De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Hij hoefde niet eens te denken aan wat er in de leegte op hem lag te wachten om zijn antwoord daarop te kennen, maar hij zei slechts: ‘Ik zal erover nadenken.’
‘Blijf die leegte van jou de hele tijd dragen, Rhand Altor, en je zult er toepassingen voor vinden die je nooit had verwacht.’
‘Ik zei dat ik erover zou nadenken.’ Ze wilde weer wat zeggen, maar hij was haar voor. ‘Je weet zoveel. Over de leegte – de Eenheid, noem je het. Over deze wereld. Loial leest voortdurend boeken; hij heeft meer boeken gelezen dan ik ooit heb gezien, maar over de Stenen heeft hij niet meer dan een los fragment gevonden.’ Selene richtte zich op in haar zadel. Opeens deed ze hem denken aan Moiraine en koningin Morgase als die boos waren. ‘Er is een boek over deze werelden geschreven,’ zei ze strak. ‘Spiegels van het Rad. Je moet weten dat de alantin niet alle bestaande boeken heeft gezien.’
‘Wat betekent dat alantin zoals jij hem noemt? Ik heb het nooit eerder gehoord...’
‘Daarginds is de Portaalsteen waarnaast ik wakker werd,’ zei Selene, wijzend naar de verre bergen ten oosten van hun pad. Rhand merkte dat hij terugverlangde naar haar warmte en haar glimlach. ‘Als je mij erheen brengt, kun je me naar huis terugbrengen, zoals je hebt beloofd. We kunnen er binnen een uur zijn.’
Rhand keek amper waar ze heen wees. Als hij haar naar de echte wereld wilde terugbrengen met behulp van de Steen – de Portaalsteen, noemde ze hem – hield dat in dat hij de Kracht moest geleiden. ‘Hurin. Hoe is het met het spoor?’
‘Zwakker dan ooit, heer Rhand, maar het is er nog steeds.’ De snuiver gunde zich de tijd voor een snelle grijns en een knikje naar Selene. ‘Ik denk dat het naar het westen begint af te buigen. Daar liggen enkele gemakkelijke passen, meer naar de punt van de Dolk, voor zover ik me herinner van die keer dat ik naar Cairhien ben gegaan.’ Rhand zuchtte. Fajin, of een van zijn Duistervrienden, moet een andere manier kennen om de Stenen te gebruiken. Een Duistervriend zou de Kracht niet kunnen gebruiken, ik moet de Hoorn volgen, Selene.’
‘Hoe weet je of die kostbare Hoorn van jou wel echt in deze wereld is? Ga met me mee, Rhand. Je zult je legende vinden, dat beloof ik je. Ga met me mee.’
‘Je kunt de Steen, die Portaalsteen, zelf gebruiken,’ zei hij boos. Nog voor de woorden zijn mond uit waren, wilde hij ze al inslikken. Waarom moest ze steeds maar weer over legenden praten? Koppig dwong hij zichzelf verder te gaan. ‘De Portaalsteen heeft je hier niet uit zichzelf heen gebracht. Dat deed jij zelf, Selene. Als je ervoor hebt gezorgd dat de Steen je hierheen haalde, dan kun je er ook voor zorgen dat hij je terugbrengt. Ik zal je ernaartoe brengen, maar dan moet ik weer verder, de Hoorn achterna.’
‘Ik weet niet hoe ik een Portaalsteen moet gebruiken, Rhand. Als ik iets heb gedaan, weet ik niet wat dat was.’
Rhand keek haar aan. Ze zat in het zadel, rechtop en lang, even koninklijk als eerst, maar op de een of andere manier toch zachter. Trots en toch kwetsbaar, en ze had hem nodig. Hij had haar op Nynaeves leeftijd geschat – een handvol jaren ouder dan hij – maar hij had het mis, besefte hij. Ze was meer van zijn leeftijd, en knap, en ze had hem nodig. De gedachte, enkel de gedachte aan de leegte flikkerde door zijn hoofd en de gedachte aan het licht. Saidin. Om de Portaalsteen te gebruiken, moest hij zich weer in dat vuil onderdompelen.
‘Blijf bij me, Selene,’ zei hij. ‘We zullen de Hoorn vinden en Marts dolk en we zullen een weg terug vinden. Ik beloof het. Blijf gewoon bij me.’
‘Je bent altijd...’ Selene haalde diep adem alsof ze kalmer wilde worden. ‘Je bent altijd koppig geweest. Nou, ik kan een koppige man best waarderen. Een man die al te volgzaam is, is amper boeiend.’ Rhand kleurde. Dat leek heel veel op wat Egwene soms zei, maar zij waren bijna vanaf hun kindertijd voorbestemd om te trouwen. Zulke woorden van Selene, gevoegd bij haar rechtstreekse blik, waren een schok. Hij wendde zich naar Hurin om hem te zeggen het spoor verder te volgen toen achter hen een kuchend gegrom klonk. Voor Rhand Rood kon wenden om te kijken, klonk er opnieuw gegrom. Eerst viel hem niets op in dat schuivende landschap voor zijn ogen, maar toen zag hij ze tussen de ver uiteenliggende boompartijen net over een heuvel trekken. Het leken vijf gestalten, slechts een halve span ver, duizend pas op zijn hoogst, en ze kwamen eraan met dertig voet lange sprongen.
‘Grolms,’ zei Selene kalm. ‘Een kleine troep, maar het lijkt erop dat ze onze geur hebben.’
17
Keuzes
‘Laten we er snel vandoor gaan,’ zei Rhand. ‘Hurin, verlies je het spoor als we snel rijden?’
‘Nee, heer Rhand.’
‘Opschieten dan. We gaan...’
‘Dat helpt niets,’ zei Selene. Haar witte merrie was de enige die niet opzij danste voor het rauwe grolmgeblaf. ‘Ze geven het niet op, nooit. Als grolms eenmaal je geur te pakken hebben, blijven ze komen, dag en nacht, tot ze je gevonden hebben. Je moet ze allemaal doden of een manier vinden om ergens anders heen te gaan. Rhand, de Portaalsteen kan ons hier vandaan halen.’
‘Nee! We kunnen ze doden. Ik kan het. Ik heb er al een gedood. Het zijn er maar vijf. Als ik maar een...’ Hij keek rond om een plek te vinden die hij kon gebruiken en vond er een. ‘Volg me!’ Hij dreef zijn hielen fel in Roods flanken om hem aan te zetten tot een draf en vertrouwde er zonder om te kijken op dat de anderen hem volgden.
De plek die hij had gekozen, was een lage, ronde heuvel zonder bomen. Niets kon in de buurt komen zonder dat hij het zag. Hij zwaaide zich uit het zadel en trok de grote boog over zijn schouders. Loial en Hurin kwamen naast hem staan; de Ogier hield zijn enorme vechtstok gereed, de snuiver zijn hartsvanger. Vechtstok en hartsvanger zouden niet veel nut hebben als de grolms te dichtbij kwamen. Zo dichtbij Iaat ik ze niet komen.
‘We hoeven dit gevaar niet te lopen,’ zei Selene. Ze keek amper naar de grolms, maar zat voorover in haar zadel, een en al aandacht op Rhand. ‘We kunnen met gemak eerder bij de Portaalsteen zijn dan die beesten.’
‘Ik hou ze tegen.’ Haastig telde Rhand hoeveel pijlen er nog in de koker zaten. Achttien, elk zo lang als zijn arm, tien ervan met punten als beitels, ontworpen om door een Trollokharnas heen te dringen. Ze zouden bij de grolms net zo van pas komen als bij Trolloks. Vier ervan stak hij rechtop in de grond vlak voor zich, de vijfde legde hij aan. ‘Loial, Hurin, jullie kunnen hier te voet weinig nuttigs doen. Stijg op en hou je klaar om Selene naar de Steen te brengen als ze erdoorheen komen.’ Hij vroeg zich af of hij een van die monsters met zijn zwaard kon doden als het erop aankwam. Je bént gek! Zelfs de Kracht is niet zo erg als dit.
Loial zei iets, maar hij hoorde het niet. Hij zocht de leegte al, zowel om aan zijn eigen gedachten te ontsnappen als uit noodzaak. Je weet wat daar op je ligt te wachten. Maar op deze manier hoef ik het niet aan te raken. De gloed was er, het licht net te zien. Het leek naar hem toe te stromen, maar de leegte was alles. Gedachten sprongen over het oppervlak van de leegte, zichtbaar in dat groezelige licht. Saidin. De Ene Kracht. Waanzin. Dood. Gedachten buiten hem. Hij was één met de boog, met de pijl, met de dingen die boven aan de helling voor hem verschenen.
De grolms kwamen eraan, elkaar inhalend tijdens hun sprongen, vijf grote leerachtige gestalten met drie ogen en wijd open hoornen muilen. Hun grommend geroep kaatste op de leegte af en werd amper gehoord.
Rhand was er zich niet van bewust dat hij zijn boog ophief, dat hij de veer tegen zijn wang legde, vlak bij zijn oor. Hij was één met de beesten, één met het middelste oog van de voorste. Toen was de pijl weg. De eerste grolm stierf; een ander besprong hem toen hij viel, de snavelbek scheurde hompen vlees weg. Hij grauwde de anderen toe en die renden er met een ruime boog omheen. Maar ze kwamen dichterbij en alsof de etende grolm gedwongen werd, liet hij zijn maal in de steek en sprong achter de anderen aan terwijl zijn hoornen muil droop van het bloed.