De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Ze bleef staan en keek naar de brabbelende Joiya in haar wiegje, naar Rhand die nog steeds een hand tegen zijn hoofd drukte en haar aankeek alsof hij zich afvroeg waar ze heen ging. ‘Nee,’ zei ze. ‘Dit is het, dit wil ik. Waarom kan ik dit ook niet hebben?’ Ze begreep haar eigen woorden niet. Natuurlijk wilde ze dit, maar ze had het toch al? ‘Wat wil je, Egwene?’ vroeg Rhand. ‘Als ik het voor je kan halen, zal ik dat doen. Als ik het niet kan kopen, maak ik het.’ De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig. Ze deed nog een stap, naar buiten. De zilveren boog wenkte haar. Er wachtte iets op haar aan de andere kant. Iets wat ze dolgraag wilde hebben. Iets wat ze moest doen. ‘Egwene, ik...’
Er klonk een doffe klap achter haar. Ze keek om en zag Rhand op zijn knieën, gebogen en met zijn hoofd tussen de handen geklemd. Hij had nog nooit zoveel pijn gehad. Wat zal hierop volgen? ‘O, Licht!’ steunde hij. ‘Licht! Pijn! Licht, het is erger dan ooit! Egwene?’
Wees standvastig.
Het wachtte. Iets wat ze moest doen. Moest doen. Ze deed nog een stap. Het was moeilijk, moeilijker dan alles wat ze ooit had gedaan. Naar buiten, naar de boog. Achter haar lag Joiya te kraaien.
‘Egwene? Egwene, ik kan het niet...’ Kreunend zweeg hij. Standvastig.
Ze rechtte haar rug en bleef doorlopen, maar de tranen op haar wangen kon ze niet tegenhouden. Rhands gekreun zwol aan tot een gegil dat Joiya’s gekraai overstemde. Vanuit haar ooghoeken zag Egwene Tham zo snel hij kon, komen aanhollen.
Hij kan er niets aan doen, dacht ze en de tranen werden een hartverscheurend snikken. Hij kan helemaal niet helpen. Maar ik zou het kunnen. Ik wel.
Ze stapte het licht binnen en werd opgenomen.
Bevend en snikkend stapte Egwene de boog uit, dezelfde als waardoor ze was binnengekomen, en toen ze Sheriams gezicht voor zich zag, keerde haar geheugen als een waterval pijlsnel terug. Haar tranen werden weggewassen toen Elaida langzaam koud water uit een zilveren kelk over haar hoofd goot. Ze bleef snikken, ze dacht dat er nooit een eind aan zou komen.
‘Jij bent gereinigd,’ verkondigde Elaida, ‘van elk kwaad dat je begaan mag hebben en van het kwaad dat jou is aangedaan. Jij bent gereinigd van elk misdrijf dat je bedreven mag hebben en van de misdrijven die tegen jou zijn bedreven. Je komt tot ons, gereinigd en zuiver, in hart en hoofd.’
Licht, dacht Egwene toen het water langs haar lichaam stroomde, laat het waar zijn. Kan water wegspoelen wat ik heb gedaan? ‘Ze heette Joiya,’ zei ze tegen Sheriam tussen haar snikken door. ‘Joiya. Niets is meer waard dan... wat ik...’
‘Er dient een prijs te worden betaald voordat je Aes Sedai kunt worden,’ antwoordde Sheriam, maar haar ogen toonden mededogen, nog sterker dan eerst. ‘Er is altijd een prijs.’
‘Was het echt? Heb ik het gedroomd?’ Haar snikken smoorden wat ze had willen zeggen. Heb ik hem stervend achtergelaten? Heb ik mijn kleine meid in de steek gelaten?
Sheriam legde haar arm rond Egwenes schouders en leidde haar rond de zilveren bogen, iedere vrouw die ik eruit zag komen, heeft mij die vraag gesteld. Het antwoord is dat niemand het weet. Men heeft bedacht dat die paar die niet terugkwamen, zich wellicht daar gelukkiger voelden en verkozen daar verder te leven.’ Haar stem werd harder. ‘Als het echt is en ze uit eigen verkiezing zijn gebleven, hoop ik dat hun leven daar verre van gelukkig is. Ik heb geen medelijden met iemand die geen verantwoording wil dragen.’ De scherpte in haar stem verdween. ‘Zelf neem ik aan dat het niet echt is. Maar het gevaar is wel echt. Denk eraan.’ Ze bleef staan voor de volgende met licht gevulde boog. ‘Ben je gereed?’
Met haar voeten schuifelend knikte Egwene en Sheriam nam haar arm weg.
‘De tweede keer is voor wat is. De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig.’
Egwene beefde. Wat er ook gebeurt, bet kan niet erger zijn dan de vorige. Dat kan niet. Ze stapte de gloed in.
Ze keek neer op haar gewaad, blauwe zijde afgezoomd met parels, erg vuil en gescheurd. Ze hief het hoofd en keek om zich heen, naar de bouwval van een groot paleis. Het koninklijk paleis van Andor, in Caemlin. Ze wist het en wilde gillen.
De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig.
De wereld was anders dan zij wilde, en als ze daaraan dacht, kon ze wel huilen, maar al haar tranen waren al lang geleden vergoten en de wereld was zoals die was. Ze kon erop rekenen slechts bouwvallen te zien.
Niet lettend op nog meer scheuren in haar kleren, maar dubbel zo voorzichtig om geen enkel geluid te maken, beklom ze een puinhoop en zocht de kronkelende straten van de Binnenstad af. Overal waar ze keek, in alle richtingen, zag ze verwoesting en bouwvallen die eruitzagen of ze door waanzinnigen waren neergehaald, en dikke rookwolken rezen op van nog steeds woedende branden. Er liepen mensen in de straten, benden van gewapende mannen die op zoek waren. En Trolloks. De mannen weken opzij voor de Trolloks en de Trolloks grauwden hen toe en lachten rauw en schor. Maar ze kenden elkaar en werkten samen.
Een Myrddraal kwam de straat inlopen. Zijn zwarte mantel paste zich onbeweeglijk aan zijn stappen aan, zelfs als de wind opstak en stof en rommel opstoof. Zowel mensen als Trolloks doken weg voor zijn oogloze blik. ‘Jaag!’ De stem ritselde als iets wat allang dood was. ‘Sta daar niet te sidderen! Zoek hem!’ Egwene gleed zo stil mogelijk van de puinhoop af. De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig. Ze bleef staan, bang dat die fluistering van het Schaduwgebroed kwam. Maar op de een of andere wijze wist ze zeker dat dat niet het geval was. Ze keek bevreesd om, verwachtte de Myrddraal op haar plekje van daarnet te zien staan en haastte zich verder het verwoeste paleis in. Ze klom over neergestorte balken en perste zich tussen neergestorte zware brokken metselwerk door die haar pad blokkeerden. Eenmaal stapte ze op een vrouwenarm die uitstak vanonder puin dat eens de muur van een kamer was geweest, en misschien een deel van de verdieping erboven. De arm viel haar evenmin op als de Grote Serpent-ring aan haar hand. Ze had zich geoefend niet te letten op de doden in de puinhopen die Trolloks en Duistervrienden van Caemlin hadden gemaakt. Voor de doden kon ze niets doen.
Toen ze zich een doorgang had gebaand door een smalle spleet waar een deel van het plafond was neergestort, belandde ze in een vertrek dat half begraven was onder de bouwlagen erboven. Daar lag Rhand, bekneld onder een dikke balk over zijn middel, zijn benen verborgen onder de talloze steenblokken in het vertrek. Stof en zweet lagen dik op zijn gezicht. Hij deed zijn ogen open toen ze naast hem ging staan. ‘Je bent teruggekomen.’ Hij perste de woorden eruit in een hees gereutel. ‘Ik was bang... Nou ja. Je moet me helpen.’ Vermoeid liet ze zich op de vloer zakken. ‘Die balk kan ik gemakkelijk met Lucht optillen, maar zo gauw die loskomt, stort de rest op jou neer. Op ons allebei. Ik kan niet alles tegelijk aan, Rhand.’ Zijn lach klonk bitter en vol pijn en werd haast meteen weer afgebroken. Nieuw zweet glinsterde op zijn voorhoofd en hij sprak moeizaam. ‘Ik had de balk zelf kunnen verplaatsen. Dat weet je. Ik kan hem verplaatsen en de stenen erop, alles tegelijk. Maar ik moet me laten gaan als ik dat doe en daar kan ik niet op vertrouwen. Ik mag niet hopen op...’ Hij zweeg en zijn adem klonk piepend, ik begrijp het niet,’ zei ze langzaam. ‘Jezelf laten gaan? Waar kun je niet op hopen?’ De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig. Ze perste haar handen woest tegen beide oren. ‘De waanzin, Egwene. Feitelijk... hou ik... die nu... op afstand.’ Zijn hijgende lach gaf haar kippenvel. ‘Maar het kost me alle kracht om dat te doen. Als ik maar een klein beetje verslap, zelfs maar heel even, zal de waanzin mij te pakken krijgen. Dan maal ik niet meer om wat ik doe. Je moet me helpen.’