De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Toen ze de halve ochtend hadden gereden, liet Loial zich opeens zonder iets te zeggen met een zwaai van zijn enorme paard glijden en liep naar een bosje reuzenborstels. Op nog geen pas van de grond spleten de stammen zich stijf en recht tot vele dikke takken. Bovenaan liepen ze nog verder uit tot een bladerkroon waaraan ze hun naam ontleenden.
Rhand hield Rood in en wilde vragen wat Loial ging doen, maar iets aan zijn manier van doen – alsof de Ogier er zelf niet zeker van was – bracht hem tot zwijgen. Na strak naar de boom te hebben gekeken, zette Loial zijn handen tegen de stam en begon zachtjes en diep brommend te zingen.
Rhand had de boomzang van de Ogier eenmaal gehoord, toen Loial een stervende boom had toegezongen en weer tot leven had gewekt. Hij had gehoord van zanghout, dat door de boomzang uit bomen werd gehaald. Het talent was echter aan het verdwijnen, had Loial verteld. Er waren momenteel nog maar zo weinig boomzangers dat het zanghout nog meer gezocht en gekoesterd werd. Toen hij de Ogier eerder had horen zingen, leek het of de aarde zelf aan het zingen was, maar nu mompelde de Ogier zijn lied haast bedeesd en het land kaatste het fluisterend terug.
Het leek pure zang, muziek zonder woorden, of liever woorden die Rhand niet kon onderscheiden. Als er woorden in zaten, gingen ze op in de muziek, zoals water in een rivier stroomt. Hurin snakte naar adem en staarde.
Rhand wist niet wat Loial deed of hoe hij dat deed. Het lied klonk heel zacht, maar hij werd er bijna door betoverd; het lied vulde zijn geest haast net zoals de leegte dat deed. Loial streek met zijn handen langs de stam, streelde zowel met zijn stem als met zijn vingers. De stam leek nu op de een of andere wijze gladder, alsof de streling hem vorm gaf. Rhand knipperde met zijn ogen. Hij wist zeker dat het stuk waar Loial mee bezig was, precies hetzelfde was geweest als de andere takken in de top, maar nu liep de stam rond uit in een punt, net boven het hoofd van de Ogier. Rhand deed zijn mond open, maar het lied bracht hem tot zwijgen. Het lied klonk hem vertrouwd en bekend in de oren.
Opeens kwam Loials stem tot een hoogtepunt. Het klonk bijna als een dankend loflied tot het eindigde en verstierf zoals een briesje ging liggen.
‘Bloedvuur,’ hijgde Hurin. Hij leek verbijsterd. ‘Bloedvuur, zoiets heb ik nog nooit eerder gehoord... Bloedvuur.’
In zijn handen hield Loial een gladde, geschaafde staf, even lang als hij was en even dik als Rhands onderarm. Waar de stam van de reuzenborstel had gezeten, schoot nu een kleine nieuwe loot op. Rhand haalde diep adem. Altijd iets nieuws, altijd iets wat ik niet verwacht en soms is het niet afschuwelijk.
Hij zag Loial weer opstijgen en zijn staf dwars voor zich op het zadel houden. Waarom had de Ogier eigenlijk nog een wandelstaf nodig, vroeg hij zich af. Toen zag hij de dikke stok, zag hoe groot die was – passend bij de Ogier – en hoe Loial ermee omging. ‘Een vechtstok,’ zei hij verrast, ik wist niet dat Ogier wapens droegen, Loial.’
‘Gewoonlijk doen we dat ook niet,’ antwoordde de Ogier bijna kortaf. ‘Gewoonlijk. De prijs is altijd te hoog geweest.’ Hij hief de dikke vechtstok op en zijn neus vertrok van afkeer. ‘Ouder Haman zou zeker zeggen dat ik een lange steel aan mijn bijl heb, maar ik ben niet zomaar ondoordacht of overijld, Rhand. Deze plek...’ Hij huiverde en zijn oren bewogen.
‘We vinden de weg gauw terug,’ zei Rhand en probeerde zeker te klinken.
Loial praatte door alsof hij hem niet had gehoord. ‘Alles is... verbonden, Rhand. Of het leeft of niet, of het denkt of niet, het is een deel van het geheel en het geheel heeft een... gevoel. Ik kan het net zo slecht verklaren als ik kan uitleggen wat geluk is, maar... Rhand, dit land was blij dat er een wapen van werd gemaakt. Blij!’
‘Het Licht schijne op ons,’ fluisterde Hurin zenuwachtig, ‘en de hand van de Schepper beschutte ons. Al gaan wij naar de laatste omarming van de moeder, moge het Licht ons pad verlichten.’ Hij bleef de geloofsverklaring herhalen alsof die een beschermende toverspreuk bevatte.
Rhand weerstond de aandrang rond te kijken en hij wilde al helemaal niet opkijken. Nog één zo’n rookstreep hoog aan de hemel en Hurin en Loial zouden volledig instorten. ‘Er is hier niets wat ons kwaad kan doen,’ zei hij ferm. ‘We zullen goed de wacht houden en ervoor zorgen dat niets ons iets doet.’
Hij wilde zichzelf uitlachen, zo zeker als hij klonk. Hij wist niets zeker. Maar toen hij de anderen aankeek – Loial met zijn treurige toefjesoren en Hurin die nergens naar probeerde te kijken – wist hij dat minstens een van hen zeker moest lijken, anders zouden angst en onzekerheid hen doen instorten. Het Rad weeft wat het Rad wil. Hij onderdrukte die gedachte. Dit heeft niets te maken met het Rad, niets te maken met ta’veren, Aes Sedai of de Draak. Zo is het gewoon, dat is alles.
‘Loial, ben je hier klaar?’ De Ogier knikte en wreef spijtig over zijn vechtstok. Rhand wendde zich tot Hurin. ‘Heb je het spoor nog?’
‘Dat heb ik, heer Rhand. Dat heb ik.’
‘Laten we het dan gaan volgen. Als we Fajin en de Duistervrienden eenmaal hebben gevonden, nou, dan komen we als helden thuis, met de dolk voor Mart en de Hoorn van Valere. Ga ons voor, Hurin.’ Helden ? Ik zou het al mooi vinden als we hier levend vandaan kwamen.
‘Ik heb een hekel aan deze plek,’ verkondigde de Ogier vlak. Hij hield de vechtstok vast alsof hij verwachtte hem gauw te moeten gebruiken.
‘Dan is het maar goed dat we niet van plan zijn hier te blijven, hè?’ zei Rhand. Hurin lachte blaffend alsof hij een grapje had gemaakt, maar Loial keek hem effen aan. ‘Maar goed dat we dat niet doen, Rhand.’
Toen ze zuidwaarts reden, kon hij echter zien dat zijn terloopse opmerking over gauw naar huis gaan beiden wat had opgekikkerd. Hurin zat wat rechter in zijn zadel en Loials oren leken niet meer zo verwelkt. Het was niet de tijd en de plaats hun te laten weten dat hij net zo bang was als zij, dus hield hij het voor zich en bevocht zijn angst alleen.
Hurin behield zijn goede humeur de rest van de morgen, al mompelend: ‘Maar goed dat we niet willen blijven.’ Dan giechelde hij naar Rhand, die de neiging kreeg hem te zeggen zijn mond te houden. Tegen de middag werd de snuiver echter stil en schudde hij bezorgd zijn hoofd en Rhand besefte dat hij terugverlangde naar de woorden en het gelach van die ochtend, is er iets mis met het spoor, Hurin?’ vroeg hij. De snuiver schokschouderde en keek bezorgd. ‘Ja, heer Rhand, maar tegelijk ook nee, zou u kunnen zeggen.’
‘Het is het een of het ander. Ben je het spoor kwijt? Het is geen schande als dat zo is. Je zei vanaf het begin dat het een zwak spoor was. Als we de Duistervrienden niet kunnen vinden, zoeken we een andere Steen en gaan op die manier terug. ‘Licht, alles liever dan dat.’ Rhand hield zijn gezicht effen. ‘Wanneer Duistervrienden hier komen en gaan, kunnen wij dat ook.’
‘O, ik ben het niet kwijt, heer Rhand. Ik kan de stank nog opvangen. Dat is het niet. Alleen... Het is...’ Met een grimas barstte Hurin los. ‘Het is net of ik me het spoor herinner, heer Rhand, in plaats van dat ik het ruik. Maar dat doe ik niet. Er zijn voortdurend tientallen sporen die het onze kruisen, honderden, alle soorten van geweld, sommige ervan bijna vers, slechts verbleekt, net als al het andere. Vanmorgen, vlak nadat we het dal verlieten, zou ik hebben gezworen dat daar, recht onder onze voeten, nog maar korte tijd geleden honderden slachtoffers lagen, maar er waren helemaal geen lijken en behalve onze eigen hoefafdrukken was er geen spoortje op het gras te vinden. Zoiets kan niet gebeuren zonder dat de grond omgewoeld en vol bloed is, maar er was geen spoortje te zien. Zo is het hier overal, mijn heer. Maar ik volg nog steeds ons spoor, heus. Deze plek geeft me alleen de zenuwen. Dat is het. Dat moet het zijn.’ Rhand wierp een blik op Loial. De Ogier kwam geregeld met de vreemdste feiten aan, maar hij leek net zo in de war als Hurin. Rhand liet meer zekerheid in zijn stem doorklinken dan hij eigenlijk voelde. ‘Ik weet dat je je best doet, Hurin. We zijn allemaal op van de zenuwen. Volg het spoor gewoon zo goed je kunt en dan vinden we ze wel.’