De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De Aes Sedai leken hem niet te zien terwijl ze doelbewust langs schreden; ze schonken hem hoogstens een oppervlakkige, zijdelingse blik. In zijn degelijke boerenkleren zag hij er niet uit als een zwerver en de knechten bewezen dat mannen in dit gedeelte van de Toren werden toegelaten. Hij vermoedde dat ze dachten dat hij een van de bedienden was en dat vond hij prima, zolang niemand hem maar vroeg iets zwaars mee te nemen.
Hij vond het jammer dat geen enkele vrouw die hij tegenkwam Egwene was, of Nynaeve, of zelfs maar Elayne. Ze is leuk, zelfs als ze de halve dag met haar neus in de lucht loopt. Ze zou me trouwens kunnen vertellen waar ik Egwene en de Wijsheid kan vinden. Ik kan niet weggaan zonder gedag te zeggen. Licht, ze zouden me toch niet verraden, alleen maar omdat ze zelf Aes Sedai willen worden? Bloedvuur, doe niet zo stom! Dat zullen ze nooit doen. Nou ja, ik riskeer het maar.
Maar toen hij eenmaal buiten was, onder een heldere ochtendlucht met slechts enkele witte wolkjes, zette hij de vrouwen een tijdlang uit zijn gedachten. Hij stond aan de rand van een groot geplaveid plein met een simpele stenen fontein in het midden en een barak van grijze steen aan de andere kant. Deze leek bijna een enorm rotsblok, daar tussen de spaarzame bomen die uit opengehouden gaten tussen de plavuizen oprezen. Voor het lange, lage gebouw zaten wachters met opgerolde mouwen, die hun wapens, uitrusting en harnas verzorgden. En naar bewakers was hij op zoek.
Hij slenterde het plein over en keek naar de krijgslieden alsof hij niets beters te doen had. Ze praatten en lachten als boeren na de oogst. Zo nu en dan keek er een nieuwsgierig naar Mart, die tussen hen doorliep, maar niemand trok in twijfel dat hij alle recht had daar te komen. Van tijd tot tijd stelde hij terloops een vraag. Eindelijk kreeg hij het antwoord dat hij zocht.
‘Een brugwachter?’ zei een gedrongen donkerharige man die amper vijf jaar ouder was dan Mart, met een zware Illiaanse tongval. Hij mocht dan jong zijn, maar over zijn linkerkaak liep een smal wit litteken en de handen die zijn zwaard invetten, bewogen kundig en behendig. Hij loerde schuins omhoog naar Mart voor hij verder ging met zijn werk. ‘Ik hoor inderdaad bij de brugwacht en vanavond doe ik weer dienst. Waarom vraag je dat?’
‘Ik vroeg me gewoon af hoe de toestand aan de andere kant van de rivier is.’ Dat wil ik ook best weten. ‘Zijn de wegen goed voor een reis? Modderig kunnen ze niet zijn, tenzij jullie meer regen hebben gehad dan ik weet.’
‘Welke kant van de rivier?’ vroeg de wachter onbewogen. Zijn ogen bleven gericht op de oliedoek die hij over het zwaard streek. ‘Eh... oost. De oostkant.’
‘Geen modder. Witmantels.’ De man boog zich opzij en spoog, maar zijn stem veranderde niet. ‘Die Witmantels steken overal hun neus in, jazeker, in alle dorpen binnen tien span. Ze hebben nog niemand lastig gevallen, maar zoals gewoonlijk maken ze de mensen daar wel van streek. Het Fortuin mag me steken, maar ergens heb ik het idee dat ze ons willen uitdagen, want ze zien eruit of ze zouden aanvallen als ze dat konden. Geen beste plek voor iemand die op reis wil.’
‘Hoe staat het dan in het westen?’
‘Hetzelfde.’ De wachter sloeg zijn ogen op en keek Man aan. ‘Maar jij steekt nergens over, knaap, niet naar het oosten en niet naar het westen. Als jouw naam geen Martrim Cauton is, mag het Fortuin me verlaten. Gisteravond kwam een zuster in hoogsteigen persoon naar de brug waar ik wacht liep. Ze bleef maar doorgaan over je uiterlijk tot ieder van ons jou foutloos kon beschrijven. Een gast, zei ze nadrukkelijk, hem mag niets overkomen. Maar die gast mocht ook de stad niet uit; hij moest worden tegengehouden, desnoods geboeid aan handen en voeten.’ Hij kneep beide ogen half dicht. ‘Heb je misschien iets gestolen?’ vroeg hij achterdochtig. ‘Je lijkt nier echt iemand die de zusters onderdak bieden.’
‘Ik heb niks gestolen!’ zei Mart verontwaardigd. Ik mag branden, ik kreeg niet eens de kans me er zachtjes aan doorheen te smoezen. Ze moeten me allemaal kennen, ik ben geen dief!’
‘Nee, dat is waar, als ik je zo aankijk. Geen dieverij, maar je lijkt op die kerel die me drie dagen geleden de Hoorn van Valere probeerde aan te smeren. Dat beweerde hij namelijk, dat de Hoorn van hem was, vol deuken en krassen. Heb jij ook een Hoorn van Valere in de aanbieding? Of misschien het zwaard van de Draak?’ Mart schrok op toen de man de Hoorn noemde, maar hij slaagde erin onaangedaan te klinken, ik ben ziek geweest.’ Andere wachters keken nu ook naar hem. Licht, die weten straks allemaal dat ik van de Aes Sedai niet mag vertrekken. Hij lachte gemaakt. ‘De zusters hebben me geheeld.’ Enkele wachters keken hem boos aan. Misschien vonden ze hem niet eerbiedig genoeg, doordat hij een Aes Sedai zomaar zuster noemde, ik neem aan dat de Aes Sedai niet willen dat ik wegga voor ik weer op krachten ben gekomen.’ Hij probeerde de mannen die hem nu allemaal aan zaten te kijken, te overtuigen. Alleen maar een man die geheeld is. Niks anders. Niet iemand voor wie je bijzondere moeite hoeft te doen.
De Illianer knikte. ‘Als ik naar je gezicht kijk, zie ik dat je ziek bent geweest. Misschien is dat de reden. Maar ik heb nog nooit eerder gehoord dat ze zoveel moeite deden om een zieke binnen de muren te houden.’
‘Dat is de reden,’ zei Mart ferm. Ze keken hem nog steeds met z’n allen aan. ‘Nou, ik moet er weer eens vandoor. Ze zeiden dat ik veel moest wandelen. Heel veel en heel lang. Om weer op krachten te komen, zie je.’
Hij voelde hun ogen in zijn rug branden toen hij stuurs kijkend wegliep. Hij had gewoon willen uitzoeken in hoeverre zijn uiterlijk was doorgegeven. Als alleen de officieren van de brugwacht ervan hadden geweten, had hij er mogelijk doorheen kunnen glippen. Daar was hij altijd goed in geweest: ergens ongezien heensluipen. En weer naar buiten. Natuurlijk ontwikkelde je die aanleg als je moeder altijd dacht dat je kattenkwaad van zins was en je vier zusjes als klikspanen had. En nu heb ik ervoor gezorgd dat een halve barak vol wachters mij kent. Bloed en bloed en as.
Een groot deel van het gebied rond de Toren bestond uit parken vol lederblad, papierbast en iep, en weldra bevond hij zich op een breed, kronkelend grindpad. Het had ergens op het platteland kunnen zijn, als de torens niet boven de boomtoppen hadden uitgestoken. En als het witte gevaarte van de Toren niet op hem neerdrukte alsof hij het ding op z’n schouders torste. Als de Toren onbewaakte uitgangen bezat, dan leek dit er een goede plek voor. Als ze er waren. Een meisje in Novicewit verscheen voor hem op het pad en kwam vastberaden zijn kant op. Ze leek in haar eigen gedachten op te gaan en merkte hem aanvankelijk niet op. Toen ze zo dichtbij was dat hij haar grote, donkere ogen en haar kapsel kon zien, grijnsde hij opeens breed. Hij kende dit meisje – de herinnering dreef op uit nevelige diepten – hoewel hij haar nooit op deze plek had verwacht. Hij had nooit kunnen dromen haar terug te zien. Hij grinnikte verholen. Geluk, om de pech in evenwicht te brengen. Hij meende zich te herinneren dat ze altijd al een oogje op jongens had.
‘Else,’ riep hij haar toe. ‘Else Grinwel. Ken je me nog? Mart Cauton. Ik ben toen met een vriend op je vaders boerderij geweest. Weet je nog? Dus je hebt besloten Aes Sedai te worden, hè?’
Ze bleef verbluft staan en staarde hem aan. ‘Wat doe jij hier, uit je bed, buiten?’ vroeg ze kil.
‘Dus je hebt ervan gehoord, hè?’ Hij wilde naar haar toelopen, maar ze stapte achteruit en hield hem op afstand. Hij bleef staan. ‘Het is niet besmettelijk. Ik ben geheeld, Else.’ Die grote donkere ogen leken meer te weten dan hij zich herinnerde en ze stonden lang zo warm niet als toen, maar hij nam aan dat dat kwam door haar lessen om Aes Sedai te worden. ‘Wat is er aan de hand, Else? Je kijkt of je me niet kent.’ ik ken je,’ zei ze. Ze gedroeg zich ook anders dan toen; hij vond dat ze Elayne nu wat kon leren, ik heb werk te doen. Laat me erlangs.’ Hij grijnsde. Het pad was zo breed dat er wel zes mensen naast elkaar konden lopen zonder elkaar te verdringen, ik zei toch dat het niet besmettelijk was.’