De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De terugweg komt slechts ee... Ditmaal eindigde het abrupt. Dertien van de Zwarte Ajah.
Bij die gedachte verstapte ze zich. Het was een angstwekkende gedachte; ze voelde zich uiterst bevreesd, tot in haar botten verkild. Het voelde... persoonlijk. Ze wilde gillen, weghollen en zich verbergen. Ze voelde zich alsof ze haar wilden treffen. Onzin. De Zwarte Ajah is vernietigd. Ook dat leek een vreemde gedachte. Een deel van haar herinnerde zich iets wat de Grote Zuivering werd genoemd. Een ander deel wist zeker dat zoiets niet had plaatsgevonden.
Strak voor zich uitkijkend had Beldeine niet gemerkt dat ze struikelde. Egwene moest sneller doorstappen om haar in te halen. Deze vrouw is tot in haar merg doodsbang. Waar brengt ze mij in Lichtsnaam naar toe?
Beldeine bleef staan voor twee grote gelijke deuren, waarvan het donkere hout was ingelegd met de grote witte Vlam van Tar Valon. Ze veegde haar handen af aan haar kleed, alsof die plots bezweet aanvoelden, voor ze een deur opendeed en Egwene een helling opleidde van dezelfde zilvergestreepte witte steen waaruit de muren van Tar Valon bestonden. Ook hier leek de steen te glanzen. De helling leidde naar een groot rond vertrek onder een koepel op een hoogte van minstens dertig pas. Rond de wanden liep een verhoging, met treden ervoor, behalve waar dit hellende pad en twee andere liepen, die de cirkel nauwkeurig in drie stukken verdeelden. Het midden van de vloer was ingelegd met de Vlam van Tar Valon, omringd door steeds grotere gekleurde cirkels, de kleuren van de zeven Ajahs. Aan de andere kant van het vertrek, recht tegenover dit hellende pad, stond een zware stoel met een hoge rug, vol ingewikkeld houtsnijwerk van ranken en bladeren en geschilderd in de kleuren van alle Ajahs. Beldeine roffelde hard met haar staf op de vloer. Haar stem trilde. ‘Ze komt. De Hoedster van de Zegels. De Vlam van Tar Valon. De Amyrlin Zetel. Ze komt.’
Met veel rokkengeritsel stonden vrouwen met stola’s op van hun stoelen. Eenentwintig stoelen in groepjes van drie, elk groepje geverfd en bekleed in dezelfde kleur als de franje aan de stola’s van de vrouwen ervoor.
De Zaal van de Toren, bedacht Egwene toen ze door de ruimte naar haar stoel liep. De stoel van de Amyrlin Zetel. Dat is het, meer niet. De Zaal van de Toren en de Gezetenen van de Ajahs. Ik ben hier al duizenden malen geweest. Maar ze kon zich geen enkele keer herinneren. Wat doe ik in de Zaal van de Toren? Licht, ze villen me levend als ze merken... Ze wist niet goed wat zij zouden merken, maar ze bad dat het niet zou gebeuren. De terugweg komt slechts... De terugweg komt... De terugweg-
De Zwarte Ajah wacht. Dat was tenminste een afgeronde gedachte. Die van overal kwam. Waarom hoorde niemand anders het? Ze zette zich in de stoel van de Amyrlin Zetel – de stoel die ook de Amyrlin Zetel was – en ze besefte dat ze geen flauw idee had wat ze nu moest doen. De andere Aes Sedai waren eveneens gaan zitten, behalve Beldeine, die met haar staf naast haar stond en zenuwachtig slikte. Ze leken allemaal op haar te wachten. ‘Begin,’ zei ze uiteindelijk.
Het scheen voldoende. Een van de Rode Gezetenen stond op. Egwene herkende geschokt Elaida. Tegelijk wist ze dat Elaida de eerste van de Rode Gezetenen was, en haar bitterste vijand. De blik op Elaida’s gezicht toen ze de ruimte in keek, deed Egwene inwendig huiveren. Die was streng en koud – en triomfantelijk. Het beloofde dingen waar ze maar beter niet aan kon denken. ‘Breng hem binnen,’ zei Elaida luid.
Op een van de hellende paden – een ander dan het pad dat Egwene had gebruikt – klonk het geschraap van laarzen over steen. Mensen verschenen. Een tiental Aes Sedai omringde drie mannen, twee ervan stoere bewakers met de witte Vlam van Tar Valon op hun borst, die de derde struikelend verder trokken aan zijn kettingen, alsof hij verdoofd was.
Egwene veerde op in haar zetel. De geketende man was Rhand. Met zijn ogen half dicht en zijn hoofd op de borst leek hij half te slapen; hij bewoog alleen als de kettingen hem verder trokken. ‘Deze man,’ verkondigde Elaida, ‘heeft zich de Herrezen Draak genoemd.’ Er klonk een gemompel van afkeer, niet alsof de toehoorders verrast waren, maar alsof ze zoiets niet wilden horen. ‘Deze man heeft de Ene Kracht geleid.’ Het gemompel werd luider, vol afkeer en met een klank van vrees. ‘Hiervoor bestaat slechts één straf, erkend en bekend in iedere natie, maar slechts hier uitgesproken, in Tar Valon, in de Zaal van de Toren. Ik doe een beroep op de Amyrlin Zetel het vonnis uit te spreken tot het stillen van deze man.’ Met fonkelende ogen staarde Elaida Egwene aan. Rhand! Wat doe ik nu? Licht, wat moet ik doen?
‘Waarom aarzelt u?’ wilde Elaida weten. ‘Aldus wordt al drieduizend jaar lang gevonnist. Waarom aarzel je, Egwene Alveren?’ Een Gezetene voor Groen sprong overeind en haar boosheid flitste door haar kalmte heen. ‘Schande, Elaida! Toon eerbied voor de Amyrlin Zetel! Toon achting voor de Moeder.’
‘Achting,’ antwoordde Elaida koeltjes, ‘kan zowel worden gewonnen als geronnen. Nou, Egwene? Toon je eindelijk je zwakte, je ongeschiktheid voor dit ambt? Bestaat de mogelijkheid dat je over deze man geen vonnis uitspreekt?’
Rhand probeerde zijn hoofd op te heffen, maar het lukte hem niet. Egwene kwam moeizaam overeind, haar hoofd tolde en ze probeerde zich te herinneren dat zij de Amyrlin Zetel was en leiding gaf aan alle hier aanwezige vrouwen. Ze probeerde te gillen dat ze een Novice was, dar ze hier niet hoorde, dat er iets afschuwelijk mis was. ‘Nee,’ zei ze bevend. ‘Nee, ik kan het niet. Ik zal niet...’
‘Ze verraadt zichzelf!’ Elaida’s schreeuw overstemde Egwenes poging om iets te zeggen. ‘Ze veroordeelt zichzelf met haar eigen woorden! Grijp haar!’
Toen Egwene iets wilde zeggen, bewoog Beldeine naast haar. De staf van de Hoedster trof haar hoofd.
Duisternis.
Eerst kwam de pijn in haar hoofd. Toen voelde ze iets hards en kouds onder haar rug. Ten slotte kwamen de stemmen. Gefluister. ‘Is ze nog bewusteloos?’ Het was een schorre stem, een vijl over bot. ‘Maak je niet bezorgd,’ zei een vrouw heel ver weg. Het klonk of ze zich niet op haar gemak voelde, bang was, maar het niet wilde laten merken. ‘Ze zal worden aangepakt voor ze beseft wat er met haar gebeurt. Dan hoort ze bij ons en kunnen we met haar doen wat we willen. Misschien geven we haar aan jou voor je vermaak.’
‘Nadat jullie haar zelf hebben gebruikt.’
‘Natuurlijk.’
De verre stemmen bewogen zich nog verder weg. Haar hand streek over haar been en voelde blote, gezwollen huid. Ze deed haar ogen een kiertje open. Ze was naakt, bezeerd en lag op een ruwhouten tafel in wat een ongebruikte opslagruimte leek te zijn. Er staken splinters in haar rug. In haar mond proefde ze de metalige smaak van bloed.
Aan de ene kant van het vertrek stond een groepje Aes Sedai te praten, zachtjes maar gespannen. De pijn in haar hoofd maakte denken moeilijk, maar het leek belangrijk hen te tellen. Dertien. Een tweede groep van zwartgekapte en zwartgemantelde mensen voegde zich bij de Aes Sedai, die leken te weifelen tussen terugdeinzen en een poging hooghartig en overheersend te blijven. Een man keek om naar de tafel. Het doodsbleke gezicht onder de kap had geen ogen.
Egwene hoefde de Myrddraal niet te tellen. Ze wist het. Dertien Myrddraal en dertien Aes Sedai. Instinctief gilde ze van pure doodsangst. Maar ondanks al die vrees die haar botten deed kraken, reikte ze naar de Ware Bron, grabbelde wanhopig naar saidar. ‘Ze is wakker!’
‘Dat kan niet! Nog niet!’
‘Scherm haar af. Snel! Snel! Snij haar af van de Ware Bron!’
‘Te laat! Ze is te sterk!’
‘Grijp haar! Opschieten!’
Handen reikten naar haar armen en benen. Deegbleke handen als slakken onder een rots, bestuurd door geesten achter bleke, oogloze gezichten. Als die handen haar zouden aanraken, wist ze dat ze gek zou worden. De Kracht vulde haar.