Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ondanks al haar woorden over een overwinning voelde Egwene zich niet zo begeesterd. Ze hoorde de heilwensen en het geroep om haar zegen nauwelijks en erkende ze slechts met wat gewuif en wist zeker dat ze er meer miste dan hoorde. Ze kon moord niet goedkeuren, maar wel voortdurend de wetende blikken van Nicola en Areina op zich voelen rusten. Zal ik ooit een plekje vinden waar de moeilijkheden zich niet opstapelen? vroeg ze zich af. Ergens had ze het gevoel dat een zege nooit gepaard diende te gaan met een nieuw gevaar.
Toen ze haar tent binnenstapte, zakte haar stemming helemaal in haar rijlaarzen. Haar hoofd bonsde verschrikkelijk. Langzamerhand ging ze denken dat ze maar beter helemaal weg van de tent moest blijven.
Twee zorgvuldig opgevouwen vellen perkament lagen keurig op de schrijftafel, elk verzegeld met lak en elk met de woorden: ‘Verzegeld tot de Vlam’. Ieder ander dan de Amyrlin werd het verbreken van dat zegel even zwaar aangerekend als een aanval op de Amyrlin zelf. Ze had ze veel liever niet willen openmaken. Ze koesterde geen enkele twijfel van wie het schrijven stamde. Jammer genoeg had ze gelijk.
Romanda stelde voor – eiste, eigenlijk – dat de Amyrlin een besluit uitvaardigde dat ‘Verzegeld tot de Zaal’ was en dus alleen bekend aan de Gezetenen. De zusters dienden een voor een opgeroepen te worden. Wie weigerde, moest worden afgeschermd en opgesloten onder de verdenking lid te zijn van de Zwarte Ajah. Waarvoor ze opgeroepen werden, werd in het midden gehouden, maar Lelaine was in haar relaas vanmorgen meer dan duidelijk geweest. Lelaines eigen brief droeg haar onmiskenbare stempel; ze schreef als een moeder tegen een kind over wat gedaan diende te worden, voor Egwenes eigen bestwil en dat van ieder ander. Zij wilde een wet die slechts Gezegeld tot de Ring hoefde te worden. Iedere zuster mocht dat weten en zou het in dit geval ook feitelijk moeten weten. Het noemen van de Zwarte Ajah diende verboden te worden omdat het tweespalt veroorzaakte, een ernstige aanklacht onder de wet van de Toren waarop een gepaste straf stond.
Egwene liet zich kreunend op haar vouwstoel neerploffen en natuurlijk gaven de poten mee en viel ze bijna op het vloerkleed. Ze kon dit vertragen en trachten te ontlopen, maar ze zouden hun dwaze dommigheden volhouden. Vroeg of laat zou iemand haar bescheiden voorstel aan de Zaal voorleggen en daarmee de vos in het kippenhok jagen. Waren ze blind? Oorzaak van tweespalt? Lelaine zou iedere zuster ervan overtuigen dat de Zwarte Ajah niet alleen bestond, maar zelfs dat Egwene er lid van was. Waarna iedere Aes Sedai bijna meteen terug naar Tar Valon en Elaida zou hollen. Romanda wilde hiermee een opstand beginnen. Er lagen zes van dit soort opstanden in de geheime verslagen verborgen. Zes in ruim drieduizend jaar was wellicht niet zoveel, maar na elke opstand was de Amyrlin afgetreden, zelfs een keer een gehele Zaal. Lelaine en Romanda wisten dat. Romanda was bijna veertig jaar een Gezetene geweest en had toegang gehad tot alle verborgen geschriften. Voor ze ontslag nam en zich net als veel oudere zusters op het land terugtrok, had Romanda zo lang een stoel voor de Gelen bezet, dat sommigen zeiden dat ze evenveel macht had als iedere heersende Amyrlin. Om voor een tweede keer tot Gezetene te worden uitverkoren, was bijna ongehoord, maar Romanda was geen vrouw die de macht in andermans handen legde, als ze dat maar enigszins kon voorkomen.
Nee, ze waren niet blind, alleen bang. Iedereen was dat, zijzelf ook, en zelfs Aes Sedai dachten niet altijd helder wanneer ze bang waren. Ze vouwde de bladen op en wilde ze verfrommelen en erop gaan dansen. Haar hoofd barstte echt van de hoofdpijn.
‘Mag ik binnenkomen, Moeder?’ Halima Saranov zweefde zonder op antwoord te wachten de tent in. Door de manier waarop Halima zich bewoog, trok ze de ogen van alle mannen, of die nu twaalf jaar waren of al twee dagen in het graf lagen. Zelfs als ze zich vanaf haar nek in een dikke mantel hulde, zouden er nog mannen naar haar staren. Het lange zwarte haar, dat glansde alsof ze het elke dag in vers regenwater waste, omkranste een gezicht dat daarvoor zou zorgen. ‘Delana Sedai dacht dat u dit wilde zien. Ze legt het vanmorgen aan de Zaal voor.’
Dus de Zaal kwam bijeen en had haar niet eens ingelicht? Nou ja, ze was wel weg geweest, maar de gewoonte, wellicht de wet, zei dat de Amyrlin op de hoogte moest zijn gebracht vóór de Zaal bijeen kon komen. Tenzij het een zitting was om haar af te zetten. Op dit ogenblik zou ze dat bijna als een zegen hebben ervaren. Ze keek naar het opgevouwen papier dat Halima op het tafeltje had gelegd alsof ze een gifslang zag. Zonder zegel. Wat Delana betrof, mocht de jongste novice het nog lezen. Het was uiteraard de uitspraak dat Elaida een Duistervriend was. Niet zo erg als dat van Romanda en Lelaine, maar als ze had vernomen dat de hele Zaal in opstand was gekomen, zou het haar amper verbazen.
‘Halima, ik had toch liever gehad dat je naar huis was gegaan na de dood van Cabriana.’ Of dat Delana genoeg gezond verstand had bezeten om de inlichtingen van deze vrouw aan de Zaal voor te behouden. Of zelfs aan de Vlam. In plaats van aan elke zuster die het wilde horen.
‘Dat mocht ik toch niet doen. Moeder.’ Halima’s groene ogen flitsten op in iets wat op verzet leek, maar zij had slechts twee manieren om iemand aan te kijken. Een wijd open, oprechte blik die uitdaagde en een half toegeloken, broeierige blik. Haar ogen zorgden voor heel wat onbegrip. ‘Nadat Cabriana Sedai me verteld had wat ze van Elaida te weten was gekomen? En van haar plannen? Cabriana was mijn vriendin en bevriend met u allemaal, met de zusters die zich tegen Elaida verzetten. Ik had dus geen keus. Ik dank slechts het Licht dat ze Salidar noemde, zodat ik wist waar ik heen moest gaan.’ Ze legde haar handen om een middel dat even smal was als dat van Egwene in Tel’aran’rhiod en hield haar hoofd schuin, Egwene strak opnemend. ‘Uw hoofd doet weer pijn, nietwaar? Cabriana had vaak zulke hoofdpijn. Zo erg dat ze haar tenen bij elkaar moest knijpen. Ze moest in heet water baden tot het wat minder werd en kon dan pas wat kleren aantrekken. Soms hield het wel dagen aan. Als ik niet was gekomen, zou uw hoofdpijn uiteindelijk even erg zijn geworden.’ Ze schoof achter Egwenes stoel en begon haar hoofdhuid te bewerken. Halima’s vingers hadden de vaardigheid om pijn weg te laten smelten. ‘U heeft zo vaak dit soort hoofdpijn dat u amper een andere zuster kunt vragen u te helen. Het is trouwens alleen de spanning. Ik kan het voelen.’
‘Ik neem aan dat ik dat niet kan,’ mompelde Egwene. Ze mocht deze vrouw wel, wat iemand anders ook zei en niet alleen vanwege haar gave om hoofdpijn weg te strijken. Halima stond met beide benen op de grond en ze was open, een plattelandsvrouw, hoeveel tijd ze ook had besteed aan het verwerven van een zweem van stadswijsheid. Haar eerbied voor de Amyrlin werd in toom gehouden, doordat ze zich gedroeg als een soort buurvrouw, wat Egwene verfrissend vond. Schokkend soms, maar moed gevend. Zelfs Chesa kon het niet beter, want die bleef altijd de dienstmeid, al was ze nog zo aardig, terwijl Halima nooit enige onderdanigheid toonde. Niettemin had Egwene toch liever gehad dat ze naar huis was gegaan, nadat Cabriana van het paard was gevallen en haar nek had gebroken.
Het zou nuttig kunnen zijn als de zusters Cabriana’s overtuiging hadden gedeeld dat Elaida van plan was de helft van hen te sussen en de rest te onderwerpen, maar iedereen was er zeker van dat Halima de dingen op de een of andere manier door elkaar had gehaald. Zij hadden zich op de Zwarte Ajah gestort. Vrouwen die niet gewend waren voor wat dan ook bang te zijn, hadden nu erkend wat ze altijd fel hadden bestreden. En heel onverstandig maakten ze zichzelf er doodsbang mee. Hoe kon ze de Duistervrienden aan het licht brengen zonder de andere zusters als een vlucht geschrokken kwartels alle kanten uit te laten stuiven? Hoe kon ze voorkomen dat ze hoe dan ook vroeg of laat uiteenvielen? Licht, hoe?