de anderen nog eens schuins aan en wandelde met een deinende gang naar buiten. Aviendha veranderde van mening toen ze zijn ogen van dichtbij zag. Het zou een onherstelbare fout zijn geweest om de windvindster als eerste te doden. Iemand moest een dergelijke opdracht hebben verwacht, want Baroc was nauwelijks naar buiten of er kwam een slanke, knappe jongeman met een smal ringetje in elk oor binnen. Hij droeg een houten blad waarop een vierkante, blauw geglazuurde theepot met een gouden greep en grote blauwe kommen van dik aardewerk stonden. Nesta din Reas wuifde hem snel weer weg. ‘Hij zal al genoeg verhaaltjes rondstrooien zonder op te vangen wat hij niet mag horen.’ Ze gebaarde Birgitte in te schenken. Wat ze, tot Aviendha’s verrassing en misschien die van haarzelf, nog deed ook.
De Vrouwe der Schepen plaatste Elayne en Nynaeve op stoelen aan één kant van de tafel; kennelijk wilde ze met de onderhandelingen beginnen. Aviendha weigerde een stoel – aan de andere kant van de tafel – maar Birgitte nam er wel een, zwaaide de leuning uit, ging zitten en maakte die weer vast. De golfvrouwe en de windvindster werden ook uitgesloten van de bespreking, als je die tenminste zo mocht noemen. Ze sprak te zacht om gehoord te worden, maar Nesta din Reas benadrukte elk woord met een vinger als een porrende speer. Elaynes kin stak zo ver naar voren dat ze langs haar eigen neus leek te kijken, en Nynaeve slaagde er deze keer dan wel in haar gezicht in bedwang te houden, maar ze probeerde blijkbaar in haar eigen vlecht te klimmen.
‘Als dar het Licht behaagt, zal ik met u beiden praten,’ zei Malin din Toral, van Aviendha naar Birgitte kijkend, ‘maar ik zou eerst uw verhaal willen horen.’ De vrouw nam tegenover Birgitte plaats, die zich ongemakkelijk leek te voelen.
‘Wat inhoudt dat ik met u kan praten, als dat het Licht behaagt,’ zei Dorile din Eiran tegen Aviendha. ‘Ik heb over de Aiel gelezen. Als het u behaagt, kunt u me dan vertellen hoe er bij u nog mannen over zijn als een Aielvrouw elke dag een man moet doden?’ Aviendha deed haar best om haar niet aan te gapen. Hoe kon die vrouw zulke onzin geloven?
‘Wanneer hebt u onder ons gewoond?’ vroeg Malin din Toral boven haar theekom uit. Birgitte leunde opzij alsof ze over de stoelleuning wilde klimmen.
Aan de andere kant van de tafel klonk Nesta din Reas’ stem even wat luider. ‘... kwamen naar mij, ik niet naar jullie. Dat vormt de grondslag van onze overeenkomst, zelfs al zijn jullie Aes Sedai.’ Baroc gleed de kamer in en bleef tussen Aviendha en Birgitte staan. ‘Het ziet ernaar uit dat jullie roeiboot vertrokken is zodra je benedendeks ging, maar zit er niet over in. De Windjager heeft boten om jullie aan wal te brengen.’ Hij liep verder de kajuit in, nam een stoel naast Elayne en Nynaeve en mengde zich onmiddellijk in het gesprek. Als ze keken naar wie er sprak, kon de ander hen ongemerkt gadeslaan. Ze hadden een voordeel verloren, een voordeel dat ze nodig hadden. ‘Natuurlijk vindt de overeenkomst op onze voorwaarden plaats,’ zei hij ongelovig alsof zoiets ooit anders kon zijn. Ondertussen sloeg de Vrouwe der Schepen Elayne en Nynaeve gade alsof ze twee geiten bekeek die ze voor een feest wilde slachten. Barocs glimlach was bijna vaderlijk. ‘De vrager betaalt uiteraard de hoogste prijs.’
‘Maar u moet tussen ons geleefd hebben om deze oude eden te kennen,’ hield Malin din Toral vol.
‘Voelt u zich wel goed, Aviendha?’ vroeg Dorile din Eiran. ‘Zelfs hier kan de scheepsbeweging het landvolk aansteken. Nee? En mijn vraag beledigt u niet? Vertel me dan, binden de Aielse vrouwen een man echt vast voor ze... ik bedoel, als hij en u.... als u....’ Haar wangen werden rood toen ze er met een beverig glimlachje het zwijgen toe deed. ‘Zijn veel Aielvrouwen even sterk in de Kracht als u?’
Het kwam niet door het dwaze gedrag van de windvindster dat het bloed uit Aviendha’s gezicht wegtrok. Of doordat Birgitte kennelijk wilde weghollen zodra ze de armleuning weer loskreeg. Zelfs niet doordat Elayne en Nynaeve blijkbaar ontdekten dat ze twee onschuldige meisjes waren, die op een dorpsfeest in handen van een paar ervaren handelaren waren gevallen. Ze zouden haar allemaal op haar kop geven, en ze zouden gelijk hebben. Zij was degene die had voorgesteld de hulp in te roepen van die Zeevolkvrouwen waar ze steeds over spraken, als ze de ter’angreaal niet naar Egwene en de andere Aes Sedai terug konden brengen. Ze mochten geen tijd verknoeien door te wachten op een bericht van Egwene Alveren dat ze terug konden komen. Ze zouden haar de schuld geven en ze zou haar toh tegemoettreden, maar ze dacht aan de boten die omgekeerd op het dek lagen opgestapeld. Boten zonder enige bescherming. Ze zouden haar de schuld geven, maar wat ze ook verschuldigd was, zou ze duizend keer in schande hebben terugbetaald in de tijd die het een open boot kostte zeven of acht span over te steken.
‘Heb je een emmer?’ vroeg ze zwakjes aan de windvindster.
14
Witte pluimen
Op het eerste gezicht paste de naam helemaal niet, maar Ebo Dar was gek op dure namen. Soms leek te gelden: hoe slechter ze pasten, hoe beter het was. De, volgens Mart, smerigste herberg droeg de naam Pralende Koninginnenpracht, terwijl De Gouden Hemelkroon een duister gat sierde, aan de andere kant van de rivier in de Rahad. Die herberg was slechts aangegeven door een blauwe deur, terwijl de smerige vloer onder de donkere vlekken van oude messengevechten zat. De paardenrenbaan heette De Zilveren Baan.