De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Kwamen ze er nooit meer uit? Egwene moest diep slikken. Ik wil Aes Sedai worden. Maar eerst dus een Aanvaarde. ‘Ik neem het aan.’ Sheriam knikte. ‘Maak jezelf dan klaar.’
Egwene knipperde met haar ogen en wist het toen weer. Ze moest er ongekleed ingaan. Ze bukte zich, legde de dichtgeknoopte rol papieren van Verin neer en aarzelde. Als ze de rol daar liet liggen, kon zowel Sheriam als Elaida erin kijken terwijl ze zich in de ter’angreaal bevond. Ze konden die kleinere ter’angreaal in haar beurs vinden. Als ze weigerde verder te gaan, kon ze die ergens verstoppen, hem misschien onder Nynaeves hoede laten. Haar adem stokte. Ik kan niet meer weigeren. Ik ben al begonnen.
‘Wil je liever weigeren, kind?’ vroeg Sheriam fronsend. ‘Je weet wat dat nu betekent, niet?’
‘Nee, Aes Sedai,’ zei Egwene vlug. Haastig kleedde ze zich uit en vouwde haar kleren op, waarna ze die boven op haar beurs en de rol legde. Meer kon ze niet doen.
Naast de ter’angreaal maakte Alanna opeens een opmerking. ‘Er is een of andere... weerkaatsing.’ Ze bleef strak naar de bogen kijken. ‘Bijna een echo. Ik weet niet waarvandaan.’
‘Is er een probleem?’ vroeg Sheriam scherp. Ze klonk ook verbaasd, ik stuur geen vrouw naar binnen als er een probleem is.’ Egwene keek verlangend naar haar stapeltje kleren. Alsjeblieft, ja, Licht, een probleem. Iets waardoor ik die papieren kan verstoppen en niet hoef te weigeren.
‘Nee,’ zei Alanna. ‘Het is net als wanneer er een bijter om je hoofd zoemt terwijl je probeert na te denken, maar het hindert niet echt. Ik zou het niet eens hebben gezegd als ik ooit eerder over zoiets had gehoord.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Het is nu verdwenen.’
‘Mogelijk vonden anderen het zoiets kleins,’ zei Elaida droog, ‘dat ze het niet eens de moeite van het noemen waard achtten.’
‘Laten we doorgaan.’ Aan Sheriams stem te horen, stond ze geen enkele afleiding meer toe. ‘Kom.’
Met een laatste blik op haar kleren en de verborgen papieren volgde Egwene haar naar de bogen. De stenen vloer voelde onder haar blote voeten ijzig koud aan.
‘Wie brengt gij met u mede, Zuster?’ zong Elaida.
Afgemeten voortschrijdend antwoordde Sheriam: ‘Een die geroepen is voor Aanvaarding, Zuster.’ De drie Aes Sedai rond de ter’angreaal bewogen zich niet. ‘Is zij bereid?’
‘Zij is bereid om achter te laten wat zij was en Aanvaarding te gewinnen door het overwinnen van haar angsten.’
‘Kent zij haar angsten?’
‘Zij heeft ze nimmer onder ogen gezien, maar is nu bereid.’
‘Laat haar dan onder ogen zien wat zij vreest.’ Ondanks alle vormelijkheid was de voldoening in Elaida’s stem duidelijk hoorbaar. ‘De eerste keer,’ zei Sheriam, ‘is voor wat was. De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig.’
Egwene haalde diep adem en stapte naar voren, onder de boog door, de gloed in. Het licht nam haar op.
‘Jaim Datrijt kwam langs. De marskramer had vreemd nieuws uit Baerlon.’
Egwene keek op van de wieg die ze liet schommelen. Rhand stond in de deuropening. Haar hoofd voelde even duizelig. Ze keek verbaasd van Rhand – mijn man – naar het kind in de wieg – mijn dochter – en weer terug.
De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig. Het was geen gedachte van haarzelf, maar een lichaamsloze stem die zowel in haar hoofd als erbuiten kon zijn, mannelijk of vrouwelijk, maar gevoelloos en onherkenbaar. Ze merkte verbaasd dat ze er blijkbaar niet eens verbaasd over was.
Dat moment van verbazing ging voorbij en tevens haar verbazing over een gedachte dat er iets niet klopte. Natuurlijk was Rhand haar echtgenoot – haar knappe, lieve man – en Joiya was haar dochter, het mooiste en liefste meisje van Tweewater. Vanmiddag zouden haar vader en moeder uit het dorp op bezoek komen. En Nynaeve waarschijnlijk ook, om te zien of het moederschap Egwene niet hinderde bij haar lessen, zodat ze op een dag Nynaeve als Wijsheid op zou kunnen volgen. ‘Wat voor nieuws?’ vroeg ze. Ze begon het bedje weer te wiegen en Rhand liep naar het kindje in de kruipluier om het toe te grijnzen. Egwene lachte zachtjes in zichzelf. Hij ging zo volkomen in zijn dochter op dat hij de helft van de tijd niet eens hoorde wat men tegen hem zei. ‘Rhand! Wat voor nieuws? Rhand!’
‘Wat?’ Zijn glimlach verdween. ‘Vreemd nieuws. Oorlog. In het grootste deel van de wereld woedt een of andere grote oorlog, beweert Jaim.’ Dat was vreemd nieuws. Berichten over oorlogen bereikten Tweewater gewoonlijk pas als die allang waren afgelopen. ‘Hij zegt dat iedereen tegen een volk strijdt dat de Seenganen heet of Sanganen, zoiets. Ik heb nog nooit eerder van ze gehoord.’
Egwene herkende... ze meende te weten... Maar het was alweer verdwenen.
‘Voel je je wel goed?’ vroeg hij. ‘We hoeven ons er hier niet druk over te maken, hartje. Er is nooit oorlog in Tweewater. We liggen overal zover vandaan dat niemand zich om ons bekommert.’
‘Ik maak me niet druk. Heeft Jaim nog meer verteld?’
‘Nog meer geruchten en zo. Hij klonk als een Kopin. Hij zei dat een kramer hem had verteld dat die Seenganen Aes Sedai bij de strijd inzetten, maar toen beweerde hij weer dat ze duizend goudmark aan iedereen bieden die een Aes Sedai gevangen aflevert. En ze doden iedereen die er een verbergt. Wartaal. Nou ja, wij hebben er geen last van. Het is ver van ons bed.’
Aes Sedai. Egwene voelde aan haar hoofd. De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig.
Ze merkte dat ook Rhand een hand tegen zijn hoofd hield. ‘Weer die hoofdpijn?’ vroeg ze.
Hij knikte, zijn ogen stonden plotseling strak. ‘Dat poedertje van Nynaeve lijkt de laatste paar dagen niet goed te werken.’ Ze aarzelde. Die hoofdpijnen van hem baarden haar zorgen. Ze waren de laatste tijd steeds erger geworden. En het allerergste was haar eerst niet opgevallen; ze had het liever nooit willen merken. Als Rhand hoofdpijn had, gebeurden er spoedig daarna vreemde dingen. De bliksem had in een strakblauwe lucht de enorme eikenstronk totaal versplinterd, een stronk waar Tham en hij twee dagen mee bezig waren geweest om die uit het nieuwe veld te halen. En er waren stormen geweest die Nynaeve niet had horen aankomen als ze naar de wind luisterde. Bosbranden in het woud. Hoe meer hoofdpijn, hoe erger die verschijnselen buiten waren geweest. Niemand anders had het verband met Rhand gelegd, zelfs Nynaeve niet, en Egwene was daar dankbaar voor. Ze wilde niet nadenken over wat het zou kunnen beduiden. Dat is gewoon stom, vertelde ze zichzelf. Ik moet het weten als ik hem wil helpen. Omdat zij zelf een geheim koesterde, een geheim dat haar zelfs al vrees aanjoeg als ze er alleen maar over nadacht. Nynaeve gaf haar les in kruiden en bracht Egwene bij wat ze als Wijsheid moest weten op de dag dat zij haar zou opvolgen. Nynaeves middeltjes werkten vaak bijna wonderbaarlijk goed, wonden genazen met amper een litteken, zieken werden van de rand van het graf teruggebracht. Maar Egwene had reeds driemaal iemand genezen die Nynaeve had opgegeven. Drie keer had ze in dat laatste uur de hand van een stervende vastgehouden en de zieke van zijn sterfbed zien opstaan. Nynaeve had haar tot op het bot ondervraagd over wat ze had gedaan, welke kruiden ze had gebruikt en hoe ze die had gemengd. Tot dusver had ze niet voldoende moed verzameld om toe te geven dat ze niets had gedaan. Ik moet iets hebben gedaan. Eén keertje kan toeval zijn, maar drie keer... Ik moet erachter zien te komen. Ik moet leren. Dat deed haar hoofd gonzen, alsof de woorden weerkaatsten in haar schedel. Als ik iets voor hen kon doen, dan toch zeker ook voor mijn eigen man. ‘Laat mij het eens proberen, Rhand,’ zei ze. Toen ze opstond, zag ze door de deuropening een zilveren boog voor het huis staan, een boog gevuld met wit licht. De terugweg komt slechts een keer. Wees standvastig. Ze deed al twee stappen naar de deur voor ze zichzelf kon tegenhouden.