De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Rhand kreeg kippenvel. Aes Sedai hebben ze gebruikt. In de Eeuw der Legenden, toen er nog mannelijke Aes Sedai waren. Hij had een vage herinnering aan de leegte die hem had omhuld toen hij in slaap viel en hoe die vervuld was met die nare gloed. En hij herinnerde zich het vertrek in het dorp en het licht waarnaar hij had gereikt om te ontsnappen. Als dat de mannelijke helft van de Ware Bron was... Nee, dat kan niet. Maar als het nou wel zo is? Licht, ik lag me af te vragen of ik zou vluchten of niet en al die tijd zat het in mijn eigen hoofd. Misschien heb ik ons drieën hier gebracht. Hij wilde er niet aan denken. ‘Werelden die zouden kunnen zijn? Ik begrijp het niet, Loial.’
De Ogier trok zijn schouders hoog op, niet op zijn gemak, ik evenmin, Rhand. Een groot deel van de tekst klonk net zo vaag. “Als een vrouw links gaat of rechts, verdeelt de Tijdstroom zich dan? Weeft het Rad dan twee Patronen? Duizend bij elke draai of wending? Evenveel als de sterren? Is het ene echt en zijn de andere slechts schaduwen en spiegelingen?” Begrijp je, het was niet erg duidelijk. Voornamelijk vragen en de meeste leken elkaar tegen te spreken. En er was gewoon te weinig tekst.’ Hij begon opnieuw naar de zuil te staren, maar hij keek alsof hij die heel ver weg wenste. ‘Men veronderstelt dat er flink wat Stenen over de hele wereld verspreid staan, of ooit hebben gestaan, maar ik heb nog nooit gehoord dat iemand er een heeft gevonden. Ik heb nog nooit gehoord dat iemand zoiets als dit hier vond.’
‘Heer Rhand?’ Hurin stond nu rechtop en leek kalmer, maar hij frommelde met beide handen aan de jas bij zijn buik en zijn gezicht stond gespannen. ‘Heer Rhand, u brengt ons weer terug, hè? Terug naar de plaats waar we horen? Ik heb een vrouw en kinderen, heer. Melia zou het heel erg vinden als ik dood zou gaan, maar als ze niet eens mijn lichaam aan de omarming van de moeder kan teruggeven, zal ze tot het einde van haar dagen blijven treuren. U begrijpt het, hè, heer. Ik kan haar niet achterlaten zonder dat ze het weet. U brengt ons terug, hè. En als ik sterf, als u mijn lichaam niet naar haar kunt brengen, dan zult u het haar vertellen, zodat ze tenminste dat nog heeft.’ Zijn laatste woorden waren geen vragen meer. Zijn vertrouwen klonk door in zijn stem.
Rhand deed zijn mond open om opnieuw te zeggen dat hij geen heer was, maar deed hem weer dicht zonder iets te zeggen. Zoiets was op dit moment helemaal niet belangrijk. Jij hebt hem hierbij betrokken. Hij wilde het ontkennen, maar hij wist wie hij was, wist dat hij kon geleiden, zelfs als het telkens zomaar leek te gebeuren. Loial had gezegd dat Aes Sedai de Stenen gebruikten en dat hield de Ene Kracht in. Als Loial zei dat hij dat wist, dan kon je daar zeker van zijn – de Ogier beweerde nooit dat hij iets wist als hij er niet zeker van was – en er was verder niemand anders in de buurt die de Kracht kon geleiden. Jij hebt hem hierin betrokken, jij zult hem ook eruit moeten halen. Je moet het proberen.
‘Ik zal mijn best doen, Hurin.’ En omdat Hurin een Shienaraan was, voegde hij eraan toe: ‘Bij mijn Huis en mijn eer. Het Huis van een schaapherder en de eer van een schaapherder, maar ik zal ze evenzeer gestand doen als een heer.’
Hurin hield zijn jas niet langer angstig vast. Zijn vertrouwen viel nu ook in zijn ogen te lezen. Hij boog diep. ‘Het is mij een eer u te dienen, heer.’
Schuldgevoel overspoelde Rhand. Hij denkt nu dat je hem thuis zult brengen, omdat de heren van Shienar hun woord altijd gestand doen. Wat ga je nu doen, héér Rhand? ‘Hou daarmee op, Hurin. Geen buigingen meer, ik ben geen...’ Opeens wist hij dat hij tegenover de man niet langer kon ontkennen dat hij een heer was. Het enige dat de snuiver nog flink en op de been hield, was zijn vertrouwen in een heer en hij mocht hem dat niet afnemen, niet nu. ‘Geen buigingen,’ besloot hij onhandig.
‘Zoals u zegt, heer Rhand.’ Hurins glimlach was bijna net zo breed als toen Rhand hem voor het eerst ontmoette. Rhand schraapte zijn keel. ‘Ja. Nou, dat is wat ik je zeg.’ Ze stonden hem beiden aan te kijken, Loial nieuwsgierig, Hurin vol vertrouwen. Allebei stonden ze te wachten op wat hij zou gaan doen. Ik heb ze hier gebracht. Dat moet wel. Dus moet ik ze terugbrengen. En dat betekent...
Hij haalde diep adem en liep over de witte stenen naar de zuil met de tekens. Kleine krabbels in een hem onbekende taal omlijnden ieder teken. De vreemde letters liepen in bochten en spiralen, veranderden opeens in scherpe hoeken en punten en kriebelden dan verder. Het was gelukkig geen Trollokschrift. Aarzelend legde hij zijn handen op de zuil. Die zag eruit als elke andere droge, gladde steen, maar voelde vreemd glibberig aan, als geolied metaal. Hij sloot zijn ogen en vormde de vlam. De leegte kwam traag, aarzelend. Hij wist dat zijn eigen angst hem tegenhield, zijn vrees voor wat hij nu probeerde. Hoe vlugger hij zijn bangheid aan de vlam voedde, hoe meer zijn vrees toenam. Ik kan het niet. De Kracht geleiden. Ik wil het niet. Licht! Er moet toch een andere manier zijn? Grimmig bracht hij die gedachten tot zwijgen. Hij kon de druppels zweet op zijn gezicht voelen. Vastberaden hield hij vol, voedde zijn angst aan de verterende vlammen en liet ze steeds feller aanwakkeren. En opeens was daar de leegte.
Zijn kern zweefde in leegte. Hij kon het licht zien – saidin – en zelfs met gesloten ogen kon hij de warmte voelen. Het omhulde hem van alle kanten en verstikte alles. Het flakkerde als een kaarsvlammetje achter een stuk oliepapier. Bedorven olie. Stinkende olie. Hij reikte ernaar – hij wist niet zeker hóé hij dat deed, maar het was iets, een beweging, een reiken naar het licht, naar saidin – en hij ving niets. Zijn handen leken door water te glijden. Het licht voelde net als een slijmerige poel waar smerigheid op dreef met schoon water eronder, maar hij kon er niets van opscheppen. Steeds weer druppelde het tussen zijn vingers door en zelfs de waterdruppels bleven niet achter, alleen het slijmerige schuim, dat hem kippenvel bezorgde.
Wanhopig trachtte hij een beeld te vormen van de kom zoals die was geweest met Ingtar en de lansiers die bij hun paarden lagen te slapen, met Mart en Perijn en de Steen, die een stukje uit de grond stak. Hij vormde het buiten de leegte, klampte zich vast aan de omhullende mantel van leegte. Hij probeerde dat beeld met het licht te verbinden, probeerde beide naar elkaar toe te dwingen. Het dal zoals dat was geweest met hem en Loial en Hurin daar samen. Zijn hoofd deed pijn. Samen! Met Mart en met Perijn en de Shienaranen. Het brandde in zijn hoofd.
De leegte versplinterde tot duizend messcherpe steentjes die zijn geest in flarden sneden.
Bevend struikelde hij met grote ogen achteruit. Hij had zijn handen zo hard tegen de Steen gedrukt dat ze pijn deden. Zijn armen en schouders trilden pijnlijk, zijn maag keerde zich om door dat smerige gevoel dat in hem zat en zijn hoofd... Hij probeerde rustiger te ademen. Dit was nog niet eerder gebeurd. Als de leegte verdween, verdween die als een doorgeprikte zeepbel, verdween gewoon in een oogwenk. De scherpe splinters waren er nooit geweest. Zijn hoofd voelde verdoofd aan, alsof de duizend kerfjes zo snel waren ontstaan dat de pijn nog niet was gekomen. Maar iedere snee had even echt gevoeld als die van een mes. Hij voelde aan zijn slaap; het verbaasde hem dat hij geen bloed aan zijn vingers zag. De snuiver stond hem stil aan te kijken, nog steeds vol vertrouwen. Dat had hij tenminste wel bereikt: Hurins vertrouwen in hem leek elk moment te groeien. Heer Rhand deed iets. Daar waren heren voor. Zij beschermden het land en het volk met hun lijf en leden; als er iets verkeerd was, maakten zij het weer goed; zo zorgden zij ervoor dat er eerlijk recht werd gedaan. Zolang Rhand maar iets deed, ongeacht wat, zou Hurin erop blijven vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed zou komen. Daar waren heren voor. Loial keek anders, een beetje verbaasd, maar ook zijn ogen waren op Rhand gericht. Rhand vroeg zich af wat de Ogier dacht. ‘Ik wilde het even proberen,’ vertelde hij hun. Dat bedorven vettige gevoel in zijn hoofd – Licht het zit in me! Ik wil het niet in me hebben! – trok langzaam weg, maar nog steeds dacht hij dat hij moest overgeven, ik probeer het straks opnieuw.’