Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Haar aandacht ging meer uit naar de slanke, knappe vrouw met over elkaar geslagen armen en een grimmige blik die weinig goeds voorspelde. Ze had maar vier oorringen in elk oor, minder penninkjes aan haar kettinkje dan Malin din Toral, en al haar kleding was van rossige zijde. Ze kon geleiden; van zo dichtbij wist Aviendha dat. Zij moest de vrouw zijn waarvoor ze gekomen waren, de windvindster. Maar er was nog een vrouw die Aviendha’s blik rrok. En die van Elayne, Nynaeve en Birgitte.
De vrouw, die van een opgerolde kaart op rafel opkeek, kon aan haar witte haren te zien net zo oud zijn als de man. Ze was klein, niet groter dan Nynaeve, en zag eruit als iemand die ooit gedrongen was geweest en nu dikker begon te worden, maar haar onderkaak stak als een punthamer naar voren en haar zwarte ogen verrieden een scherp verstand. En macht. Niet door de Ene Kracht, maar doordat ze wist dat men haar bevelen zou opvolgen. Ja, ze bezat veel macht. Haar broek was van groene zijde met goudborduursel en haar buikband was van hetzelfde rood als die van de man. Het brede mes in de band had een ronde knop, bezet met rode en groene stenen; vuurdruppels en smaragden, dacht Aviendha. Aan haar neusketting hingen twee keer zoveel penninkjes als bij Malin din Toral, en een ander, nog dunner kettinkje verbond de zes ringen in elk van haar oren. Aviendha kon maar net voorkomen dat haar hand opnieuw naar haar neus gleed. Zonder een woord te spreken ging de witharige vrouw voor Nynaeve staan en nam haar onbeschaamd van top tot teen op, waarbij ze vooral Nynaeves gezicht en de Grote Serpent-ring aan haar rechterhand gramstorig bekeek. Ze was snel klaar en richtte na haar eerste geërgerde slachtoffer haar blik op Elayne, om haar even doordringend te bekijken, waarna Birgitte volgde. Toen pas zei ze voor het eerst iets. ‘Jij bent geen Aes Sedai.’ Haar stem klonk als het vallen van rotsblokken.
‘Bij de negen winden en de baard van Stormbrenger, nee, dat ben ik niet,’ zei Birgitte. Soms zei ze dingen die zelfs Elayne en Nynaeve niet leken te snappen, maar de witharige vrouw sprong op alsof ze in haar achterwerk was geknepen en bleef nog lang kijken voor ze haar ogen op Aviendha richtte.
‘Ook jij bent geen Aes Sedai,’ merkte haar schurende stem na een zelfde onderzoek op.
Aviendha richtte zich tot haar volle lengte op. Ze voelde zich alsof de vrouw haar kleren had losgeknoopt en haar rond had gedraaid om haar beter te bekijken, ‘Ik ben Aviendha van de Negendalensibbe van de Taardad Aiel.’
De vrouw schrok twee keer zo erg als bij Birgitte en haar zwarte ogen gingen wijd open. Maar ze zei slechts: ‘Je bent niet gekleed zoals ik verwacht had, meisje,’ en schreed weer naar de andere kant van de tafel, waar ze haar vuisten in de heupen zette en hen allemaal nog eens bestudeerde, zoals ze een vreemd dier zou bekijken dat ze nooit eerder gezien had. ‘Ik ben Nesta din Reas Tweemanen,’ zei ze ten slotte. ‘Vrouwe der Schepen van de Atha’an Miere. Hoe weten jullie wat je weet?’
Nynaeves afkeuring was slechts gegroeid sinds de vrouw haar gekeurd had, en nu barstte ze los. ‘Aes Sedai weten wat zij weten. En we verwachten betere manieren dan ik tot nog toe gezien heb! De vorige keer is mij op een schip van het Zeevolk beslist meer achting getoond. Misschien moeten we een ander schip zoeken, waar de mensen niet allemaal van die lange tenen hebben.’ Het gezicht van Nesta din Reas werd donkerder, maar natuurlijk was het Elayne die de stilte gebruikte, haar mantel afdeed en over de rand van de tafel legde.
‘Het Licht verlichte u en uw schepen, Scheepsvrouwe, en sture u de winden om u allen snelheid te geven.’ Haar knix was redelijk diep; Aviendha was inmiddels heel begaafd in haar inschatting ervan geworden. Ze vond het een van de beschamendste dingen die een vrouw kon doen. ‘Vergeef ons als al te haastige woorden zijn gesproken. Wij willen niet oneerbiedig lijken tegenover iemand die bij de Atha’an Miere een koningin is.’ Nynaeve kreeg een welsprekende blik toegeworpen, maar die trok slechts haar schouders op.
Elayne stelde zichzelf en de andere drie opnieuw voor en er werd heel vreemd op gereageerd. Niet op het feit dat ze de erfdochter was, hoewel dat een hoge titel was onder de natlanders. Ook niet op de mededeling dat ze van de Groene Ajah was en Nynaeve van de Gele. Dat ontlokte Nesta din Reas slechts gesnuif en leverde een scherpe blik van de magere oude man op. Elayne was even uit het lood geslagen, maar ze ging onvervaard door. ‘Wij zijn hier om twee redenen gekomen. De minst belangrijke eerst: op welke manier wilt u de Herrezen Draak helpen, die u volgens de Jendai-voorspelling de Coramoor noemt? En het belangrijkste: ons verzoek om hulp van de windvindster.’ Waarna ze eraan toevoegde: ‘Wier naam ik tot mijn spijt nog niet ken.’ De geleidster werd rood. ‘Ik ben Dorile din Eiran Langveer, Aes Sedai. Ik zal u helpen, als dat het Licht behaagt.’
Malin din Toral keek ook beschaamd. ‘Mijn schip verwelkomt u,’ mompelde ze, ‘en de genade van het Licht zij met u, tot u dit dek verlaat.’
Maar niet Nesta din Reas. ‘De Overeenkomst is met de Coramoor,’ zei ze met harde stem, een scherp, hakkend gebaar makend. ‘De land-gebondenen hebben daar geen deel aan, behalve waar van zijn komst wordt verhaald. Jij, meisje. Nynaeve. Welk schip gaf jou het geschenk van de overtocht? Wie was zijn windvindster?’
‘Dat herinner ik mij niet.’ Nynaeves luchtige antwoord paste niet bij de bevroren glimlach op haar gezicht. Ze hield haar vlecht beet, maar had gelukkig geen toevlucht tot saidar genomen. ‘En ik ben Nynaeve Sedai, Nynaeve Aes Sedai, geen meisje.’
Nesta din Reas zette haar handen vlak op de tafel en schonk haar een blik die Aviendha aan Sorilea deed denken. ‘Misschien ben je dat, maar ik zal te weten komen wie onthuld heeft wat niet onthuld had mogen worden. Die heeft lessen in zwijgzaamheid te leren.’
‘Een gescheurd zeil blijft gescheurd, Nesta,’ zei de oude man plotseling, met een lage stem die veel voller was dan zijn magere ledematen deden vermoeden. Aviendha had gedacht dat hij een wachter was, maar hij klonk als een gelijke. ‘Het zou goed zijn om te vragen welke steun de Aes Sedai nodig hebben, in de dagen dat de Coramoor gekomen is, de zeeën in eindeloze stormen woeden en de doem van de Voorspelling de oceanen bezeilt. Als zij tenminste Aes Sedai zijn?’ Het laatste werd met een opgetrokken wenkbrauw aan de windvindster gevraagd. Die antwoordde kalm en eerbiedig: ‘Drie kunnen er geleiden, waaronder zij.’ Ze wees naar Aviendha. ‘Ik heb nog nooit vrouwen met dergelijke kracht ontmoet. Ze moeten wel Aes Sedai zijn. Wie anders zou de ring durven dragen?’
Nesta din Reas gebaarde haar te zwijgen en richtte dezelfde ijzeren blik op de man. ‘Aes Sedai vragen nooit hulp, Baroc,’ gromde ze. Hij beantwoordde haar blik kalm. Toen zuchtte ze alsof zij voor hem haar ogen had moeten neerslaan. Maar haar blik voor Elayne was geen haartje zachter. ‘Wat wens je van ons...’ – ze aarzelde – ‘... erfdochter van Andor?’ Zelfs dat klonk misprijzend.
Nynaeve richtte zich op, klaar voor de aanval. Aviendha had in het Tarasin-paleis meermalen een van haar woordenvloeden moeten aanhoren. Het werd gewoonlijk veroorzaakt als de andere Aes Sedai weer eens vergaten dat Nynaeve en Elayne eveneens Aes Sedai waren. Een buitenstaander die dat ontkende, riskeerde bloedvergieten. Nynaeve opende haar mond... en Elayne bracht haar tot zwijgen met een klopje op haar arm en wat gefluister dat te zacht was om door Aviendha te worden opgevangen. Nynaeve zag nog steeds vuurrood en leek onderhand haar vlecht tot aan de wortels uit te willen rukken, maar ze hield haar mond. Misschien kon Elayne écht vrede stichten bij een watervete.
Uiteraard kon ook Elayne niet blij zijn met de openlijke twijfel aan zowel haar recht op de titel van Aes Sedai als op de titel van erfdochter. De meeste mensen zouden haar heel beheerst gevonden hebben, maar Aviendha kende de tekenen. De geheven kin duidde op boosheid en de wijd opengesperde ogen maakten er een laaiende fakkel van, die Nynaeves woede tot sintels reduceerde. Bovendien hield Birgitte zich klaar, haar gezicht als steen, met vlammende ogen. Gewoonlijk weerspiegelde ze Elaynes gevoelens niet, alleen als die heel sterk waren. Aviendha greep haar mes en maakte zich op om saidar te omhelzen. Ze zou eerst de windvindster doden; die vrouw was geen zwakkeling met de Kracht, ze zou gevaarlijk zijn. En ze was vervangbaar, met zoveel schepen in de buurt.