Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 61 62 63 64 65 66 67 68 69 ... 203
Перейти на страницу:

‘Ik... ik geloof niet dat ze in de Verwording zijn of terug in Fal Dara. Ik had een droom.’ Ze zei het half verdedigend. Haar woorden klonken vrij dwaas, maar het had zo echt geleken. Een nachtmerrie, zeker, maar echt. Eerst was er een man geweest, met een masker voor zijn gezicht en vuur waar zijn ogen zaten. Ondanks het masker dacht ze dat haar aanwezigheid hem verbaasde. Zijn uiterlijk had haar zo’n angst aangejaagd dat ze dacht dat haar botten door haar gesidder zouden breken. Maar plotseling was hij verdwenen en zag ze Rhand, die gewikkeld in een mantel op de grond lag te slapen. Er had een vrouw naast hem gestaan, die op hem neerkeek. Haar gezicht was in de schaduw, maar haar ogen leken te glanzen als de maan en Egwene had geweten dat zij slecht was. Toen flitste er licht en waren ze weg. Allebei. En over dit alles heen, bijna als iets geheel anders, lag een gevoel van gevaar. Net alsof zich een val begon te sluiten rond een nietsvermoedend schaap, een val met vele tanden. Alsof de tijd vertraagd was en ze de ijzeren kaken naar elkaar zag kruipen. De droom was niet vervlogen toen ze wakker werd, zoals andere dromen. Dat gevaar voelde zo sterk dat ze nog steeds over haar schouder wilde kijken, hoewel ze op de een of andere manier wist dat het Rhand betrof en niet haar.

Ze vroeg zich af of die vrouw Moiraine was geweest en berispte zichzelf. Liandrin paste beter in die rol. Of misschien Alanna. Die had ook belangstelling voor Rhand getoond.

Ze kon het niet opbrengen Anaiya hierover te vertellen. Stijfjes zei ze: ‘Anaiya Sedai, ik weet dat het dwaas klinkt, maar hij is in gevaar. In groot gevaar. Ik weet het. Ik kon het voelen. Ik kan het nog steeds voelen.’

Anaiya keek nadenkend. ‘Wel,’ zei ze nadenkend, ‘ik durf te wedden dat dit een onvermoede mogelijkheid is. Je zou een Droomster kunnen zijn. Het is maar een kleine kans, kind maar... We hebben er in vier- of vijfhonderd jaar geen meer gehad. En dromen is nauw verbonden met voorspellen. Als je werkelijk kunt dromen, kun je mogelijk ook voorspellen. Dat zou de Roden een oog uitsteken. Maar het kan natuurlijk ook gewoon een nachtmerrie zijn. Door onze korte nachten, koud eten en onze snelle reis na Fal Dara. En doordat je die jongeman van jou mist. Veel waarschijnlijker. Ja, ja, kind, ik weet het. Je maakt je zorgen om hem. Gaf je droom aan wat voor soort gevaar het was?’

Egwene schudde haar hoofd. ‘Hij verdween zomaar en ik voelde gevaar. En kwaad. Ik voelde het zelfs al voor hij verdween.’ Ze huiverde en wreef in haar handen, ‘Ik kan het nog steeds voelen.’

‘Goed, we zullen er op de Rivierkoningin verder over praten. Als je echt een Dromer bent, zal ik erop toezien dat je de lessen zult krijgen zoals Moiraine gegeven zou hebben als ze hier... Jij daar!’ blafte de Aes Sedai plotseling en Egwene maakte een sprongetje van schrik. Een lange man die juist op een wijnvat was gaan zitten, sprong ook op. Een paar anderen stapten sneller door. ‘Dat is om aan boord te brengen, niet om op uit te rusten! – We zullen op de boot verder praten, kind. – Nee, dwaas! Dat kun je niet alleen dragen! Wil je jezelf een ongeluk aandoen?’ Anaiya beende weg en liet de ongelukkige dorpelingen een grover taalgebruik horen dan Egwene haar had toegedacht.

Egwene tuurde de duisternis in, naar het zuiden. Hij was daar ergens. Niet in Fal Dara, niet in de Verwording. Ze was er zeker van. Hou vol, wolkoppige dwaas. Als je jezelf om zeep laat brengen voordat ik je uit de nesten kan halen, zal ik je levend villen. Ze stond er echter niet bij stil hoe ze hem uit de nesten kon houden, terwijl ze naar Tar Valon reisde.

Ze trok haar mantel om zich heen en ging een boot naar de rivierkoningin zoeken.

13

Van Steen naar Steen

Het licht van de opgaande zon wekte Rhand en hij vroeg zich af of hij nog steeds droomde. Langzaam kwam hij overeind en staarde rond. Alles was veranderd, of bijna alles. De zon en de hemel waren zoals hij verwachtte, zij het vaalbleek en bewolkt. Links en rechts van hem lagen Loial en Hurin nog in hun mantels gewikkeld te slapen en hun gekluisterde paarden stonden een pas verder, maar verder was alles verdwenen. Krijgslieden, paarden, zijn vrienden, iedereen en alles was verdwenen.

De kom zelf was ook veranderd en ze bevonden zich nu in het midden, niet langer aan de rand. Bij het hoofd van Rhand rees een grijze stenen zuil op, ruim drie stap hoog en zeker een pas dik, bedekt met honderden, misschien wel duizenden diep uitgehouwen tekens en aanduidingen in een taal die hij niet herkende. Witte stenen bedekten de kom, zo vlak als een vloer en glanzend glad gepolijst. Rondom leidden brede, hoge treden in verschillende kleuren steen naar de rand. Daarbuiten rezen de silhouetten van misvormde bomen op, alsof er een vuurstorm was langsgeraasd. Alles leek bleker dan het hoorde te zijn, zelfs de zon was vaag, alsof er mist hing. Maar het was niet mistig. Alleen zij drieën waren er en de paarden leken echt tastbaar. Maar toen hij de rots onder zich aanraakte, vóélde die stevig genoeg.

Hij begon Loial en Hurin wakker te schudden. ‘Word wakker! Word wakker en zeg tegen me dat ik droom. Word alsjeblieft wakker.’ is het al ochtend?’ zei Loial terwijl hij overeind kwam, maar toen viel zijn mond open en zijn grote, ronde ogen werden steeds groter. Hurin schrok wakker, sprong overeind en begon als een vlo op een hete rots heen en weer te springen, nu eens hier, dan weer daar kijkend. ‘Waar zijn we? Wat is er gebeurd? Waar is iedereen? Waar zijn we, heer Rhand?’ Hij viel op zijn knieën en wrong zijn handen terwijl zijn ogen alle kanten op flitsten. ‘Wat is er gebeurd?’ ik weet het niet,’ zei Rhand langzaam, ik hoopte dat ik lag te dromen, maar... Misschien is het een droom.’ Hij had al eerder dromen gehad die geen dromen waren, een ervaring die hij niet nog eens wilde meemaken en waar hij ook niet aan wilde denken. Hij stond voorzichtig op. Alles bleef zoals het was.

‘Ik denk het niet,’ zei Loial, die de zuil bekeek en niet erg blij leek. Zijn lange wenkbrauwen hingen treurig tot op zijn wangen en de toefjes op zijn oren leken te zijn verdord, ik denk dat dit dezelfde steen is als die waar we gisteravond naast lagen. Ik denk dat ik nu weet wat het is.’ Het kwam zelden voor; maar ditmaal leek die kennis hem niet op te beuren.

‘Dat is...’ nee. Dat dit dezelfde steen was, was niet krankzinniger dan wat hij om zich heen kon zien. Mart, Perijn en de Shienaranen waren weg en alles was veranderd. Ik dacht dat ik ontsnapt was, maar het is weer begonnen en niets is meer krankzinnig. Tenzij ik het ben. Hij keek naar Loial en Hurin. Ze deden niet of hij gek was, zij zagen het ook. Iets aan de treden viel hem op, de zeven verschillende kleuren, oplopend van blauw naar rood. ‘Een voor iedere Ajah,’ zei hij.

‘Nee, heer Rhand,’ kreunde Hurin. ‘Nee. Dit zouden Aes Sedai ons niet aandoen. Dat zouden ze niet doen. Ik wandel in het Licht!’

‘Dat doen we allemaal, Hurin,’ zei Rhand. ‘De Aes Sedai zullen jou geen kwaad doen.’ Tenzij je ze voor de voeten loopt. Was dit misschien iets van Moiraine? ‘Loial, je zei dat je wist wat voor steen dit is. Wat dan?’

‘Ik zei dat ik dacht dat ik het wist, Rhand. Ik heb eens een stuk van een oud boek gezien, enkele bladzijden slechts, maar een ervan had een tekening van deze steen, deze Steen.’ De tweede keer sprak hij het uit alsof het iets belangrijks was. ‘Of een die er veel op leek. En eronder stond: “Van Steen naar Steen lopen de lijnen van als, tussen de werelden die zouden kunnen zijn”.’

‘Wat betekent dat, Loial? Het klinkt als wartaal.’ De Ogier schudde langzaam zijn enorme hoofd. ‘Het waren maar een paar bladzijden. Een deel ervan vertelde dat sommige Aes Sedai in de Eeuw der Legenden, de machtigsten die konden reizen, deze Stenen gebruikten. Het boek vertelde niet hoe, maar uit wat ik kon afleiden, denk ik dat die Aes Sedai ze misschien op de een of andere wijze gebruikten om naar die werelden te reizen.’ Hij wierp een blik op de verschroeide bomen en sloeg zijn ogen snel neer, alsof hij niet wilde nadenken over wat er achter de rand lag. ‘Maar zelfs als de Aes Sedai ze kunnen gebruiken, of konden gebruiken... Wij hadden geen Aes Sedai bij ons om de Kracht te geleiden, dus ik snap niet hoe dit kan.’

1 ... 61 62 63 64 65 66 67 68 69 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)