De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Elke avond werd het kamp pas laat opgeslagen, want de Amyrlin liet pas halt houden als er nog amper genoeg licht was om de tenten op te richten. Het waren lage witte tenten die net groot genoeg waren om in te staan. Elk paar Aes Sedai van dezelfde Ajah deelde een tent, terwijl de Amyrlin en de Hoedster ieder een eigen tent hadden. Moiraine sliep in de tent van haar twee zusters van de Blauwe Ajah. De krijgslieden vonden een plekje in hun eigen kamp, terwijl de zwaardhanden zich in hun mantels wikkelden bij de tenten van de Aes Sedai aan wie zij gebonden waren. De tent van de Rode Ajah leek vreemd eenzaam zonder een zwaardhand, terwijl die van de Groene er bijna feestelijk uitzag. De twee Aes Sedai zaten nog laat voor hun tent met de vier meegenomen zwaardhanden te praten. Lan kwam een keer naar de tent van Egwene en Nynaeve en nam de Wijsheid mee. Op korte afstand bleven ze in het donker staan. Egwene loerde om de tentflap heen om ze gade te slaan. Ze kon hun gesprek niet horen, maar Nynaeve werd uiteindelijk boos en beende terug. Ze wikkelde zich in haar dekens en weigerde ook maar iets te zeggen. Egwene meende dat haar wangen nat waren, hoewel ze haar gezicht achter een rand van de deken verborg. Lan stond nog lange tijd in het donker naar de tent te kijken voor hij wegging. Daarna kwam hij niet meer langs.
Moiraine kwam niet; ze knikte hen slechts in het voorbijgaan toe. Als ze niet sliep, scheen ze de tijd te besteden aan gesprekken met de andere Aes Sedai, behalve met de Rode zusters. Ze nam ieder tijdens de rit even apart. De Amyrlin stond slechts weinig rustperioden toe en die waren altijd kort.
‘Misschien heeft ze geen tijd meer voor ons,’ merkte Egwene terneergeslagen op. Moiraine was de enige Aes Sedai die ze kende. Misschien de enige die ze kon vertrouwen, al vond ze het niet leuk dat te erkennen. ‘Ze heeft ons gevonden en nu zijn we op weg naar Tar Valon. Ik neem aan dat ze andere zaken aan haar hoofd heeft.’ Nynaeve snoof zachtjes. ‘Ik geloof pas dat ze met ons klaar is als ze dood is, of als wij het zijn. Ze is sluw.’
Andere Aes Sedai kwamen wel naar hun tent. Die eerste nacht buiten Fal Dara sprong Egwene bijna tegen het tentdak van schrik toen de tentflap opzij werd geduwd en een gezette Aes Sedai met een grof vierkant gezicht hun tent indook. Haar haren werden grijs en ze had een vage, wat verwarde blik in haar donkere ogen. Ze keek even naar de lantaarn die aan het hoogste punt in de tent hing en de vlam werd een beetje groter. Egwene dacht dat ze iets voelde. Ze meende rond de Aes Sedai bijna iets te zien toen de vlam helderder werd. Moiraine had haar gezegd dat ze op een dag – als ze meer ervaring zou hebben – zou kunnen zién wanneer een andere vrouw geleidde. En ook weten of een vrouw kon geleiden, zelfs al deed ze niets. ‘Ik ben Verin Matwin,’ zei de vrouw glimlachend. ‘En jullie zijn Egwene Alveren en Nynaeve Almaeren. Uit Tweewater, dat vroeger Manetheren was. Sterk bloed daar. Het zingt.’ Terwijl de twee Emondsvelders overeind kwamen, keken ze elkaar aan. ‘Moeten we voor de Amyrlin Zetel verschijnen?’ vroeg Egwene.
Verin lachte. De Aes Sedai had een inktvlek op haar neus. ‘Goeie genade, nee. De Amyrlin Zetel heeft wel wat belangrijkers aan haar hoofd dan twee jonge vrouwen die nog niet eens Novices zijn. Hoewel, je kunt er nooit zeker van zijn. Jullie hebben allebei geweldige mogelijkheden, vooral jij, Nynaeve. Op een dag...’ Ze wachtte even en wreef nadenkend met haar vinger precies over de inktvlek. ‘Maar zover is het nog niet. Ik ben hier om je les te geven, Egwene. Je bent een beetje te hard doorgehold, vrees ik.’
Egwene keek zenuwachtig naar Nynaeve. ‘Wat heb ik gedaan? Ik weet van niets.’
‘O, niets verkeerds. Niet echt. Misschien een beetje gevaarlijk, maar niet echt verkeerd.’ Verin ging op het vloerzeil zitten en vouwde haar benen onder zich. ‘Ga zitten, allebei. Zitten. Ik wil geen verrekte nek.’ Ze verschoof wat tot ze gemakkelijk zat. ‘Ga zitten.’ Egwene ging met gekruiste benen tegenover de Aes Sedai zitten en deed haar best om niet naar Nynaeve te kijken. Ik boef niet schuldig te kijken tot ik weet of ik dat ben. En misschien zelfs dan niet. ‘Wat heb ik gedaan wat gevaarlijk is, maar niet echt verkeerd?’
‘Nou, je hebt de Kracht geleid, kind.’
Egwene kon haar alleen maar met open mond aankijken. Nynaeve barstte los: ‘Dat is belachelijk. Waarom gaan we anders naar Tar Valon? Toch juist daarvoor?’
‘Moiraine heeft... ik bedoel, Moiraine Sedai heeft me lessen gegeven,’ kon Egwene uitbrengen.
Verin stak haar beide handen op en ze zwegen. Ze mocht wat verward lijken, maar ze was tenslotte toch een Aes Sedai. ‘Kind, denk je dat een Aes Sedai ieder meisje dat zegt dat het een van ons wil worden, leert geleiden? Nou ja, ik veronderstel dat jij niet precies “ieder” meisje bent, maar toch...’ Ze schudde ernstig het hoofd. ‘Waarom deed ze het dan?’ vroeg Nynaeve. Zij had geen lessen gehad en Egwene wist nog steeds niet zeker of dat Nynaeve nu wel of niet stak.
‘Omdat Egwene al geleid had,’ zei Verin geduldig. ‘Dat... dat heb ik ook.’ Nynaeve klonk niet erg blij. ‘Jouw omstandigheden zijn anders, kind. Dat je nog steeds in leven bent, toont aan dat jij in je eentje gevaarlijke momenten hebt doorstaan. Op elke vier vrouwen die gedwongen worden te doen wat jij deed, overleeft er maar één. Natuurlijk, de wilders...’ Verin maakte een grimas. ‘Vergeef me, maar zó noemen we tot mijn spijt in de Witte Toren vaak vrouwen die het net als jou zonder oefening lukt het geleiden min of meer te beheersen. Het gebeurt onbewust en je mag het amper beheersing noemen, maar toch is het een soort beheersing. Wilders hebben zeker problemen. Ze hebben bijna altijd muren opgetrokken om zichzelf te beschermen. Om niet te hoeven weten wat ze precies doen. Die muren verstoren de bewuste beheersing; hoe langer ze bestaan, hoe moeilijker het is ze omver te halen. Als die muren echter vernietigd kunnen worden, nou, sommigen van onze sterkste zusters waren ooit wilders.’
Nynaeve verschoof geërgerd en keek naar buiten alsof ze van plan was weg te gaan.
‘Ik snap niet wat dat allemaal met mij te maken heeft,’ zei Egwene. Verin zat haar met knipperende ogen aan te kijken, bijna alsof ze zich afvroeg waar zij opeens vandaan was gekomen. ‘Met jou? Helemaal niets. Jouw probleem ligt heel anders. De meeste meisjes die Aes Sedai willen worden – ook meisjes die jouw aanleg hebben – zijn er bang voor. Zelfs als ze in de Toren zijn, zelfs als ze hebben geleerd wat ze moeten doen, en hoe, moeten ze nog stap voor stap begeleid worden door een zuster of door een Aanvaarde. Maar jij niet. Moiraine vertelde me dat jij erin sprong zodra je wist dat je het kon en dat je je een weg door het duister hebt gezocht zonder ooit na te denken of er onder je volgende stap een bodemloze put kon liggen. O, er zijn anderen als jij; je bent niet uniek. Moiraine was er zelf een. Toen ze eenmaal wist wat je gedaan had, zat er voor haar niets anders op dan je te scholen. Heeft Moiraine dit nog nooit aan je uitgelegd?’
‘Nooit.’ Egwene wenste dat haar stem niet zo ademloos klonk. ‘Ze had... andere dingen waarmee ze zich bezighield,’ snoof Nynaeve.
‘Tja... Moiraine gelooft niet dat je iemand iets moet vertellen wat diegene niet hoeft te weten. Weten dient geen werkelijk doel, maar dat geldt ook voor niet-weten. Zelf geef ik altijd de voorkeur aan weten.’
‘Is er een? Een put, bedoel ik?’
‘Tot nu toe niet, dat is duidelijk,’ zei Verin, haar hoofd schuin houdend. ‘Maar bij de volgende stap?’ Ze haalde de schouders op. ‘Zie je, kind, hoe meer je probéért de Ware Bron te bereiken, probéért de Ene Kracht te geleiden, hoe gemakkelijker het wordt om het daadwerkelijk te doen. Ja, in het begin span je je volledig in de Bron te bereiken en al te vaak lijkt het of je lucht wil grijpen. Of je raakt saidar inderdaad aan, maar zelfs als je de Ene Kracht door je heen voelt stromen, merk je dat je er niets mee kunt doen. Of je doet iets en het wordt iets wat je helemaal niet bedoelde. Dat is het gevaar. Meestal werkt het samen. Het oefenen, de begeleiding, de angst van het meisje waardoor ze niet te ver gaat, het vermogen de Bron te bereiken en de Kracht te geleiden bundelen zich met de kunde om je daden te beheersen. Maar jij probeerde te geleiden zonder iemand die je enige beheersing kon bijbrengen. Ik weet dat je denkt dat je niet ver bent gekomen en dat ben je ook niet. Je bent echter iemand die zichzelf heeft geleerd om heuvels op te rennen zonder te weten hoe je aan de andere kant naar beneden moet komen. Als je de rest niet leert, kom je vroeg of laat ten val. Nu praat ik niet over wat er gebeurt als zo’n arme man gaat geleiden. Jij wordt niet krankzinnig, jij sterft niet, niet met zusters die je zullen scholen en begeleiden. Maar wat zou je volkomen per ongeluk kunnen doen, terwijl je het nooit zo bedoeld hebt?’ Een moment keken Verins ogen niet wazig meer. Even leek het alsof de flitsende blik van de Aes Sedai op Egwene en Nynaeve net zo scherp was als die van de Amyrlin. ‘Jouw aangeboren mogelijkheden zijn sterk, kind, en zij zullen sterker worden. Je moet leren ze te beheersen voordat je jezelf, iemand anders of een heleboel mensen kwaad doet. Dat was wat Moiraine je probeerde bij te brengen. Daarom kom ik je vannacht helpen en daarom zal een zuster je elke avond helpen, totdat we je aan de ervaren handen kunnen overlaten van Sheriam. Zij is de Meesteresse der Novices.’ Egwene dacht: Kan zij het weten van Rhand?Onmogelijk. Bij het geringste vermoeden had ze hem nooit uit Fal Dara laten vertrekken. Maar ze was er zeker van dat ze zich die scherpe blik niet had verbeeld. ‘Dank u, Verin Sedai. Ik zal het proberen.’ Nynaeve kwam vlot overeind. ‘Ik zal bij het vuur gaan zitten en jullie niet storen.’