Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 65 66 67 68 69 70 71 72 73 ... 203
Перейти на страницу:

Vanuit de verte klonk het gehuil van een wolvenpak en in het dal stampten de paarden en hinnikten bang. Sommige krijgslieden voelden aan hun langbladige lansen en keken ongerust naar de rand. In Perijns hoofd was het veel erger. Hij voelde de woede van de wolven, hun haat. Er waren maar twee dingen die wolven haatten. Al het andere verdroegen ze gewoon, maar vuur en Trolloks haatten ze, en ze zouden door de vlammen springen om Trolloks te doden. Fajins geur had hen tot een woeste razernij gebracht die zelfs nog erger was dan wanneer ze een Trollok hadden geroken; het was alsof ze iets hadden geroken waardoor zelfs Trolloks natuurlijk en goed roken. Waar?

De hemel schoof door zijn hoofd heen; het land draaide rond. Oost en west waren de wolven onbekend. Zij kenden de bewegingen van zon en maan, de verandering der jaargetijden, de lijnen van het land. Perijn vond het zelf uit. Zuid. En nog iets meer. Een gretige lust Trolloks te doden. De wolven zouden Jonge Stier laten delen in het doden. Hij kon de tweepoten met hun harde huiden meenemen als hij dat wou, maar Jonge Stier en Rook en Tweehert en Winterochtend en de rest van het wolvenpak zouden jagen op de Ontaarden die het hadden gewaagd hun land te betreden. Het oneetbare vlees en het bittere bloed zouden de tong branden, maar ze moesten worden gedood. Dood ze. Dood de Ontaarden.

Hun woede stak hem aan. Zijn lippen vormden een snauw en hij zette een stap naar voren om zich bij hen te voegen, met ze mee te rennen in de jacht, mee om te doden.

Met moeite verbrak hij het contact. Wat restte was een ijl gevoel dat de wolven er waren. Hij had ze van verre kunnen aanwijzen. Hij voelde zich koud van binnen. Ik ben een mens, geen wolf. Het Licht helpe me, ik ben een mens!

‘Voel je je wel goed, Perijn?’ vroeg Mart, die naar hem toe kwam. Hij klonk net zo luchthartig als anders – de laatste tijd ook bitter – maar hij zag er bezorgd uit. ‘Dat heb ik nou net nodig. Rhand ervandoor en jij ziek. Ik weet niet waar ik hier een Wijsheid kan vinden om je beter te maken. Ik denk dat ik wat wilgenschors in mijn zadeltas heb. Ik kan wat wilgenschorsthee maken, als Ingtar ons hier tenminste lang genoeg laat blijven. Je eigen schuld als ik het te sterk maak.’

‘Ik... met mij is alles in orde, Mart.’ Hij weerde zijn vriend af en ging Ingtar zoeken. De Shienaraanse heer zocht met Uno, Ragan en Masema de grond langs de rand af. De anderen keken hem geërgerd aan toen hij Ingtar even apart nam. Hij zorgde ervoor dat Uno en de rest te ver weg waren om hem te horen, ik weet niet waar Rhand en de anderen naartoe zijn gegaan, Ingtar, maar Padan Fajin en de Trolloks – en de andere Duistervrienden neem ik aan – rijden nog steeds naar het zuiden.’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Ingtar.

Perijn haalde diep adem. ‘De wolven hebben het me verteld.’ Hij wachtte even, hij wist niet zeker waarop. Op gelach, spot, een beschuldiging dat hij een Duistervriend was, dat hij gek was. Met opzet stak hij zijn duimen stevig achter zijn riem, ver van de bijl. Ik ga niet doden. Niet weer. Als hij me probeert te doden omdat ik een Duistervriend ben, vlucht ik weg, maar ik ga niemand meer doden. ik heb van zulke dingen gehoord,’ zei Ingtar ten slotte. ‘Geruchten. Er was een zwaardhand, een man die Elyas Machera heette. Sommigen zeiden dat hij met wolven kon spreken. Hij is jaren geleden verdwenen.’ Iets in Perijns ogen viel hem op. ‘Ken je hem?’ ik ken hem,’ zei Perijn vlak. ‘Hij is de man... Ik wil er niet over praten. Ik heb er niet om gevraagd.’ Dat zei Rhand ook. Licht, ik wou dat ik thuis was. Lekker werken in baas Lohans smidse. ‘Die wolven,’ zei Ingtar. ‘Zullen die de Duistervrienden en Trolloks voor ons opsporen?’ Perijn knikte. ‘Goed, ik moet de Hoorn koste wat kost hebben.’ De Shienaraan keek om naar Uno’s groep, die nog steeds naar sporen zocht. ‘We kunnen het maar beter niet tegen de anderen zeggen. Hoewel men in de Grenslanden vindt dat wolven geluk brengen – Trolloks zijn bang voor ze – is het toch beter dat we dit voorlopig onder ons houden. Sommigen zouden het misschien niet begrijpen.’

‘Ik hoop dat niemand er ooit achter komt,’ zei Perijn. ‘Ik zal ze vertellen dat jij denkt net zo’n soort gave te hebben als Hurin. Dat kennen ze, daar zijn ze mee vertrouwd. Sommigen hebben gezien hoe jij je neus toen in het dorp en bij de pont optrok. Ik heb grapjes gehoord over je fijne neus. Ja, hou ons vandaag maar op hun spoor. Uno zal genoeg van het spoor zien om het te kunnen bevestigen en voor de avond valt, zal zelfs de laatste man er zeker van zijn dat je een snuiver bent. Ik zal de Hoorn hebben.’ Hij wierp een blik op de lucht en verhief zijn stem. ‘We verknoeien de dag! Te paard!’

Tot Perijns verrassing leken de Shienaranen Ingtars verhaal te slikken. Enkelen keken wat sceptisch – Masema ging zelfs zo ver dat hij spuwde – maar Uno knikte nadenkend en dat was voor de meesten voldoende. Mart was het moeilijkst te overtuigen. ‘Een snuiver! Jij? Ga je moordenaars aan hun geur opsporen? Perijn, je bent even gek als Rhand! Ik ben – denk ik – nog de enige normale Emondsvelder, nu Egwene en Nynaeve zo snel mogelijk naar Tar Valon willen hollen...’ Hij onderbrak zichzelf en keek de Shienaranen verlegen aan.

Perijn nam Hurins plaats naast Ingtar in toen de kleine colonne naar het zuiden reed. Mart bleef schamperen tot Uno de eerste sporen vond van Trolloks en mensen te paard, maar Perijn schonk hem amper enige aandacht. Met de grootste moeite hield hij de wolven tegen die jacht op de Trolloks wilden maken om ze te doden. De wolven wilden enkel de Ontaarden; voor hen verschilden Duistervrienden niet van andere tweepoten. Perijn kon haast zien hoe de Duistervrienden alle kanten uit zouden vluchten voor de wolven en de Hoorn van Valere met zich mee zouden nemen. Op de vlucht met de dolk bij zich. En als de Trolloks eenmaal dood waren, dacht hij niet dat hij de belangstelling van de wolven kon wekken om mensen op te sporen. Hij wist niet eens wie ze op moesten sporen. Hij bleef maar ruzie met ze maken en het zweet stond allang op zijn voorhoofd toen hij de eerste flits opving van beelden waar zijn maag zich van omdraaide. Hij trok de teugels aan en liet zijn paard abrupt stilstaan. De anderen deden hetzelfde en keken hem afwachtend aan. Hij staarde recht voor zich uit en vloekte zacht en verbitterd.

Wolven zouden mensen doden, maar ze hadden ze liever niet als prooi. Wolven herinnerden zich bijvoorbeeld de oude gezamenlijke jacht en een andere reden was dat tweepoten vies smaakten. Wolven waren kieskeuriger op hun voedsel dan hij ooit had gedacht. Ze wilden geen karkassen eten tenzij ze stierven van de honger, en meestal doodden ze niet meer dieren dan ze op konden. Wat Perijn van de wolven voelde, kon het best worden beschreven als walging. Bovendien had hij de beelden. Hij zag ze veel beter dan hij wilde. Lichamen, mannen, vrouwen en kinderen, op elkaar gegooid en rondgesmeten. De van bloed doordrenkte aarde, die omwoeld was door hoeven en wanhopige ontsnappingspogingen. Opengereten vlees. Afgerukte hoofden. Fladderende gieren erboven, hun witte vleugels bespat met rood bloed. Bebloede kale koppen scheurden en slikten. Hij verbrak het contact voor zijn maag zich leegde. Boven enkele bomen in de verte kon hij nog net omlaag kringelende zwarte vlekken onderscheiden die omlaagstortten en dan weer opwiekten. Gieren die om hun maaltijd vochten. ‘Daarginds is iets ergs.’ Hij slikte en keek Ingtar recht in de ogen. Hoe kon hij dit in het verhaal passen dat hij een snuiver was? Ik wil niet in de buurt komen om dat daar beter te zien. Maar ze zullen bet willen onderzoeken zodra ze de aasgieren zien. Ik moet ze net genoeg vertellen dat ze eromheen zullen rijden. ‘De mensen van dat dorp... Ik denk dat de Trolloks ze hebben vermoord.’ Uno begon stil te vloeken en enkele andere Shienaranen zaten in zichzelf te mompelen. Niemand van hen leek zijn mededeling echter vreemd te vinden. Heer Ingtar had gezegd dat hij een snuiver was en snuivers konden moorden ruiken. ‘En we worden door iemand gevolgd,’ zei Ingtar. Mart keerde zijn paard vol verwachting. ‘Misschien is het Rhand. Ik wist wel dat hij me niet in de steek zou laten.’ Kleine, verspreide stofwolkjes dwarrelden op in het noorden, een paard draafde over plekken waar haast geen gras stond. De Shienaranen verspreidden zich met de lansen in de aanslag en hielden de omgeving in het oog. In deze streken ging je behoedzaam met onbekenden om.

1 ... 65 66 67 68 69 70 71 72 73 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)