Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Jij bent de beste keus, Birgitte,’ ging Elayne snel door. ‘Nynaeve en ik zijn Aes Sedai, en dat kan je net zo goed zeggen van Aviendha. Wij kunnen het gewoon niet doen. Niet bij hem. Niet als we onze waardigheid willen behouden. Je wéét hoe hij is.’ Wat was er over van al dat gepraat over een besliste en zelfverzekerde stem? Niet dat Aviendha dat ooit had zien werken, behalve bij Sorilea. Het had zeker niet gewerkt bij Mart Cauton, voor zover ze gezien had. ‘Birgitte, hij kan je onmogelijk hebben herkend. Als dat zo geweest was, had hij er inmiddels wel iets van gezegd.’
Aviendha wist niet wat dat betekende, maar Birgitte leunde tegen de wand en vouwde haar handen voor haar buik. ‘Ik had kunnen weten dat je me terug zou pakken, na die keer dat ik je zei dat het maar goed was dat je achterwerk geen...’ Ze zweeg en om haar lippen verscheen een flauwe, tevreden glimlach. Elaynes gezicht veranderde niet, maar blijkbaar was Birgitte van mening dat ze enigszins wraak had genomen. Het moest iets zijn wat je door de binding als zwaardhand kon voelen. Wat Elaynes billen ermee te maken hadden, kon Aviendha niet bevroeden. Natlanders waren soms... zo... vréémd. ‘Wat ik niet begrijp is waarom hij in jullie buurt telkens zo nijdig wordt. Dat jullie hem hierheen hebben gesleept, kan het niet zijn. Daar had Egwene evenveel mee te maken, maar ik heb gezien dat hij haar met meer voorkomendheid behandelde dan de meeste zusters. En elke keer dat ik hem uit De Zwerfster zag komen, keek hij of hij zich behoorlijk had vermaakt.’ Haar glimlach werd een grijns en Elayne snoof afkeurend. ‘Dat is ook iets wat anders moet. Een nette vrouw kan zich niet met hem in dezelfde kamer vertonen. Haal die grijns van je gezicht, Birgitte. Ik zweer dat je soms net zo erg bent als hij.’
‘Die vent is een bezoeking voor iedereen,’ bromde Nynaeve zuur. Plotseling werd Aviendha er ruw aan herinnerd dat ze in een boot zat; alles slingerde en zwaaide voor het weer rustig werd. Ze stonden op, streken hun rok glad en pakten de meegenomen dunne mantels. Aviendha deed de hare niet aan; het zonlicht was hier niet zo fel dat ze een kap nodig had. Birgitte gooide haar mantel over een schouder en duwde de deur open. Ze liep de drie treetjes op, achter Nynaeve aan die met een voor de mond geslagen hand langs haar heen schoot. Elayne nam alle tijd om haar mantel te sluiten en de kap te schikken. Haar roodgouden krullen piekten er overal uit. ‘Je hebt niet veel gezegd, naastzuster.’
‘Ik zei wat ik te zeggen had. Het was jouw beslissing.’
‘Maar de hoofdgedachte kwam van jou. Soms denk ik dat we in halvegaren zijn veranderd. Nou ja.’ Elayne draaide zich half om naar de trap en wachtte even, waarbij ze vermeed haar rechtstreeks aan te kijken. ‘Ik krijg soms een raar gevoel van uitgestrekt water en zo. Ik denk dat ik alleen maar naar het schip zal kijken. Nergens anders naar.’ Aviendha knikte – haar naastzuster had een hoge mate van fijngevoeligheid – en ze gingen naar boven.
Aan dek sloeg Nynaeve juist Birgittes aanbod van hulp af en duwde zich van de reling weg. De twee roeiers keken haar vermaakt aan, terwijl ze haar mond met de rug van haar hand afveegde. Het waren kerels die geen hemd droegen en een koperen ring in elk oor hadden. Die zouden de kromme dolken in hun buikband wel veel gebruikt hebben. Het merendeel van hun aandacht ging echter uit naar hun boot. Met de lange roeiriemen waarmee ze over het dek heen en weer liepen hielden ze hem op zijn plek naast een enorm schip. Het benam Aviendha bijna de adem, zoals het daar hoog boven hun plotseling erg kleine vaartuig uittorende. De drie grote masten reikten hoger dan de meeste bomen, zelfs bomen in de natlanden. Ze hadden het gekozen omdat dit van alle honderden Zeevolkschepen in de baai het grootste was. Op zo’n groot schip moest het toch waarachtig mogelijk zijn om al dat water te vergeten. Maar...
Elayne had niet laten merken dat ze haar schande had gezien, en als dat wel zo was maakte dat niet uit; een naastzuster mocht je diepste vernedering kennen. Maar... Amys had gezegd dat ze veel te trots was. Ze dwong zichzelf om te draaien en van de boot weg te kijken.
Heel haar leven had ze nog nooit zoveel water gezien, zelfs niet als alle druppels die ze ooit gezien had op één plaats bij elkaar waren gestroomd. Het rolde grijsgroen rond, met hier en daar wat wit schuim. Haar ogen schoten schichtig alle kanten op, zodat ze het uitzicht niet echt in zich op hoefde te nemen. Zelfs de hemel leek hier groter, geweldiger, met een withete, gouden zon die in het oosten omhoogklom. Er waren windvlagen, wat koeler dan op het land, die nooit echt verdwenen. Zwermen vogels zwierden rond, grijs en wit, soms met zwarte vlekken, onophoudelijk krijsend. Een vogel, geheel zwart behalve zijn kop, scheerde langs het oppervlak, waarbij zijn lange ondersnavel door het water sneed. Ze zag een schuine streep van dikke bruine vogels, pelikanen noemde Elayne ze, die opeens een voor een hun vleugels opvouwden en met een klap in het water plonsden. Ze doken weer op, bleven drijven en hieven hun snavel op die een ongelofelijk omvang had. Overal lagen schepen, de meeste bijna even groot als het schip achter haar, en niet allemaal van de Atha’an Miere. Er waren ook kleinere boten zonder masten, net als hun eigen boot, met een hoge puntige piek van voren en een klein hutje achterop. Die schoten als spinnen over het water met behulp van roeispanen; enkele of dubbele, soms zelfs driedubbele. Ze zag een lange, smalle boot die er aan één kant wel twintig had en leek op een hollende honderdpoot. Er was ook land. Zo’n zeven of acht span verder glinsterde het zonlicht op de witgepleisterde gebouwen van de stad. Zeven of acht span water.
Ze slikte en draaide zich sneller om dan ze eerder gedaan had. Haar wangen moesten nu nog groener zijn dan die van Nynaeve waren geweest. Elayne hield haar in de gaten en probeerde niets te laten merken, maar natlanders lieten hun gevoelens zo duidelijk blijken dat haar bezorgdheid zichtbaar werd. ‘Ik ben een dwaas, Elayne.’ Zelfs bij haar voelde Aviendha zich niet op haar gemak als ze alleen de eerste naam gebruikte. Als eerstezusters of zustervrouwen zou het gemakkelijker gaan. ‘Een wijze vrouw luistert naar wijze raad.’
‘Je bent dapperder dan ik ooit zal zijn,’ zei Elayne heel ernstig. Ook zij ontkende steeds enige dapperheid te bezitten. Was dat wellicht ook een natlandergewoonte? Nee, Aviendha had natlanders horen praten over hun eigen dapperheid. Die lui uit Ebo Dar leken om de drie woorden op te scheppen. Elayne haalde diep adem en staalde zich. ‘Vanavond zullen we het over Rhand hebben.’
Aviendha knikte, maar ze zag niet in wat dat met moed te maken had. Zustervrouwen konden toch alleen goed met hun man omgaan als ze tot in de kleinste kleinigheid over hem praatten? Dat hadden de oude vrouwen en Wijzen haar in ieder geval verteld. Ze waren natuurlijk niet altijd zo openhartig. Ze had een keer tegen Amys en Bair geklaagd dat ze ziek moest zijn, omdat ze het gevoel had dat Rhand Altor een stukje van haar bezat, en toen hadden de twee vrouwen over de grond gerold van het lachen. Je zult er wel achter komen, kakelden ze, en Je zou het eerder hebben geweten als je in een rok was opgegroeid. Alsof ze ooit een ander leven dan dat van Speervrouw had willen leiden. Alsof ze niet veel liever met haar speerzusters wilde optrekken. Misschien voelde Elayne ook zo’n soort leegte. Over hem praten leek de holle plek groter te maken, maar die tegelijkertijd ook op te vullen. Ze had al een tijdje steeds luidere stemmen gehoord, en nu verstond ze de woorden.
‘... stomme dwaas met oorringen!’ Nynaeve schudde haar vuist tegen een donkergekleurde man die vanaf de hoge zijkant van het schip op haar neerkeek. Hij zag er kalm uit, maar hij kon dan ook niet de saidargloed om haar heen zien. ‘Wij wensen geen geschenk van overtocht, dus maakt het niet uit of een Aes Sedai zoiets geweigerd wordt! Laat onmiddellijk een ladder zakken!’ De mannen aan de roeiriemen slikten op slag hun grijns in. Ze hadden op de kade kennelijk de Serpent-ringen niet gezien, en leken nu niet al te blij met de ontdekking Aes Sedai aan boord te hebben.