De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ik heb er nooit eerder bij stil gestaan,’ zei Loial onverwachts, het klonk of hij in zichzelf praatte, ‘maar als er zoiets bestaat als volmaakte menselijke schoonheid, wat gezicht of gestalte betreft, dan zou u...’
‘Loial!’ riep Rhand. De oren van de Ogier verstrakten verlegen. Rhands eigen oren waren rood. De woorden van Loial leken te veel op zijn eigen gedachten.
De vrouw liet een muzikaal lachje horen, maar het volgende moment werd ze zo vormelijk als een koningin op haar troon, ik word Selene genoemd,’ zei ze. ‘U hebt uw leven gewaagd en dat van mij gered. Ik ben de uwe, heer Rhand Altor.’ En tot afgrijzen van Rhand knielde ze voor hem neer.
Hij keek niet naar Hurin of Loial, maar liet haar haastig overeind komen. ‘Een man die niet wil sterven om een vrouw te redden, is geen man.’ Onmiddellijk zette hij zichzelf voor gek door te blozen. Het was een Shienaraanse uitdrukking en al voor hij was uitgesproken, wist hij dat het opschepperig klonk, maar haar wijze van doen had hem beïnvloed en hij had zich niet kunnen bedwingen, ik bedoel... ik bedoel... het was...’ Stommeling, je kunt niet tegen een vrouw zeggen dat het redden van haar leven niets betekende. ‘Het was mijn eer.’ Dat klonk een beetje Shienaraans en beleefd. Hij hoopte dat het genoeg zou zijn; zijn geest was te leeg om iets anders te verzinnen, alsof hij nog in de leegte verkeerde. Opeens besefte hij dat zij haar ogen op hem had gericht. Haar gezicht stond niet anders, maar haar donkere ogen gaven hem het gevoel dat hij naakt was. Uit het niets doemde een beeld op van Selene zonder kleren. Zijn gezicht werd weer rood. ‘Ach! Eh, waar komt u vandaan, Selene? We hebben nog geen mens ontmoet sinds we hier zijn. Is uw stad dichtbij?’ Ze keek hem bedachtzaam aan en hij stapte achteruit. Haar ogen deden hem maar al te goed beseffen hoe dicht hij bij haar stond.
‘Ik kom niet uit deze wereld, mijn heer,’ zei ze. ‘Er leven hier geen mensen. Niets behalve grolms en enkele andere schepsels als zij. Ik kom uit Cairhien. En hoe ik hier ben gekomen... ik weet het niet precies. Ik was een ritje aan het maken en stopte om even te rusten en toen ik wakker werd, waren mijn paard en ik hier. Ik mag slechts hopen, mijn heer, dat u me opnieuw kunt redden en mij thuis kunt brengen.’
‘Selene, ik ben geen... eh... noem me alsjeblieft Rhand.’ Zijn oren gloeiden weer. Licht, er steekt geen kwaad in als zij denkt dat ik een heer ben. Bloedvuur, het doet niemand kwaad. ‘Als je dat wilt... Rhand.’ Haar glimlach kneep zijn keel dicht. ‘Zul je me helpen?’
‘Natuurlijk zal ik dat.’ Bloedvuur, ze is beeldschoon. En ze kijkt me aan of ik een held uit een verhaal ben. Hij schudde even zijn hoofd om de dwaasheid eruit te krijgen. ‘Maar eerst moeten we de mannen vinden die we volgen. Ik zal proberen je buiten gevaar te houden, maar we moeten ze vinden. Je kunt beter met ons meegaan dan hier alleen achterblijven.’
Heel even bleef ze stil, haar gezicht nietszeggend effen; Rhand had geen idee waar ze aan dacht, behalve dat ze hem opnieuw grondig leek te bekijken. ‘Een man van plicht,’ zei ze ten slotte. Een klein glimlachje sierde haar lippen. ‘Daar hou ik van. Ja. Wat voor schoelje volg je?’
‘Duistervrienden en Trolloks, mijn vrouwe,’ barstte Hurin los. Hij maakte in zijn zadel een onhandige buiging. ‘Ze hebben in de burcht van Fal Dara gemoord en de Hoorn van Valere gestolen, mijn vrouwe, maar heer Rhand zal hem terughalen.’
Rhand staarde de snuiver triest aan, Hurin grijnsde zwakjes. Als je iets geheim wilde houden... Het was hier niet van belang, dacht hij, maar zodra ze terug in hun eigen wereld waren... ‘Selene, je mag niemand iets over de Hoorn zeggen. Als dat uitlekt, zullen we worden opgejaagd door honderden mensen die de Hoorn voor zichzelf willen houden.’
‘Nee, het zou niet best zijn,’ zei Selene, ‘als die in verkeerde handen valt. De Hoorn van Valere! Ik kan je niet zeggen hoe vaak ik ervan heb gedroomd die aan te raken, hem met eigen handen vast te houden. Je moet me beloven dat ik hem even mag aanraken als je hem hebt gevonden.’
‘Voor ik dat kan, moet ik hem toch eerst hebben. We kunnen maar beter op pad gaan.’ Rhand bood haar een hand om op te stijgen en Hurin liet zich van zijn paard vallen om de stijgbeugel vast te houden. ‘Wat ik ook heb neergeschoten – een grolm? – er kunnen er nog meer in de buurt zijn.’ Haar hand was stevig. Er lag een verrassende kracht in haar greep en haar huid voelde aan als... zijde? Nee zachter, gladder. Rhand beefde.
‘Die zijn er altijd,’ zei Selene. De grote witte merrie dartelde opzij en ontblootte eenmaal haar tanden naar Rhand, maar toen Selene de teugels pakte, werd ze rustig.
Rhand sloeg zijn boog om en besteeg Rood. Licht, hoe kan iemands huid zo zacht zijni ‘Hurin, waar is het spoor? Hurin? Hurin!’ De snuiver schrok op en staarde Selene niet langer aan. ‘Ja, heer Rhand. Eh... ja, het spoor. Naar het zuiden, mijn heer. Nog steeds zuid.’
‘Laten we dan gaan.’ Rhand keek verontrust naar de grijsgroene grolm, die in het water lag. Het was beter geweest toen ze nog dachten dat ze de enige levende wezens in deze wereld waren. ‘Volg het spoor, Hurin.’
Selene reed naast Rhand, praatte honderd uit, stelde hem vragen en noemde hem heer. Zeker vijf keer stond hij op het punt haar te vertellen dat hij geen heer was maar een schaapherder, maar dan keek hij naar haar en kon hij de woorden niet over zijn lippen krijgen. Een vrouwe als zij zou zeker niet op die manier met een schaapherder praten, zelfs niet met eentje die haar leven had gered. ‘Je zult een groot man zijn als je de Hoorn van Valere hebt gevonden,’ zei ze tegen hem. ‘Een man voor de legenden. De man die dat doet, schrijft zijn eigen legenden.’
‘Ik wil hem niet laten schallen en ik wil in geen enkel verhaal een rol spelen.’ Hij wist niet of ze reukwater op had, maar er hing een bepaalde geur om haar heen, iets waardoor hij alleen nog maar aan haar dacht. Scherpe en zoete kruiden prikkelden zijn neus en lieten hem slikken.
‘Iedere man wil groot zijn. Jij kunt de grootste man van alle eeuwen zijn.’
Dat klonk te veel naar wat Moiraine had gezegd. De Herrezen Draak zou zeker in elke eeuw opvallen, ik niet,’ zei hij vurig, ik ben enkel...’ – hij dacht aan haar spot als hij haar nu vertelde dat hij slechts schapen hoedde nadat hij haar eerst had laten geloven dat hij een heer was, en veranderde wat hij wilde zeggen – ‘ernaar op zoek. En ik wil een vriend helpen.’
Ze was even stil en zei toen: ‘Je hebt je hand bezeerd.’
‘Het is niet erg.’ Hij wilde zijn gewonde hand in zijn jas steken – hij klopte door het vasthouden van de teugels – maar ze trok hem naar zich toe.
Hij was zo verrast dat hij haar liet begaan en toen viel er niets meer aan te doen. Hij moest of zijn hand ruw wegrukken of haar de doek er laten afhalen. Haar aanraking voelde koel en zeker. Zijn handpalm was vurig rood en opgezet, maar de reiger was duidelijk te zien, in scherp afgetekende lijnen.
Ze raakte de brandwond met één vinger aan, maar zei er niets over en vroeg hem zelfs niet hoe hij de wond had opgelopen. ‘Je hand wordt stijf als je hem niet verzorgt. Ik heb een middeltje dat helpt.’ Ze viste een klein stenen flesje uit haar mantelzak, haalde de stop eraf en begon al rijdend zachtjes een wit smeersel over de brandwond te strijken.
Het zalfje voelde eerst koud aan en leek toen warm in zijn huid door te dringen. En het werkte net zo goed als de zalfjes van Nynaeve. Hij zat verbaasd te kijken hoe de rode zwelling van de huid onder haar strelende vingers verminderde.
‘Sommige mannen,’ zei ze, zonder haar ogen van zijn hand af te nemen, ‘verkiezen het grootsheid te zoeken, terwijl anderen ertoe worden gedwongen. Een keus is beter dan dwang. Een man onder dwang wordt nooit geheel zijn eigen baas. Hij moet dansen aan de touwtjes van hen die hem dwingen.’