De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Je kunt beter blijven,’ zei Verin. ‘Je kunt er iets van opsteken. Naar wat Moiraine me verteld heeft, heb jij maar weinig oefening nodig om bij de Aanvaarden opgenomen te kunnen worden.’ Nynaeve aarzelde even voordat ze resoluut het hoofd schudde. ‘Ik dank u voor het aanbod, maar ik kan best tot Tar Valon wachten. Egwene, als je me nodig hebt, ik zal...’
‘Volgens elke maatstaf,’ onderbrak Verin haar, ‘ben je een volwassen vrouw, Nynaeve. Gewoonlijk geldt dat hoe jonger de Novice is, hoe beter ze het doet. Niet vanwege de oefening die nodig is, maar van een Novice wordt verwacht dat ze haar opdrachten zonder vragen uitvoert. Die gehoorzaamheid zal ze eigenlijk pas nodig hebben als de oefeningen een bepaald punt bereiken – een aarzeling op de verkeerde plaats of twijfel aan je opdracht, kan ernstige gevolgen hebben – maar het is beter die discipline al vroeg op te brengen. Van een Aanvaarde daarentegen wordt verwacht dat ze dingen betwijfelt, omdat men er vanuit gaat dat zij genoeg kennis heeft om te weten welke vragen ze moet stellen en wanneer. Waaraan geef jij de voorkeur?’ Nynaeve frommelde aan haar rok en keek peinzend naar de tentflap. Ten slotte gaf ze een kort knikje en ging weer op de vloer zitten. ‘Ik kan net zo goed blijven,’ zei ze.
‘Goed,’ zei Verin. ‘Nou, je kent dit gedeelte al, Egwene, maar voor Nynaeve zal ik je er stap voor stap doorheen leiden. Mettertijd zal dit een tweede natuur voor je worden – sneller dan je nu verwacht – maar het is nu het beste om langzaam te beginnen. Sluit je ogen, alsjeblieft. Het gaat in het begin beter als je nergens door wordt afgeleid.’ Egwene sloot haar ogen. Er viel een stilte. ‘Nynaeve,’ zei Verin, ‘sluit je ogen alsjeblieft. Het gaat dan echt beter.’ Weer een stilte. ‘Dank je, kind. Nu moet je jezelf leegmaken. Maak je gedachten leeg. Er is maar één ding in je geest. Een bloemknop. Alleen dat. Alleen de knop. Je kunt alle bijzonderheden zien. Je kunt hem ruiken. Je kunt hem aanraken. Elke nerf van elk blad, elke ronding. Je kunt het stuwen van het sap voelen. Voel het. Ken het. Word het. Jij en de bloem zijn één. Jij bent één. Jij bent de knop.’ Haar stem gonsde eentonig door, maar Egwene hoorde het niet echt meer; zij had deze oefening al eerder met Moiraine gedaan. Het ging traag, maar Moiraine had gezegd dat het na meerdere oefeningen sneller zou gaan. Haar innerlijk was een rozenknop, de rode blaadjes stijf dicht. Maar plotseling was er iets anders. Licht. Licht dat op de blaadjes drukte. Langzaam openden de blaadjes zich; ze wendden zich naar het licht, namen het licht op. De roos en het licht waren één. Egwene en het licht waren één. Ze kon het kleinste straaltje door haar heen voelen stromen. Ze reikte naar meer, dwong zich meer... In een oogwenk was het allemaal weg, de roos, het licht. Moiraine had ook gezegd dat je het niet kon dwingen. Met een zucht opende ze de ogen. Nynaeve had een grimmige trek op haar gezicht. Verin was de kalmte zelf.
‘Je kunt het niet dwingen om te komen,’ zei de Aes Sedai. ‘Je moet het laten komen. Je moet je overgeven aan de Kracht voordat je die kunt beheersen.’
‘Dit is volslagen dwaasheid,’ mopperde Nynaeve. ‘Ik voel me geen bloem. Als ik iets voel, is het een doornstruik. Ik denk dat ik toch maar bij het vuur zal wachten.’
‘Zoals je wilt,’ zei Verin. ‘Heb ik je al verteld over de taken die Novices moeten uitvoeren? Ze doen de vaat, schrobben vloeren, doen de was, bedienen aan tafel, al dat soort karweitjes. Zelf denk ik dat dienstmeisjes er veel beter in zijn, maar de meesten geloven dat dit werk het karakter vormt. O, je blijft? Goed. Wel, kind, bedenk dat zelfs een doornstruik soms bloemen heeft, prachtig wit tussen de doorns. We proberen het, stap voor stap. Vanaf het begin, Egwene. Sluit je ogen.’
Voor Verin vertrok, had Egwene de Kracht meermalen door zich heen voelen stromen, maar nooit erg sterk. Het bewegen van de lucht lukte haar het best, waardoor de tentflap een klein beetje bewoog. Ze dacht dat een niesbui hetzelfde kon doen. Met Moiraine had ze het beter gedaan, een paar keer tenminste. Ze had liever Moiraine als begeleidster gehad.
Nynaeve voelde nog geen glimpje. Dat zei ze tenminste. Op het laatst had ze zo’n grimmig samengeknepen mond dat Egwene bang was dat ze Verin de les zou gaan lezen als een of andere dorpsvrouw die haar rust verstoorde. Maar Verin zei haar enkel nog eens de ogen te sluiten; ze betrok er echter ditmaal Egwene niet bij. Egwene zat tussen haar gegeeuw door naar de andere twee te kijken. Het was laat geworden, ver voorbij het tijdstip waarop ze meestal ging slapen. Het gezicht van Nynaeve zag eruit of ze al een week dood was. Haar ogen waren stijf dichtgeknepen, alsof ze die nooit meer open wilde doen en de handen in haar schoot waren tot vuisten gebald. Egwene hoopte dat de Wijsheid geen driftbui zou krijgen, niet nu ze zich al zo lang had kunnen beheersen. ‘Voel de stroom door je heen gaan,’ zei Verin. Haar stem veranderde niet, maar plotseling glansden haar ogen. ‘Voel de stroom. Een stroom van de Kracht. Een stroom als een briesje, een zacht trillen van de lucht.’ Egwene ging rechtop zitten. Zo had Verin haar iedere keer geleid wanneer de Kracht werkelijk door haar stroomde. ‘Een zacht briesje, een heel lichte trilling van de lucht. Zacht.’ Opeens sloegen de vlammen uit de dekens alsof het oliehout was. Nynaeve opende haar ogen en gaf een gil. Egwene was er niet zeker van of zij ook had gegild. Ze besefte alleen dat ze overeind was gesprongen en de brandende dekens naar buiten probeerde te schoppen voor de hele tent in vlammen opging. Ze hoefde maar één schop te geven, want opeens verdwenen de vlammen. Ze lieten opkringelende rookslierten uit een verkoolde massa achter en de geur van verbrande wol.
‘Nou,’ zei Verin, ‘nou, nou. Ik had er niet op gerekend dat ik een vuurtje moest doven. Niet flauwvallen, kind. Het is in orde. Ik heb het geblust.’
‘Ik... ik was boos,’ zei Nynaeve met trillende lippen. Haar gezicht was bloedeloos. ‘Ik hoorde u praten over een briesje, me vertellen wat ik moest doen, en opeens schoot er vuur door mijn gedachten. Ik... ik wilde niets verbranden. Het was maar een klein vuurtje, in... in mijn hoofd.’ Ze rilde.