De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
niets. Er stonden geen driehoek en een cirkel in zijn huid. ‘Opmerkelijk,’ zei Selene traag. Ze wierp een blik op Loial en Hurin. De Ogier keek stomverbaasd, zijn ogen zo groot als schoteltjes; de snuiver zat op zijn hurken, met een hand op de grond, alsof hij niet zeker wist of hij zichzelf overeind kon houden. ‘We zijn hier allemaal, met onze paarden. En je weet niet eens wat je deed. Opmerkelijk.’
‘Zijn we...’ begon Rhand schor; hij moest stoppen om te slikken. ‘Kijk om je heen,’ zei Selene. ‘Je hebt ons thuisgebracht.’ Ze lachte opeens. ‘Je hebt ons allemaal thuisgebracht.’
Voor het eerst werd Rhand zich weer bewust van zijn omgeving. De kuil omringde hen zonder treden, hoewel er hier en daar een verdacht gladde steen lag, met een rode of blauwe kleur. De zuil lag tegen de helling, half begraven in het losse steenslag van een aardverschuiving. De tekens waren hier onduidelijk; wind en water hadden er lang op ingewerkt. En alles zag er echt uit. De kleuren waren stevig: het graniet was grijs, de struiken waren groen en bruin. Na die andere plek leek alles bijna te levend.
‘Thuis,’ zuchtte Rhand en toen stond ook hij te lachen. ‘We zijn thuis.’ Loials gelach klonk als een loeiende stier. Hurin sloeg een kuitenflikker.
‘Je hebt het gedaan,’ zei Selene, zich nog verder naar hem toe buigend tot Rhand alleen nog maar haar gezicht kon zien. ‘Ik wist dat je het kon.’
Rhands gelach stierf weg. ‘Ik... ik neem aan dat ik het gedaan heb.’ Hij keek schuw naar de omgevallen Portaalsteen en slaagde erin zwakjes te lachen, ik wou maar dat ik wist wat ik heb gedaan.’ Selene keek hem diep in de ogen. ‘Misschien zul je het op een goede dag weten,’ zei ze zachtjes. ‘Je bent zeker voorbestemd grootse dingen te doen.’
Haar ogen leken zo donker en diep als de nacht, zo zacht als fluweel. Haar mond... Als ik haar kuste... Met knipperende ogen schoof hij haastig achteruit en schraapte zijn keel. ‘Selene, alsjeblieft, vertel dit aan niemand. Over de Portaalsteen en over mij. Ik begrijp het niet en iemand anders evenmin. Je weet hoe mensen zijn als ze iets niet begrijpen.’
Haar gezicht vertoonde geen enkele uitdrukking. Opeens wou hij maar dat Mart en Perijn er waren. Perijn wist hoe je met meisjes moest praten en Mart kon goed liegen met zijn eerlijke bruine ogen. Hij kon het allebei niet.
Opeens glimlachte Selene en maakte een half spottende knix. ‘Ik zal uw geheim bewaren, mijn heer Rhand Altor.’ Rhand keek haar even aan en schraapte opnieuw zijn keel. Is ze boos op me? Ze zou zeker boos zijn geweest als ik had geprobeerd haar te kussen. Denk ik. Hij wou maar dat ze hem niet aankeek alsof ze wist wat hij dacht. ‘Hurin! Is het misschien mogelijk dat de Duistervrienden deze Steen vóór ons hebben gebruikt?’ De snuiver schudde rouwig zijn hoofd. ‘Van hier af gezien trokken ze schuin naar het westen, heer Rhand. Tenzij die Portaalstenen vaker voorkomen, zou ik zeggen dat ze nog steeds in die andere wereld zijn. Maar ik kan er binnen een uur achterkomen. Het land hier is hetzelfde als daar. Ik kan de plek hier vinden waar ik daarginds het spoor heb verloren, als u begrijpt wat ik bedoel, en zien of ze er al voorbij zijn.’
Rhand wierp een blik op de lucht. De zon – een heerlijk sterke zon, helemaal niet bleek – stond al laag in het westen en strekte hun schaduwen over de kom. Over een uur zou het helemaal schemerig zijn. ‘Morgenochtend,’ zei hij. ‘Maar ik ben bang dat we ze kwijt zijn.’ We kunnen die dolk niet verliezen! We mogen het niet! ‘Selene, als dat het geval is, zullen we je morgen thuis brengen. Is dat in Cairhien zelf of...’
‘Misschien ben je de Hoorn van Valere nog niet kwijt,’ zei Selene langzaam. ‘Zoals je hebt gehoord, weet ik wel enkele dingen van die werelden.’
‘Spiegels van het Rad,’ zei Loial.
Ze keek hem aan en knikte toen. ‘Ja. Precies. Die werelden zijn in zekere zin echte spiegels, vooral die plaatsen waar geen mensen zijn. Sommige weerspiegelen alleen de grote gebeurtenissen van de echte wereld, maar andere hebben een schaduw van die weerkaatsing voordat de gebeurtenis zelf plaatsvindt. Het passeren van de Hoorn van Valere zou zeker een grote gebeurtenis zijn. Spiegelingen ervan zullen zwakker zijn dan spiegelingen van wat is of wat was, net zoals Hurin zei dat het spoor dat hij volgde maar zwak was.’ Hurin stond ongelovig met zijn ogen te knipperen. ‘Bedoelt u nu te zeggen, vrouwe, dat ik rook waar die Duistervrienden zullen komen? Het Licht helpe me, dat vind ik niet leuk. Het is al erg genoeg te ruiken waar geweld hééft plaatsgevonden, zonder dat ik ook nog eens opsnuif wat er gaat gebeuren. Er is geen plekje waar niet op een zekere dag geweld zal plaatsvinden. Ik zou er waarschijnlijk gek van worden. Die plaats waar we net vandaan komen, maakte me haast gek. Daar kon ik het voortdurend ruiken, dood en pijn en het smerigste kwaad dat je maar kunt bedenken. Ik kon het zelfs aan ons ruiken. Aan ieder van ons. Zelfs aan u, vrouwe, als u me mijn woorden wilt vergeven. Zo’n plaats was het daar, het maakte alles krom, net zoals het ons gezichtsveld vervormde.’ Hij rilde ervan. ‘Ik ben blij dat we daar weg zijn. Ik krijg het niet uit mijn neusgaten, niet helemaal.’
Rhand wreef verstrooid over het litteken op zijn handpalm. ‘Wat denk je, Loial? Kunnen we echt op Fajins Duistervrienden voor liggen?’
De Ogier haalde nadenkend zijn schouders op. ‘Ik weet het niet, Rhand. Ik weet hier helemaal niets van. Ik denk dat we terug zijn in onze wereld en ik denk dat we in Therins Dolk zijn. Verder...’ Weer trok hij de schouders op.
‘We zouden je naar huis moeten brengen, Selene,’ zei Rhand. ‘Je familie zal zich zorgen over je maken.’
‘Binnen enkele dagen weten we of ik gelijk heb,’ zei ze ongeduldig. ‘Hurin kan de plek vinden waar we het spoor verlieten. Dat heeft hij gezegd. We kunnen daar uitkijken. Het zal niet lang duren voor de Hoorn van Valere hier aankomt. De Hoorn van Valere, Rhand. Denk eens na. De man die de Hoorn blaast, zal voor altijd in de legenden voortleven.’
‘Ik wil met legenden niets te maken hebben,’ zei hij scherp. Maar als je de Duistervrienden laat ontsnappen... Stel je voor dat Ingtar ze is kwijtgeraakt. Dan hebben de Duistervrienden de Hoorn van Valere voor altijd en sterft Mart. ‘Goed, een paar dagen. Als het misgaat, zullen we waarschijnlijk Ingtar en de anderen vinden. Ik kan me niet voorstellen dat ze zijn gestopt of omgekeerd, omdat wij... wij weggingen.’
‘Een verstandig besluit, Rhand,’ zei Selene. ‘Goed beredeneerd.’ Ze raakte zijn arm aan en glimlachte, en hij merkte dat hij weer aan een kus stond te denken.
‘Eh... we moeten dichter bij de plek zijn waar ze zullen komen. Als ze komen. Hurin, kun je voor het donker een kampplek vinden, ergens waar we zicht hebben op het spoor dat we zijn kwijtgeraakt?’ Hij wierp een blik op de Portaalsteen en bedacht dat hij ernaast had geslapen, dacht aan de manier waarop de vorige keer de leegte tijdens zijn slaap in hem was gekomen en aan het licht in de leegte. ‘Een eind hier vandaan.’
‘Laat dat maar aan mij over, heer Rhand.’ De snuiver klauterde in het zadel, ik zweer dat ik nooit meer ga slapen zonder eerst uit te zoeken wat voor steen er staat.’
Toen Rhand Rood uit de kom liet wegrijden, merkte hij dat hij meer naar Selene zat te kijken dan naar Hurin. Ze leek zo koel en beheerst, niet ouder dan hij, net een koningin, maar als ze naar hem glimlachte, zoals ze daarnet deed... Egwene zou niet hebben gezegd dat ik verstandig was. Egwene zou me een wolkop hebben genoemd. Geërgerd spoorde hij Rood aan.
18
Naar de Witte Toren
Egwene hield zich onder een bewolkte hemel op het hellende dek in evenwicht terwijl de Rivierkoningin met bolle zeilen en een furieus wapperend vaandel van de Witte Vlam de brede Erinin afvoer. Zodra in Medo de laatsten aan boord waren gegaan, was de wind opgestoken en overdag en ’s nachts was die geen moment gaan liggen of gedraaid. De rivier was een vliedende stroom geworden die dreunend tegen de schepen klotste. Wind en stroom hadden niet afgelaten en de kleine vloot van dicht bijeen varende schepen had snel gevaren. De Rivierkoningin ging zoals het hoorde voorop, want het vaartuig had de Amyrlin Zetel aan boord.