Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Denk eraan u te ontspannen,’ zei Halima zachtjes. ‘Uw gezicht ontspannen, uw nek ontspannen, uw schouders...’ Haar bezwerende stem gonsde als een streling over elk deel van Egwenes lichaam dat ze wilde laten ontspannen.
Sommige vrouwen hadden alleen al vanwege haar uiterlijk een hekel aan haar – alsof een bijzonder wellustige man haar had gedroomd -en velen beweerden dat ze het aanlegde met alles wat een broek aanhad. Egwene kon zoiets niet goedkeuren, maar Halima gaf toe dat ze graag naar mannen keek. Zelfs de ergste roddels beweerden niet dat ze verder was gegaan dan flirten, en Halima zelf was verontwaardigd als zoiets werd gesuggereerd. Ze was niet dom – dat had Egwene al gemerkt bij hun eerste gesprek, de dag na Logains ontsnapping, toen de hoofdpijn begonnen was – en zeker geen hersenloze mannen-jaagster. Egwene vermoedde dat het leek op Meri’s geval. Halima kon het niet helpen dat ze zo’n gezicht had en zo deed. Haar glimlach leek uitnodigend of plagend, doordat haar mond zo was gevormd. Ze glimlachte op dezelfde manier naar mannen als naar vrouwen en kinderen. Het was amper haar schuld dat mensen meenden dat ze lonkte, terwijl ze alleen maar keek. Bovendien had ze nooit de hoofdpijn tegen iemand genoemd. Als dat wel was gebeurd, zou iedere Gele zuster in het kamp haar hebben benaderd. Dat duidde toch wel op vriendschap, wellicht zelfs op trouw.
Egwenes ogen vielen op de papieren op haar schrijftafel en haar gedachten zweefden onder Halima’s strelende vingers weg. Fakkels die klaar lagen om in een hooimijt te worden geworpen. Tien dagen tot de grens van Andor, tenzij heer Brin bereid was alles op te jagen, zonder de reden te kennen en zonder op weerstand te stuiten. Kon zij de fakkels tien dagen tegenhouden? Zuidhaven. Noordhaven. De sleutels tot Tar Valon. Hoe kon ze zeker zijn van Nicola en Areina, tenzij ze Siuans raad volgde? Ze moest iedere zuster laten testen voor ze bij Andor kwamen. Zij had het Talent dat ze met metalen en ertsen kon werken, maar dat kwam bij Aes Sedai zelden voor. Nicola. Areina. De Zwarte Ajah.
‘Uw gespannenheid groeit weer. Hou op met u druk te maken over de Zaal.’ De verzachtende vingers hielden stil; en begonnen weer opnieuw. ‘Vanavond helpt het nog beter als u een heet bad hebt genomen. Dan kan ik aan uw schouders en rug werken, overal. Dat hebben we nog niet geprobeerd. U bent zo stijf als een stok. U moet zo lenig zijn dat u achterover kunt buigen en uw hoofd tussen uw enkels kunt houden. Geest en lichaam. Men kan het een niet zonder het ander soepel houden. Geef u gewoon over aan mijn handen.’
Egwene verkeerde op het randje van diepe slaap. Niet de slaap van een droomloopster, een heel gewone slaap. Hoe lang was het geleden dat ze dat had gedaan? Het kamp zou in opstand komen als Delana’s voorstel bekend werd. En dat zou heel gauw gebeuren; nog voor zij tegen Romanda en Lelaine kon zeggen dat ze niet van plan was die besluiten uit te vaardigen. Voor vandaag was er echter nog één ding te doen, iets waarnaar ze uitkeek en een reden om wakker te blijven. ‘Dat zou fijn zijn,’ mompelde ze, meer bedoelend dan de beloofde ontspanning. Lang geleden had ze zichzelf beloofd Sheriam op een dag aan de lijn te leggen en vandaag was die dag gekomen. Eindelijk kon ze beginnen met een Amyrlin te zijn die de baas was. ‘Heel fijn.’
13
De Schaal der Winden
Aviendha had de vloer willen gebruiken, maar de drie andere vrouwen in de kleine kajuit lieten haar niet genoeg ruimte. Dus moest ze genoegen nemen met een houten bank die tegen de wand was bevestigd. Ze ging er met gekruiste benen op zitten; zo leek het tenminste minder op een stoel. De deur was gelukkig dicht en er waren geen ramen, slechts sieropeningen in het hout vlak onder het plafond. Ze kon het water daarbuiten niet zien, maar de kieren lieten de geur van zout door en de geluiden van tegen de romp slaande golven en spattende roeispanen. Zelfs het schrille, holle gekrijs van vogels riep het beeld van een enorme watermassa op. Ze had mannen gekend die bereid waren te sterven voor een plas water die zo klein was dat ze eroverheen konden stappen, maar dit water was ongelooflijk brak en bitter. Woorden in een boek waren niet geheel gelijk aan het daadwerkelijk proeven. En de rivier was op de plek waar ze bij die raar grijnzende roeiers in waren gestapt, minstens een halve span breed. Een halve span water, en geen druppel ervan was drinkbaar. Wie had ooit van nutteloos water gehoord?
De beweging van de boot was overgegaan in een op- en neergaande beweging van nu eens de boeg, dan weer de achterkant. Waren ze de rivier al uit? In wat ze de ‘baai’ noemden? Die was nog groter, veel groter had Elayne gezegd. Aviendha sloeg haar handen om haar knieën en probeerde wanhopig aan iets anders te denken. Als de anderen haar vrees ontdekten, zou de schande haar een leven lang achtervolgen. Het ergste was nog dat ze het zelf voorgesteld had, nadat ze Elayne en Nynaeve over het Zeevolk had horen praten. Hoe had ze kunnen weten hoe het in werkelijkheid was?
De blauwe zijde van haar jurk voelde ongelooflijk glad aan en daar klampte ze zich aan vast. Ze was nauwelijks gewend aan een rok en hunkerde nog steeds naar de cadin’sor, die ze van de Wijzen had moeten verbranden voordat ze met haar lessen begon. En hier droeg ze een zijden gewaad, waar ze er nu viér van had! En zijden kousen in plaats van sterke wol, en zijden onderkleren, waardoor ze haar huid voelde zoals die nooit eerder had gevoeld. Ze kon niet ontkennen dat het gewaad prachtig was, hoe raar het ook was om zoiets zelf te dragen, maar zijde was kostbaar, en vreemd. Een vrouw kon op feestdagen een zijden sjaal omslaan en daarmee de afgunst van anderen opwekken. Weinig vrouwen hadden er twee. Maar onder deze natlanders was het anders. Niet iedereen had zijden kleren, maar soms leek het net of ze bijna allemaal iets van zijde hadden. Grote rollen, zelfs hele balen kwamen per schip van de landen achter het Drievoudige Land. Per schip. Over de oceaan. Water dat zich tot aan de horizon uitstrekte, en als ze het goed had begrepen waren er vele plaatsen waar nergens meer land te zien was. Van zoiets onmogelijks moest ze bijna huiveren.
Geen van de anderen leek in de stemming voor een gesprek. Elayne draaide afwezig de Grote Serpent-ring aan haar rechterhand rond en staarde naar iets wat binnen de vier wanden niet te zien was. Ze werd vaak overmand door dat soort gepieker. Twee verplichtingen eisten haar op. Een ervan lag haar na aan het hart, maar ze had de andere gekozen omdat zij die belangrijker en eervoller achtte. Het was haar recht en haar plicht om stamhoofd, koningin, van Andor te worden, maar ze had de speurtocht voor laten gaan. Hoe belangrijk hun jacht ook was, het wekte wel de indruk dat ze iets boven stam of genootschap plaatste, maar niettemin voelde Aviendha iets van trots. Elaynes kijk op eer was soms wat vreemd, zoals het denkbeeld dat zij leidster zou worden omdat haar moeder dat geweest was, maar ze volgde die eer op een bewonderenswaardige manier na. Birgitte, in haar wijde, rode broek en korte jas waar Aviendha jaloers op was, speelde met haar lange vlecht en was ook in gedachten verzonken. Ze was Elaynes eerste zwaardhand, wat de Aes Sedai in het Tarasin-paleis behoorlijk had geschokt, hoewel hun zwaardhanden er niet om leken te geven. De gewoonten van de natlanders waren zo vreemd dat je er maar beter niet bij stil kon staan.
Als Elayne en Birgitte iedere gedachte aan praten wilden vermijden, dan drukte Nynaeve Almaeren, tegenover Aviendha bij de deur, elke poging streng de kop in. Nynaeve – niet Nynaeve Almaeren. Natlanders wilden met slechts hun halve naam worden aangesproken. Aviendha probeerde zich eraan te houden, hoezeer het ook aan een koosnaam deed denken. Rhand Altor was haar enige minnaar geweest en zelfs over hem dacht ze niet in zulke vertrouwelijke bewoordingen, maar ze moest hun manieren leren kennen als ze een van hen ging huwen.
Nynaeves diepbruine ogen staarden dwars door haar heen. Haar hand, met de witte knokkels, omklemde een dikke vlecht die even donker was als die van Birgitte blond, en haar gezicht was nu niet bleek meer maar lichtgroen. Van tijd tot tijd ontsnapte haar een gedempt kreetje. Gewoonlijk zweette ze niet; zij en Elayne hadden Aviendha het kunstje geleerd. Nynaeve was een raadsel. Ze was soms dapper tot op het punt van waanzin, daarbij steeds over haar veronderstelde lafheid kreunend, en hier was haar schande voor iedereen zichtbaar, zonder dat het haar iets kon schelen. Hoe kon een bewéging haar zo van streek maken, terwijl al dat water haar niets deed?