De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Nynaeve bleef haar nog wat langer aankijken en knikte toen. Opeens grimaste ze. ‘Licht, ik dacht dat er niets smeriger smaakte dan rauwe schapentongwortel. Ik onthoud het voor de volgende keer dat je het domme gansje uithangt, dus pas op je tellen.’ Egwene kromp in elkaar. Dat was het eerste geweest wat de Amyrlin had gedaan om Nynaeve driftig te maken. Er was opeens een klodder donker spul verschenen dat vettig glom en smerig rook en terwijl de Amyrlin Nynaeve met de Ene Kracht vasthield, had ze dat spul in de mond van de Wijsheid geperst. De Amyrlin had zelfs haar neus dichtgeknepen om haar te dwingen het door te slikken. En Nynaeve herinnerde zich dingen die ze maar éénmaal had gezien. Egwene dacht niet dat iets haar kon tegenhouden als ze ergens haar zinnen op had gezet. Ook al kon ze nog zo goed een vlammetje laten dansen, zij had de Amyrlin nooit tegen een muur kunnen persen. ‘Nou ja, je bent in ieder geval niet meer ziek van deze boot.’ Nynaeve gromde en lachte toen scherp en kort. ‘Ik ben te boos om ziek te zijn.’ Na een tweede vreugdeloze lach schudde ze haar hoofd. ‘Ik voel me te ellendig om ziek te zijn. Licht, ik voel me alsof ik door een knoopsgat heen ben getrokken. Als de opleiding van Novices zo is, zul je genoeg reden hebben alles snel te leren.’ Egwene sloeg haar ogen neer. Vergeleken met Nynaeve had de Amyrlin haar slechts aangemoedigd, om haar successen geglimlacht, met haar mislukkingen meegeleefd en haar dan weer aangemoedigd. Maar alle Aes Sedai hadden gezegd dat het in de Witte Toren heel anders zou zijn, hoewel ze niet wilden vertellen hoe. Als zij elke dag
moest doorstaan wat Nynaeve net had beleefd, dacht ze dat ze het niet zou volhouden.
Er veranderde iets in de scheepsbewegingen. Het gewiebel stopte en op het dek boven hun hoofd stampten voeten rond. Een man riep iets wat Egwene niet kon verstaan. Ze keek op naar Nynaeve. ‘Denk je dat... Tar Valon?’
‘We kunnen het maar op één manier te weten komen,’ antwoordde Nynaeve, terwijl ze vastbesloten haar mantel van de haak pakte. Toen ze op het dek kwamen, holden overal schepelingen rond, die touwen aantrokken, zeilen inhaalden en lange roeiriemen klaarhielden. De wind was afgenomen tot een briesje en de wolken braken open.
Egwene rende naar de omheining. ‘Ja! Tar Valon!’ Nynaeve kwam naast haar staan, met een uitdrukkingsloos gezicht. Het eiland was zo groot dat het meer leek of de rivier zich vertakte. Bruggen die van kant leken gemaakt, bogen zich van beide oevers naar het eiland en overbrugden zowel moerasland als rivier. De muren van de stad, de Glanzende Muren van Tar Valon, glinsterden wit toen de zon door de wolken heen brak. Op de westoever kringelde een dunne rookpluim uit een gekartelde bergtop. De Drakenberg stak zwart af tegen de hemel, een eenzame berg midden in het laagland en een golvend heuvellandschap. De Drakenberg, waar de Draak was gestorven. De Drakenberg, ontstaan door de dood van de Draak. Egwene wou maar dat ze niet aan Rhand hoefde te denken als ze naar de berg keek. Een man die kan geleiden. Licht, help hem. De Rivierkoningin voer door een brede opening in een hoge, ronde muur die in de rivier stak. Binnen omringde één lange kade een ronde haven. Bootslieden rolden de laatste zeilen op en gebruikten alleen riemen om het schip aan de achtersteven af te meren. Aan de lange kade werden de andere schepen die de rivier af waren gezakt, op hun ligplaats tussen de afgemeerde schepen vastgelegd. Het vaandel met de Witte Vlam zorgde ervoor dat overal in de reeds drukke haven de werklui nog harder gingen werken.
Nog voor de meertouwen vastlagen, kwam de Amyrlin op het dek en de dokwerkers legden een loopplank voor haar klaar. Leane liep naast haar, met de gevlamde staf in de hand, en de andere Aes Sedai stapten na hen aan wal. Geen enkele Aes Sedai keurde Egwene of Nynaeve ook maar een blik waardig. Op de kade werd de Amyrlin Zetel begroet door een afvaardiging Aes Sedai met stola’s; de vrouwen bogen vormelijk en kusten haar ring. De kade bruiste van de drukte door het lossen van de schepen en de aankomst van de Amyrlin Zetel. Soldaten stonden in het gelid voor ontscheping, mannen stelden kranen op voor de lading. Trompetgeschal schetterde tegen de muren en streed met het gejuich van de toeschouwers. Nynaeve snoof luid. ‘Ze lijken ons vergeten te zijn. Kom mee. Wij zorgen wel voor onszelf.’
Egwene aarzelde, want ze wilde graag nog langer over Tar Valon uitkijken, maar ze volgde Nynaeve benedendeks om hun spullen te halen. Toen ze met de pakken in hun arm weer boven kwamen, waren de soldaten en trompetten verdwenen – en de Aes Sedai eveneens. Mannen gooiden dekluiken open en lieten kabels in het ruim zakken.
Op het dek greep Nynaeve de arm van een dokwerker, een robuuste kerel in een grof bruin hemd zonder mouwen. ‘Onze paarden?’ begon ze.
‘Ik heb het druk,’ gromde hij terwijl hij zich lostrok. ‘Paarden worden allemaal naar de Witte Toren gebracht.’ Hij nam hen van boven tot onder op. ‘Als jullie iets met de Toren hebben af te handelen, kun je er maar beter vlug heen gaan. De Aes Sedai hebben het niet zo begrepen op slome nieuwelingen.’ Een andere man, worstelend met een baal die net aan een kabel uit het ruim werd gehesen, schreeuwde hem toe en hij draaide de twee vrouwen de rug toe om zijn maat te gaan helpen.
Egwene keek naar Nynaeve. Het leek of ze echt op eigen benen stonden.
Nynaeve liep met een grimmig gezicht de kade op, maar Egwene zocht zich terneergeslagen een weg over de loopplank en door de teerlucht op de kade. Al dat gepraat over ons bier willen hebben en nu lijken ze er niets om te geven.
Brede trappen leidden uit de haven naar een wijde halve cirkel van donkere roodsteen. Toen ze die bereikten, bleven Nynaeve en Egwene met open mond staan kijken.
Ieder gebouw leek een paleis, hoewel aan de uithangborden te zien was dat veel gebouwen aan het ronde havenfront herbergen of winkels huisvestten. Overal was prachtig metselwerk zichtbaar en de lijnen van een gebouw leken ontworpen om het vorige aan te vullen en over te gaan in het volgende gebouw. Ze trokken het oog mee alsof alles onderdeel uitmaakte van één groots ontwerp. Sommige bouwwerken leken in niets op gebouwen; het waren meer enorme brekende golven, geweldige schelpen of schitterende, door de wind gevormde rotsklippen. Recht voor hen in de boog lag een groot plein, met een fontein en bomen, en verderop zag Egwene nog een ander plein. Boven dit alles verrezen de torens, hoog en sierlijk, sommige met verbindende boogbruggen hoog in de lucht. En boven alles uit rees een toren op die hoger en breder was dan alle andere, even wit ais de Glanzende Muren zelf.
‘De schoonheid beneemt je bij de eerste blik de adem,’ zei een vrouw achter hen. ‘De tiende keer trouwens ook. En de honderdste.’ Egwene draaide zich om. De vrouw was een Aes Sedai, daar was Egwene zeker van, hoewel ze geen stola droeg. Niemand anders bezat dat tijdloze uiterlijk en die zelfverzekerde houding. Een blik op haar hand toonde de gouden ring, het serpent dat in zijn eigen staart beet. De Aes Sedai was een beetje plomp, maar ze glimlachte warm. Egwene had nog nooit een vrouw gezien die er zo vreemd uitzag. Haar plompheid kon haar hoge jukbeenderen niet verbergen. Haar ogen stonden een tikkeltje schuin en waren heel licht en bleekgroen, en haar haren hadden bijna de kleur van vuur. Egwene kon nog net voorkomen dat ze met open mond naar dat haar en die licht schuinstaande ogen stond te gapen.
‘Uiteraard door de Ogier gebouwd,’ vervolgde de Aes Sedai, ‘en volgens sommigen hun fraaiste werk. Een van de eerste steden die na het Breken werden gebouwd. Er woonden hier toen nog geen vijfhonderd mensen – niet meer dan twintig zusters – maar zij bouwden voor wat eenmaal nodig zou zijn.’
‘Een prachtige stad,’ zei Nynaeve. ‘We worden verondersteld naar de Witte Toren te gaan. We zijn hier voor de opleiding, maar niemand lijkt er om te geven of we weggaan of blijven.’
‘Ze geven er wel om,’ zei de vrouw glimlachend. ‘Ik ben hier voor jullie, maar ik werd opgehouden door een gesprek met de Amyrlin. Ik ben Sheriam, de Meesteresse der Novices.’