Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘O hemeltje,’ zuchtte Elayne. ‘Ik moet dit zien te redden, Aviendha, of het enige nut van deze hele ochtend zal zijn dat zij haar ochtendpap kon kwijtraken.’ Ze gleed over het dék – Aviendha was er trots op de juiste woorden voor dingen op boten te weten – en wendde zich tot de man op het schip. ‘Ik ben Elayne Trakand, erfdochter van Andor en Aes Sedai van de Groene Ajah. Mijn gezellin heeft de waarheid gezegd. Wij willen het geschenk van de overtocht niet. Maar we moeten heel dringend met de windvindster praten. Zeg haar dat we weten van het weven van de winden. Zeg haar dat we van de windvindsters weten.’
De man boven haar keek haar onderzoekend aan en verdween toen ineens, zonder een woord te zeggen.
‘Dat mens zal zeker denken dat je haar geheimen wilt verklappen,’ gromde Nynaeve, aan haar mantel rukkend. Ze bond de linten nijdig vast. ‘Je weet hoe bang ze zijn dat de Aes Sedai hen allemaal naar de Toren zullen sleuren als bekend wordt dat de meesten kunnen geleiden. Alleen een sukkel gelooft dat ze iets met dreigementen bereikt, Elayne.’
Aviendha barstte in lachen uit. Aan Nynaeves verraste blik te zien had ze niet in de gaten dat ze over zichzelf sprak. Elaynes lippen beefden iets, hoezeer ze zich ook trachtte in te houden. Je wist het nooit bij natlandergrapjes. Ze vonden iets vreemds soms heel grappig maar misten het allerleukste.
Of de windvindster zich nu wel of niet bedreigd voelde, na een lange tijd leek besloten te zijn dat ze werden toegelaten. Inmiddels had Elayne de bootslui betaald en ze gezegd op hun terugkeer te wachten. Nynaeve mopperde over het vele geld en beloofde hun een oorvijg als ze vertrokken en dat bezorgde Aviendha bijna weer een lachbui. Er werd geen ladder neergelaten, maar in plaats daarvan verscheen er een houten plank tussen twee touwen die hogerop aan elkaar waren geknoopt. Het geheel hing aan een dikke paal die vanuit een mast over de zijkant uitzwaaide. Nynaeve ging erin zitten, onder de vreselijkste bedreigingen voor de roeiers die het waagden onder haar rokken te kijken. Elayne bloosde en hield haar rok strak om haar benen. Ze zat wat voorover, zodat ze met het hoofd eerst in het water leek te vallen. Toen zwierden ze omhoog en verdwenen boven het schip uit het zicht. Een van de kerels keek toch omhoog, tot Birgitte hem een stomp op zijn neus verkocht. Ze keken beslist niet toen zij omhoog ging.
Aviendha’s mes was klein, met een lemmet van nog geen halve voet, maar de roeiers keken bezorgd toen ze het trok. Haar arm ging naar achteren en ze vielen plat op het dek toen het mes over hun hoofden zoefde en met een doffe klap in de dikke houten balk aan de voorkant van de boot belandde. Ze sloeg haar mantel als een sjaal over haar armen, trok haar rok tot ruim boven de knieën op, zodat ze over de roeispanen kon stappen om haar mes op te halen, waarna ze op de schommelende plank ging zitten. Ze schoof het mes niet in de schede. Om een of andere reden keken de mannen elkaar aan alsof ze in de war waren, maar ze sloegen hun ogen niet op bij haar tocht naar boven. Misschien begon ze de natlander-gebruiken te begrijpen.
Haar mond viel open toen ze neerkwam op het dek van het grote schip en ze vergat bijna van de smalle zitplank te stappen. Ze had over de Atha’an Miere gelezen, maar over hen lezen en hen zien was even verschillend als lezen over zout water en het proeven. Om te beginnen hadden ze allemaal een donkere huidkleur, veel donkerder dan de mensen in Ebo Dar, donkerder dan de meeste Tyreners, met sluik, zwart haar, zwarte ogen en getatoeëerde handen. Mannen met ontbloot bovenlijf droegen smalle, bonte buikbanden om ruim vallende broeken, die van een soort donkere stof waren gemaakt en een olieachtige indruk gaven. Vrouwen droegen boezeroenen die al even bont waren als hun buikband. En allemaal bewogen ze zich deinend, sierlijk meeglijdend met het op- en neergaan van het schip. Volgens haar boeken hielden de vrouwen van het Zeevolk er vreemde gewoonten op na betreffende mannen. Zo dansten ze, slechts een enkele buikband dragend, of nog erger. Maar de oorringen verbaasden haar het meest. Velen hadden er drie of vier, vaak met edelstenen, en verschillende vrouwen droegen zelfs een kleine ring door een neusvleugel! De mannen hadden ook oorringen in, en minstens evenveel zware gouden en zilveren kettingen om de hals. Mannen! Zeker, sommige natlanders droegen ook oorringen – de meeste mannen uit Ebo Dar – maar zoveel! En kettingen! Natlanders hadden vreemde ideeën. Het Zeevolk verliet nooit het schip. Nimmer! Dat had ze tenminste gelezen. En men zei dat ze hun doden op aten. Dat had ze nog niet op waarheid kunnen toetsen, maar als mannen kettingen droegen, kon dat andere ook best waar zijn. De vrouw die hen kwam begroeten droeg een broek, een boezeroen en een buikband als de anderen, maar die van haar waren van kostbare, geborduurde gele zijde en de band toonde een ingewikkelde knoop, zodat de uiteinden tot haar knieën reikten. Aan een ketting bungelde een doosje van fraai goudfiligrein. Er hing een zoete, muskusachtige geur om haar heen. Haar haren vertoonden al grijs en haar gezicht stond ernstig. Vijf dikke gouden ringetjes versierden elk oor, en van één liep er een dun kettinkje naar een zelfde soort neusring. Aan het kettinkje zwaaiden glanzend gouden penninkjes die het zonlicht weerkaatsten. Ze nam de vier vrouwen onderzoekend op.
Aviendha kon zich niet voorstellen hoe het was om altijd zo’n zware ketting te dragen en trok haar hand van haar neus weg. Ze kon maar nauwelijks een lach onderdrukken. Natlandergewoonten waren onvoorstelbaar vreemd, en niemand verdiende die omschrijving meer dan het Zeevolk.
‘Ik ben Malin din Toral Golfbreker,’ zei de vrouw, ‘Golfvrouwe van de Somarin-clan en zeilvrouwe van de Windjager.’ Een golfvrouwe was belangrijk, zoiets als een stamhoofd, maar ze leek toch te weifelen en keek van het ene gezicht naar het andere, tot haar oog op de Grote Serpent-ringen van Elayne en Nynaeve viel. ‘Als het u behaagt mee te komen, Aes Sedai?’ zei ze tegen Nynaeve.
De achterkant van het schip was hoger, en ze ging hen voor door een deur, vervolgens door een gang, tot aan een grote kamer – een kajuit! – met een lage zoldering. Aviendha twijfelde of Rhand Altor onder zo’n dikke balk rechtop had kunnen staan. Behalve enkele gelakte kisten scheen alles vast te zitten; de wandkastjes, zelfs de grote tafel, half zo lang als de kamer, en de armstoelen die eromheen stonden. Het was moeilijk te bevatten dat zoiets groots als dit schip van hout gemaakt was. Zelfs na al die tijd in de natlanden raakte ze door de aanblik van zoveel glanzend hout bijna van haar stuk. Het houtwerk glom haast evenzeer als de gedoofde vergulde lampen die in een soort kooi hingen zodat ze recht bleven als het schip op de golven deinde. Eerlijk gezegd leek het schip amper te bewegen, vergeleken bij de boot waar ze op hadden gezeten. Jammer genoeg bestond de achterkant van de kajuit uit een rij ramen, waarvan de geschilderde en vergulde luiken wijd openstonden en die een schitterend uitzicht op de baai gaven. Erger nog, achter die ramen was geen land te bekennen. Helemaal niets! Haar keel zat dichtgeknepen. Ze kon geen woord uitbrengen. Ze had niet kunnen schreeuwen, als ze dat gewild had.
Die ramen en wat ze lieten zien – of liever: wat ze niét lieten zien -hadden meteen haar aandacht getrokken, zodat het even duurde voor ze ontdekte dat er al mensen in de kajuit waren. Niet best! Als ze het van plan waren geweest, hadden die haar onverhoeds kunnen doden. Ze vertoonden wel geen enkel teken van vijandigheid, maar met natlanders kon je niet voorzichtig genoeg zijn.
Een broodmagere oude man met diepliggende ogen zat ontspannen op een kist; het weinige haar dat hij nog had, was wit. Zijn gezicht stond vriendelijk, maar minstens een tiental oorringen en een stel zware gouden kettingen om zijn hals vervormden het in haar ogen op een vreemde manier. Net als de mannen aan dek was hij blootsvoets en was zijn borst ontbloot, maar zijn broek was van donkerblauwe zijde en zijn lange buikband helderrood. Ze zag met afkeer dat er een zwaard met een ivoren greep en twee kromme dolken in waren gestoken.