De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Vlammen barstten uit de huid van de Myrddraal, scheurden door de zwarte stof alsof het scherpe dolken van vuur waren. Krijsende Halfmannen verknisperden en brandden als oliepapier. Vuistgrote stukken steen trokken zich los van de muren en vlogen door de kamer, ontlokten gegil en gegrom als ze vlees troffen. De lucht trilde, bewoog en wakkerde huilend aan tot een wervelwind.
Langzaam en pijnlijk duwde Egwene zich op van de tafel. De wind deed haar haren wapperen en liet haar struikelen, maar ze bleef de Kracht stuwen terwijl ze naar de deur stommelde. Een Aes Sedai rees voor haar op, een gewonde en bloedende vrouw, omringd door de gloed van de Kracht. Een vrouw met ogen waar de dood uit straalde. Egwenes geest kon de vrouw een naam geven. Gyldan, de intiemste vertrouwelinge van Elaida. Ze stonden altijd ergens achteraf te fluisteren en zonderden zich ’s avonds af. Egwenes mond verstrakte. Ze liet stenen en wind voor wat ze waren, balde haar vuist en stompte Gyldan zo hard ze kon tussen de ogen. De Rode zuster – de Zwarte zuster – zakte in elkaar alsof haar botten smolten.
Over haar knokkels wrijvend liep Egwene struikelend de gang op. Dank je wel, Perijn, dat je me hebt laten zien hoe je zoiets doet. Maar je hebt er niet bij gezegd hoe zeer het doet.
Ze schoof de deur tegen de wind in dicht en geleidde. Stenen rond de deur trilden, spleten en klemden zich rond het hout. Het zou hen niet lang ophouden, maar alles wat de achtervolging ophield, was de moeite waard. Enkele ogenblikken betekenden het verschil tussen leven en dood. Ze sterkte zich en dwong zichzelf weg te rennen. Het ging wankelend, maar het was rennen.
Ze besloot dat ze eerst kleren moest zien te vinden. Een geklede vrouw had meer gezag dan een naakte vrouw en ze had elk beetje gezag nodig. Ze zouden allereerst in haar vertrekken zoeken, maar in haar werkkamer waren nog kleren en schoenen en een tweede stola – en die lag niet te ver weg.
Het was doodeng door al die lege gangen te hollen. De Witte Toren huisvestte niet meer zoveel vrouwen als vroeger, maar gewoonlijk waren er overal mensen. Haar blote voeten op de tegels maakten echter het meeste geluid.
Ze haastte zich door de voorkamer van haar werkvertrek naar de kamer erachter en trof eindelijk iemand aan. Beldeine zat op de vloer met haar hoofd in haar handen te huilen.
Egwene bleef staan, op haar hoede, en Beldeine sloeg haar roodbehuilde ogen op om haar aan te kijken. Er hing geen gloed van saidar om de Hoedster heen, maar Egwene bleef voorzichtig en vol zelfvertrouwen. Ze kon haar eigen glans natuurlijk niet zien, maar de Kracht die door haar heen vloeide, was voldoende. Vooral wanneer die door haar geheim werd versterkt.
Beldeine wreef met beide handen over haar door tranen bevlekte wangen ‘Ik moest wel. Je moet het begrijpen. Ik moest wel. Zij... zij...’ Ze haalde diep en bevend adem; toen barstte ze los. ‘Drie avonden geleden haalden ze me uit bed en susten mij.’ Haar stem rees tot ze bijna krijste. ‘Ze hebben me gesust! Ik kan niet meer geleiden!’
‘Licht,’ zuchtte Egwene. De vloed van saidar beschermde haar tegen de schok. ‘Het Licht helpe en trooste je, dochter. Waarom heb je niets gezegd? Ik zou...’ De woorden stierven weg; ze wist dat ze niets had kunnen doen.
‘Wat zou je hebben gedaan? Wat? Niets! Je kunt niets doen! Maar zij zeiden dat ze het me terug konden geven met de macht... met de macht van de Duistere.’ Ze kneep haar ogen dicht en de tranen persten zich naar buiten. ‘Ze deden me pijn, Moeder, en ze hebben me... O Licht, ze deden me pijn. Elaida zei me dat ze me weer beter zouden maken, mij weer zouden laten geleiden als ik gehoorzaamde. Daarom deed... Ik moest wel!’
‘Dus Elaida is van de Zwarte Ajah,’ zei Egwene grimmig. Een kleine kleerkast stond tegen de muur en daarin hing een groenzijden gewaad, dat daar bewaard werd voor als ze geen tijd had om naar haar eigen kamers te gaan. Een gestreepte stola hing ernaast. Ze begon zich snel aan te kleden. ‘Wat hebben ze met Rhand gedaan? Waar hebben ze hem heengebracht? Geef antwoord, Beldeine! Waar is Rhand Altor?’ Beldeine kromp met bevende lippen ineen en haar ogen staarden nietsziend voor haar uit, maar eindelijk had ze genoeg kracht bijeengeschraapt om te zeggen: ‘De Hof der Verraders, Moeder. Daar hebben ze hem naar toe gebracht.’
Rillingen overvielen Egwene. Rillingen van angst. Rillingen van woede. Elaida had niet gewacht. Geen uur. De Hof der Verraders werd slechts voor drie zaken gebruikt: het voltrekken van een doodvonnis, het sussen van een Aes Sedai of het stillen van een geleider. Maar daarvoor was een bevel van de Amyrlin Zetel nodig. Dus wie draagt daar dan de stola? Elaida, dat wist ze bijna zeker. Maar hoe heeft ze het klaargespeeld om zo snel verheven te worden, zonder dat ik veroordeeld en gevonnist ben? Er kan geen andere Amyrlin zijn tot stola en staf mij ontnomen zijn. En zo gemakkelijk kunnen ze dat niet. Licht! Rhand! Ze begaf zich naar de deur.
‘Wat kunt u doen, Moeder?’ riep Beldeine. ‘Wat kunt u doen?’ Het bleef onduidelijk of ze Rhand dan wel zichzelf bedoelde. ‘Meer dan iemand vermoedt,’ zei Egwene. ‘Ik heb de Eedstaf nooit vastgehouden.’ Beldeine snakte naar adem en dat was het laatste wat ze hoorde.
Egwenes geheugen speelde nog steeds verstoppertje met haar. Ze wist dat geen enkele vrouw de stola en ring kon verkrijgen als ze tijdens de Drie Geloften niet met eigen handen de Eedstaf vasthield, de ter’angreaal die haar aan die geloften bond alsof ze bij haar geboorte in haar botten waren gebrand. Geen vrouw werd Aes Sedai zonder eraan gebonden te zijn. Toch wist ze dat ze op de een of andere manier, op de een of andere wijze die ze nergens kon opgraven, juist dat had gedaan. Haar schoenen klikklakten door de gangen. Eindelijk wist ze nu waarom het overal zo leeg was. Iedere Aes Sedai, behalve diegenen die ze in de opslagruimte had achtergelaten, iedere Aanvaarde, iedere Novice, zelfs elke bediende zou in de Hof der Verraders bijeen zijn, de oude gewoonte volgend om de wil van Tar Valon te zien uitvoeren. En de zwaardhanden zouden de hof omringen om te voorkomen dat iemand zou proberen de man te bevrijden die gestild ging worden. De laatste krijgslieden van Guaire Amalasan hadden dat gepoogd, aan het eind van wat sommigen de Oorlog van de Tweede Draak noemden, vlak voor de opkomst van Artur Haviksvleugel. Ook toen hadden andere kwesties Tar Valon vele zorgen gegeven en Raolin Duistervaans volgelingen hadden het vele jaren eerder eveneens geprobeerd. Of Rhand nog volgelingen had of niet, kon ze zich niet herinneren, maar zwaardhanden kenden de geschiedenis en waakten daartegen. Als Elaida of iemand anders echt de stola van de Amyrlin Zetel droeg, zouden de zwaardhanden haar waarschijnlijk niet tot de Hof der Verraders toelaten. Ze wist dat ze zich een weg naar binnen kon forceren. Ze had niet veel tijd. Het had weinig zin om als Rhand gestild werd, bliksems op hen af te sturen, en lotsvuur, en de grond onder hun voeten te laten openbarsten. Lotsvuur? vroeg ze zich af. Maar het zou ook niet goed zijn de macht van Tar Valon te breken om Rhand te redden. Ze moest beiden zien te redden.
Ver voor de gangen die naar de Hof der Verraders leidden, sloeg ze een hoek om en begon te klimmen, trappen en hellingen die steeds smaller en nauwer werden, tot ze een luik openstootte en een schuin torendak van bijna witte tegels opstapte. Van daaraf kon ze over de daken uitkijken, verder dan van andere torens, naar het brede open gat van de Hof der Verraders.
De hof was afgeladen, afgezien van een open ruimte in het midden. In de vensters om de hof stonden mensen, op de balkons, zelfs op de daken, maar toch kon ze de eenzame man onderscheiden die wankelend in zijn kettingen in het midden van de lege ruimte stond. Rhand. Er stonden twaalf Aes Sedai om hem heen en nog een, van wie Egwene wist dat die de stola met de zeven banen droeg, zelfs al kon ze haar niet onderscheiden. Die ene stond voor Rhand. Elaida. De woorden die ze nu zou uitspreken, kropen Egwenes geheugen binnen. Deze man, verlaten door het Licht, heeft saidin aangeraakt, de mannelijke helft van de Ware Bron. Zodoende houden wij hem hier. Op de meest afschuwelijke wijze heeft deze man de Ene Kracht geleid, wetend dat saidin door de Duistere is besmet, besmet door mannelijke trots, besmet door mannelijke zonde. Zodoende ketenen wij hem. Met geweld onderdrukte Egwene haar andere gedachten. Dertien Aes Sedai. Twaalf zusters en de Amyrlin, het gebruikelijke aantal voor het stillen. Hetzelfde aantal als voor... Ook die gedachte liet ze los. Ze had nergens meer tijd voor, alleen voor wat ze hier wilde doen. Als ze maar een manier kon bedenken.