De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Heer Rhand,’ zei Hurin opeens. ‘Daar beneden bewoog iets.’ Rhand wendde zijn paard en verwachtte aanvallende Trolloks te zien, maar Hurin wees over hun spoor terug zonder dat hij iets zag. ‘Wat heb je gezien, Hurin? Waar?’
De snuiver liet zijn arm zakken. ‘Precies aan de rand van dat stel bomen daar, ongeveer een span verder. Ik dacht... een vrouw... en nog iets wat ik niet goed zag, maar...’ Hij huiverde. ‘Het is moeilijk hier iets goed te zien wat zich niet vlak bij je bevindt. Bah, deze plek maakt mijn maag totaal van streek. Waarschijnlijk verbeeld ik me dingen, heer. Dit is een plek van vreemde dromen.’ Zijn schouders zakten alsof hij het gewicht van de spits op zich voelde drukken. ‘Het zal de wind wel zijn geweest, heer?’
Loial zei: ik ben bang dat we eens goed over iets anders moeten nadenken.’ Hij klonk weer verontrust. Hij wees naar het zuiden. ‘Wat zien jullie daarginds?’
Rhand kneep zijn ogen samen vanwege de manier waarop verre dingen naar hem toe schenen te glijden. ‘Land zoals achter ons ligt. Bomen. Dan enkele heuvels en bergen. Verder niets. Wat moet ik dan zien?’
‘De bergen,’ zuchtte Loial. De toefjes op zijn oren hingen droef omlaag en de punten van zijn wenkbrauwen streken langs zijn wangen. ‘Dat moet Therins Dolk zijn, Rhand. Er is geen andere bergketen, behalve die, tenzij deze wereld heel anders is als die van ons. Maar Therins Dolk ligt ruim honderd roede ten zuiden van de Erinin. Heel wat meer. Op deze plaats zijn afstanden moeilijk te schatten, maar... Ik denk dat we er voor het donker kunnen zijn.’ Meer hoefde hij niet te zeggen. Ze hadden in amper drie dagen zeker geen honderd roede kunnen afleggen.
Rhand flapte eruit: ‘Misschien is deze plaats net als de saidinwegen.’ Hij hoorde Hurin kreunen en betreurde ogenblikkelijk dat hij zijn tong niet in bedwang had gehouden.
Het was geen prettige gedachte. Ga een saidinpoort door – ze konden net buiten een stedding in een Ogiergaarde worden gevonden – ga naar binnen, loop een dag en wanneer je uit een andere poort stapt, kun je honderd roede van de plaats van vertrek zijn. De saidinwegen waren nu donker en gevaarlijk en een reiziger kon daar door de waanzin of de dood worden ingehaald. Zelfs de Myrddraal vreesden deze wegen.
‘Als dat zo is, Rhand,’ zei Loial langzaam, ‘kan een verkeerde stap hier ook onze dood betekenen. Leven hier nog onbekende wezens die nog ergere dingen kunnen doen dan ons doden?’ Hurin kreunde opnieuw.
Ze hadden het water gedronken, hadden hier gereden alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Op de saidinwegen leidde zorgeloosheid tot een snelle dood. Rhand slikte en hoopte dat zijn maag vlug tot bedaren zou komen.
‘Het is te laat om ons zorgen te maken over wat gebeurd is,’ zei hij. ‘Maar van nu af aan zullen we goed uitkijken.’ Hij wierp een blik op Hurin. Het hoofd van de snuiver was tussen zijn schouders gezakt en zijn ogen schoten heen en weer, alsof hij zich afvroeg wat hem zou bespringen en van welke kant het zou komen. De man had moordenaars opgespoord, maar op zoiets had hij niet gerekend. ‘Beheers je, Hurin. We zijn nog niet dood en dat gebeurt ook niet. Van nu af moeten we gewoon voorzichtig zijn, dat is alles.’ Op dat moment hoorden ze de gil, ijl door de afstand. ‘Een vrouw!’ riep Hurin uit. Zelfs zoiets kleins en gewoons leek hem moed te geven, ik wist het, ik zag...’
Weer klonk er een schreeuw, maar nu wanhopiger dan de eerste keer. ‘Alleen als ze kan vliegen...’ zei Rhand. ‘Ze is ten zuiden van ons.’ Hij spoorde Rood met twee sprongen aan tot een galop. ‘Wees voorzichtig, zei je!’ riep Loial hem na. ‘Licht, Rhand, denk na! Wees voorzichtig!’
Rhand lag laag over Roods nek gebogen en liet de hengst rennen. Het gillen dreef hem voort. Voorzichtig zijn was gauw gezegd, maar in die vrouwenstem had doodsangst doorgeklonken. Het klonk niet of ze hem rijd gunde om voorzichtig te zijn. Aan de rand van een ander beekje, in een droge bedding met brede oevers die dieper was dan anders, trok hij de teugels aan. Rood kwam glijdend tot stilstand in een hagel van steen en grond. Het gillen kwam van... Daar! Hij nam alles in één oogopslag op. Misschien zo’n tweehonderd pas verder stond de vrouw naast haar paard in het water en beiden drukten zich tegen de andere oever. Met een afgebroken tak hield ze een grauwend... iets op afstand. Rhand slikte en was even stomverbaasd. Als een kikker zo groot was als een beer of als een beer het grijsgroene vel van een kikker had, dan zou hij er zo uitzien. Een grote beer.
Met opzet onderdrukte hij elke gedachte aan het schepsel, sprong op de grond en haalde zijn boog te voorschijn. Hij maakte zich klaar. Als hij de tijd nam wat dichterbij te rijden, kon het te laat zijn. Met de punt van de tak hield de vrouw dat... ding nauwelijks van zich af. De afstand was redelijk. Hij bleef met zijn ogen knipperen toen hij trachtte die te schatten. Bij elke beweging van dat beest leek de afstand te veranderen, maar het was een groot doelwit. Door zijn verbonden hand ging het trekken onhandig, maar hij schoot een pijl af zodra hij zijn voeten stevig had neergeplant. De schacht drong tot de helft door in de leerachtige huid en het schepsel draaide zich snel om en keek Rhand aan. Ondanks de afstand deed Rhand een pas naar achteren. Die enorme, wigvormige kop had nooit op enig dier gezeten dat hij zich kon voorstellen. En evenmin die brede gebogen hoornlipsnavel, waarmee het vlees zou worden verscheurd. Het had drie ogen, klein en woest, in een harde rand. Hij vermande zichzelf terwijl het ding met grote spattende stappen door het water op hem toe hupte. In Rhands ogen leken sommige sprongen wel tweemaal zo lang als de andere, hoewel hij er zeker van was dat ze allemaal hetzelfde waren.
‘Een oog!’ riep de vrouw. Het klonk verrassend rustig, als hij aan haar gegil dacht. ‘U moet een oog raken om het te doden.’ Hij trok de veren van de volgende pijl tot aan zijn oor. Aarzelend zocht hij de leegte; hij wilde niet, maar Tham had hem dat hiervoor bijgebracht en hij wist dat hij het oog zonder die leegte nooit zou kunnen raken. Mijn vader, dacht hij met een gevoel van verlies en de leegte vulde hem. Het flakkerlicht van saidin was er, maar hij onderdrukte het. Hij was één met de boog, met de pijl, met de monsterachtige kolos die op hem afsprong. Eén met het kleine oog. Hij voelde de pijl niet eens wegspringen.
Het schepsel maakte een volgende sprong en de pijl raakte het op het hoogste punt in het middelste oog. Het ding viel neer en een fontein van water en modder spatte hoog op. Rimpelingen kabbelden rond, maar het ding bewoog zich niet.
‘Een goed schot, en dapper!’ riep de vrouw. Ze zat op haar paard en reed naar hem toe. Rhand voelde een vage verbazing dat ze niet was weggereden toen de aandacht van dat ding was afgeleid. Ze reed het kadaver voorbij, dat nog steeds werd omringd door de rimpelingen van zijn dood. Ze keurde het geen blik waardig, liet haar paard tegen de oever opklauteren en stapte af. ‘Weinig mannen kunnen een aanvallende grolm kalm het hoofd bieden, heer.’ Ze was geheel in het wit, haar rok gesplitst voor het rijden, en droeg een zilveren ceintuur. De laarzen die onder de zoom vandaan gluurden, waren eveneens afgezet met zilver. Zelfs haar zadel was wit en beslagen met zilver. Haar schimmelmerrie met de gebogen nek en parmantige tred was bijna even groot als Rhands vos. Maar het was de vrouw zelf – ongeveer even oud als Nynaeve, dacht hij – die zijn blik ving. Om te beginnen was ze lang en ze kon hem recht in de ogen kijken. Verder was ze heel knap. Haar ivoorblanke huid vormde een scherpe tegenstelling met haar lange, pikzwarte haren en donkere ogen. Hij had al eerder mooie vrouwen gezien. Moiraine was mooi, zij het wat koel, en ook Nynaeve was mooi, als haar boze buien tenminste niet de overhand kregen. Egwene en Elayne, de erfdochter van Andor, waren voor elke man adembenemend. Maar deze vrouw... Zijn tong plakte aan zijn gehemelte; hij voelde hoe zijn hart begon te bonzen. ‘Uw knechten, heer?’
Geschrokken keek hij om. Hurin en Loial waren erbij gekomen. Hurin zat net zo te staren als Rhand had gedaan en zelfs de Ogier ging helemaal in haar schoonheid op. ‘Mijn vrienden,’ zei hij. ‘Loial en Hurin. Mijn naam is Rhand. Rhand Altor.’