De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Loial was zich net aan het uitrekken, maar stopte opeens, terwijl zijn handen even hoog reikten als die van Hurin als die op Rhands schouders had gestaan. ‘Je hand, Rhand. Wat is er gebeurd?’ ik heb me verwond. Niet belangrijk.’ ik heb een zalfje in mijn zadeltassen...’
‘Het is niet belangrijk!’ Rhand wist dat het ruw klonk, maar een blik op het brandmerk zou zeker vragen opwerpen die hij niet wenste te beantwoorden. ‘We verknoeien onze tijd. Laten we op pad gaan.’ Hij begon onhandig Rood met zijn gewonde hand te zadelen en Hurin snelde op zijn eigen paard af.
‘Je hoeft niet zo geprikkeld te doen,’ mompelde Loial. Een spoor, bedacht Rhand toen ze vertrokken, zou iets natuurlijks zijn in deze wereld. Er bestonden hier te veel onnatuurlijke dingen. Zelfs een eenzame hoefafdruk zou welkom zijn. Fajin en zijn Duistervrienden en Trolloks hadden toch iets zichtbaars moeten achterlaten. Hij richtte zijn aandacht op de grond onder hen en probeerde iets te ontdekken wat door een levend wezen gemaakt had kunnen zijn.
Er was niets, nog geen omgevallen steen, nog geen losgetrapte kluit aarde. Eenmaal keek hij naar de grond achter zich, gewoon om er zeker van te zijn dat de grond hoefafdrukken vertoonde. De omwoelde grond en het gebogen gras lieten duidelijk zien dat ze daar hadden gereden, maar de grond voor hen lag er onaangeraakt bij. Toch bleef Hurin volhouden dat hij het spoor kon ruiken, zwak en ijl, maar nog steeds richting zuid.
Wederom schonk de snuiver alle aandacht aan het spoor dat hij volgde, zoals een hond een hertenspoor volgt, en wederom reed Loial in gedachten verzonken mee, in zichzelf mompelend en langs de dikke vechtstok strijkend, die hij dwars voor zich op het zadel liet rusten. Ze hadden nog maar een uurtje gereden toen Rhand de piek voor hen opmerkte. Hij had zo intens naar sporen gezocht, dat de spitse zuil al hoog boven de nabije bomen uitstak toen hij hem voor het eerst zag. ‘Ik vraag me af wat dat is.’ De zuil lag precies op hun pad. ‘Ik weet niet wat dat kan zijn, Rhand,’ zei Loial. ‘Als dit... als dit onze eigen wereld was, heer Rhand...’ Hurin schoof verontrust in zijn zadel heen en weer. ‘Nou, dat gedenkteken waar heer Ingtar het over had, dat werd opgericht na de overwinning van Artur Haviksvleugel op de Trolloks. Dat was een indrukwekkende spits, maar die werd zo’n duizend jaar geleden vernietigd. Er is alleen nog maar een grote hoogte van over, net een heuvel. Ik heb het gezien toen ik voor heer Agelmar naar Cairhien moest.’
‘Volgens Ingtar,’ zei Loial, ‘zou die toch zeker nog een dag of drie, vier van ons verwijderd moeten zijn. Als hij hier bestaat. Ik weet niet waarom hij hier zou staan. Ik denk eigenlijk niet dat hier mensen leven.’
De snuiver richtte zijn ogen weer op de grond. ‘Dat is toch gek, hè Bouwer? Er is geen mens te bekennen maar daar staat het, recht voor ons. Misschien kunnen we er maar beter uit de buurt blijven, heer Rhand. Je weet nooit wat het is of wie daar zal zijn op een plek als deze.’
Rhand trommelde even nadenkend met zijn vingers op de hoge boom van zijn zadel. ‘We moeten zo dicht mogelijk bij het spoor blijven,’ zei hij ten slotte. ‘Momenteel lijken we niet op Fajin in te lopen en als het enigszins kan, wil ik niet nog meer tijd verliezen. Mochten we daar mensen zien, of iets ongewoons, dan rijden we eromheen tot we het spoor weer kunnen oppikken. Maar tot dan rijden we verder.’
‘Zoals u beveelt, heer.’ Hurins stem klonk vreemd en hij wierp een snelle blik van opzij op Rhand. ‘Zoals u zegt.’ Rhand dacht fronsend even na voor hij het begreep en toen was het zijn beurt om te zuchten. Heren legden hun volgelingen niets uit, alleen andere heren kregen uitleg. Ik heb hem niet gevraagd mij als een vervloekte heer te zien. Maar hij heeft het gedaan, leek een klein stemmetje hem te antwoorden, en jij hebt het toegelaten. Jij hebt gekozen en nu ligt de plicht bij jou. ‘Volg het spoor, Hurin,’ zei Rhand.
Een flits van een opgeluchte grijns en de snuiver spoorde zijn paard aan.
De zwakke zon steeg hoger naarmate ze verder reden en stond hoog boven hun hoofden toen ze nog ongeveer een span van de spits verwijderd waren. Ze waren aangeland bij een beekje dat door een pas diepe geul stroomde en de omringende bomen stonden ver uiteen. Rhand kon de hoogte zien waarop het monument was opgetrokken: een ronde heuvel met een vlakke top. De grijze piek zelf was minstens honderd stap hoger en hij kon nog net zien dat de top een gebeeldhouwde vogel vertoonde met gespreide vleugels. ‘Een havik,’ zei Rhand. ‘Het is het gedenkteken van Haviksvleugel. Dat kan niet anders. Er zijn hier mensen geweest, of ze er momenteel zijn of niet. Ze hebben hem hier alleen op een andere plek opgetrokken en nooit afgebroken. Besef je dat, Hurin? Als we terug zijn, zul jij in staat zijn iedereen te vertellen hoe het gedenkteken er echt uitzag. Van alle mensen hebben alleen wij drieën het beeld ooit gezien.’
Hurin knikte. ‘Ja, heer. Mijn kinderen zouden mij graag horen vertellen hoe hun vader het gedenkteken van Haviksvleugel heeft gezien.’
‘Rhand,’ begon Loial bezorgd.
‘We kunnen het laatste stuk draven,’ zei Rhand. ‘Vooruit. Een draf zal ons goed doen. Deze plek mag dood zijn, maar wij zijn springlevend.’
‘Rhand,’ zei Loial. ‘Ik denk niet dat dat een...’ Rhand wachtte niet tot Loial was uitgesproken, maar porde in Roods flanken en de hengst sprong vooruit. Hij was met twee sprongen het smalle beekje over en krabbelde aan de andere kant omhoog. Hurin joeg vlak naast hem zijn eigen paard voort. Rhand hoorde Loial achter zich roepen, maar hij lachte, gebaarde de Ogier hen te volgen en galoppeerde verder. Als hij zijn ogen strak op een plek hield, leek het land niet zo vervelend weg te slippen, en de wind voelde lekker op zijn gezicht.
De hoogte besloeg ruim twee heeg met een glooiende grashelling. De grijze piek stak hoog en vierkant de lucht in. Door zijn omvang leek hij ondanks de hoogte massief, haast plomp. Rhands lach ebde weg en hij trok met een grauw gezicht de teugels aan. ‘Is dat het gedenkteken van Haviksvleugel, heer Rhand?’ vroeg Hurin verontrust. ‘Het ziet er niet naar uit, gek genoeg.’ Rhand herkende het grove rechthoekige schrift dat de voorkant van het gedenkteken vulde en hij herkende enkele mensgrote tekens die in de zijkant waren uitgehakt. De gehoornde schedel van de Dha’ vol Trolloks. De ijzeren vuist van de Dhai’mon. De drietand van de Ko’bal en de wervelwind van de Ahf’frait. Bijna onderaan stond een havik uitgebeeld. Zijn vleugels waren zo’n tien pas breed, hij lag op zijn rug, terwijl een bliksemschicht door zijn lijf priemde en raven aan zijn ogen pikten. De geweldige vleugels boven op de spits leken de zon af te schermen. Hij hoorde hoe Loial kwam aangalopperen.
‘Ik probeerde het je te vertellen, Rhand,’ zei Loial. ‘Het is een raaf, geen havik. Ik kon hem duidelijk onderscheiden.’ Hurin wendde zijn paard en weigerde nog langer naar de spits te kijken. ‘Hoe kan dat?’ vroeg Rhand. ‘Artur Haviksvleugel heeft hier de Trolloks overwonnen. Dat heeft Ingtar gezegd.’
‘Niet hier,’ zei Loial langzaam. ‘Hier duidelijk niet. “Van Steen naar Steen lopen de lijnen van als, tussen de werelden die zouden kunnen zijn.” Ik heb na zitten denken en ik geloof dat ik weet wat “de werelden die zouden kunnen zijn” betekent. Misschien. Werelden zoals onze wereld zou kunnen zijn als dingen anders waren gelopen. Misschien ziet het er daarom zo... verbleekt uit. Omdat het een “als-wereld” is, een “misschien”. Slechts een schaduw van de echte wereld. In deze wereld hebben de Trolloks denk ik gewonnen. Misschien komt het daardoor dat we geen dorpen of mensen tegenkomen.’ Een rilling trok over Rhands huid. Waar Trolloks wonnen, lieten ze geen mens in leven, behalve om als voedsel te dienen. Als zij de hele wereld hadden overwonnen... ‘Als de Trolloks hadden gewonnen, zouden ze overal moeten zitten. We hadden er dan al zo’n duizend moeten zien. We zouden gisteren al dood zijn geweest.’ ik weet niet, Rhand. Misschien hebben ze nadat ze de mensen hadden gedood, elkaar vermoord. Trolloks leven om te doden. Dat is het enige dat ze doen; dat is het enige dat ze kunnen. Ik weet het echt niet.’