De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Fajin negeerde het allemaal. Hij was niet bang hen zijn rug toe te keren – niet sinds ze gezien hadden hoe het de Schim vergaan was – en liep naar zijn schat. Hij knielde, liet zijn hand over de bewerkte gouden kist glijden en voelde de macht die erin lag opgesloten. Een Trollok moest de kist van hem dragen. Hij vertrouwde de mensen niet genoeg om ze de kist op een pakpaard te laten hijsen. Misschien waren sommige machtsdromen zo sterk dat ze zelfs de vrees voor hem konden overwinnen, maar Trolloks droomden alleen van moordpartijen. Bovendien was hij er nog niet achter hoe hij de kist kon openen. Maar dat zou wel komen. Alles zou komen. Alles. Hij trok de dolk uit de schede, legde hem boven op de kist en ging toen naast het vuur liggen. Die dolk was een betere bewaker dan een Trollok of een mens. Ze hadden allemaal gezien wat er gebeurd was toen hij de dolk een keer had gebruikt. Uit zichzelf zou niemand een stap in de buurt van die kille kling durven komen en na zijn bevel slechts met de grootste tegenzin.
Hij lag onder zijn dekens en staarde naar het noorden. Hij kon Altor nu niet voelen; de afstand was te groot. Of misschien deed Altor zijn verdwijnkunstje. Soms was de jongen in de burcht van Fal Dara ineens voor Fajins zintuigen verdwenen. Hij wist niet hoe dat kon, maar Altor kwam altijd weer terug, net zo plotseling als hij verdwenen was. Ook deze keer zou hij terugkomen. ‘Deze keer kom je naar mij toe, Rhand Altor. Ik heb je eerder moeten volgen als een hond op het spoor, maar nu kom je achter mij aan.’ Zijn gelach was een gekakel waarvan zelfs hij wist dat het waanzinnig klonk, maar dat kon hem niet schelen. Waanzin maakte ook deel van hem uit. ‘Kom maar, Altor. De dans is nog niet eens begonnen. We zullen dansen op de Kop van Toman en ik zal van je worden verlost. Ik zal je eindelijk dood voor me zien liggen.’
12
Verweven in het Patroon
Egwene haastte zich achter Nynaeve aan naar het groepje Aes Sedai rond de palankijn van de Amyrlin Zetel. Ze wilde zo graag weten wat al die onrust in de burcht van Fal Dara had veroorzaakt, dat zelfs haar bezorgdheid om Rhand even was verdwenen. Hij was buiten haar bereik, op dit moment althans. Bela, haar ruige merrie, stond met Nynaeves rijdier bij de paarden van de Aes Sedai. De zwaardhanden hielden hun handen aan het gevest en hun ogen zochten alles af, terwijl ze een kring van staal rond de Aes Sedai en de palankijn vormden. Zij waren een eiland van betrekkelijke rust op de binnenplaats, waar de Shienaraanse krijgslieden nog steeds tussen de met afgrijzen vervulde mensen heen en weer renden. Egwene drong zich naast Nynaeve door de kring heen. Na een enkele scherpe blik van de zwaardhanden werden ze genegeerd; ze wisten allemaal dat zij met de Amyrlin zouden vertrekken. Ze ving genoeg op van het gemompel van de menigte om te horen van een pijl die schijnbaar vanuit het niets was afgeschoten en van een schutter die nog niet was gegrepen.
Egwene bleef met grote ogen stokstijf staan. Ze was te geschokt om te beseffen dat ze midden tussen de Aes Sedai stond. Een aanslag op de Amyrlin Zetel. Onvoorstelbaar.
De Amyrlin zat in haar palankijn met de gordijnen open, terwijl alle ogen naar de met bloed bevlekte scheur in haar mouw dwaalden. Ze keek neer op heer Agelmar. ‘Je zult de schutter vinden, of niet, mijn zoon. Hoe dan ook, mijn werk in Tar Valon vraagt evenveel spoed als de speurtocht van Ingtar. Ik vertrek nu.’
‘Maar Moeder,’ protesteerde Agelmar, ‘deze aanslag op uw leven verandert alles. We weten nog steeds niet wie die man heeft gestuurd, of waarom. Gun me wat tijd en ik heb de schutter en de antwoorden.’ De Amyrlin lachte zonder een spoortje humor. ‘Je hebt beter aas of fijnere netten nodig om deze vis binnen te halen, zoon. Tegen de tijd dat je de man hebt, is het te laat om vandaag nog te vertrekken. Er zijn zoveel mensen die mijn dood zouden toejuichen dat ik me niet al te veel zorgen kan maken over deze man. Laat het me maar weten als je iets vindt.’ Haar ogen gleden over de torens, vestingmuren en omlopen die uitkeken op de binnenplaats en waar de mensen zich nog steeds verdrongen. Het was nu echter een stille menigte. De pijl was daar ergens vandaan gekomen. ‘Ik denk dat deze boogschutter al uit Fal Dara is gevlucht.’
‘Maar Moeder...’
De vrouw in de palankijn onderbrak hem met een scherp, beslist gebaar. Zelfs de heer van Fal Dara kon de Amyrlin Zetel maar tot zekere hoogte onder druk zetten. Haar ogen bleven op Egwene en Nynaeve rusten, en Egwene kreeg het gevoel dat die doordringende ogen al haar geheimen konden zien. Egwene deinsde terug, maar vermande zich toen en maakte een knix. Ze vroeg zich af of zo’n lichte kniebuiging wel juist was; niemand had haar ooit verteld wat je moest doen als je de Amyrlin Zetel ontmoette. Nynaeve hield haar rug recht en beantwoordde de blik van de Amyrlin, maar ze zocht Egwenes hand en kneep er net zo hard in als Egwene in de hare. ‘Dus dat zijn die twee van jou, Moiraine?’ zei de Amyrlin. Moiraine knikte bijna onmerkbaar en de andere Aes Sedai draaiden zich om en staarden de twee vrouwen uit Emondsveld aan. Egwene slikte. Ze zagen er allemaal uit alsof ze dingen wisten, dingen die andere mensen niet kenden, en het hielp helemaal niet dat ze die ook echt wisten. ‘Ja, ik voel in elk van hen een sterke vonk. Maar wat zal er uit hen ontspringen? Dat is de vraag, niet?’
Egwenes mond was zo droog als stof. Ze had baas Padewijn, de timmerman thuis, naar zijn gereedschappen zien kijken zoals de Amyrlin hen bekeek. Hij voor zijn werk, zij voor het hare. Abrupt zei de Amyrlin: ‘Het is tijd om te gaan. Naar de paarden. Heer Agelmar en ik kunnen zeggen wat er gezegd moet worden zonder dat jullie staan te gapen als Novices op een vrije dag. Te paard!’ Op haar bevel begaven de zwaardhanden zich naar hun paarden, maar ze bleven opletten. Alle Aes Sedai, behalve Leane, schreden van de palankijn naar hun eigen rijdieren. Toen Egwene en Nynaeve wilden gehoorzamen, verscheen aan Agelmars zijde een dienaar met een zilveren kelk. Agelmar pakte hem aan met een ontevreden trek op zijn gezicht.
‘Aanvaard deze beker uit mijn hand, Moeder, aanvaard mijn wens dat het u wel ga op deze dag, en iedere...’
De rest ging voor Egwene verloren toen ze zich op Bela hees. Tegen de tijd dat ze haar trouwe merrie een klopje had gegeven en haar rokken had geschikt, was de palankijn al op weg naar de open poort. De paarden liepen zonder teugels of leidsels. Leane reed naast de palankijn met haar staf in de stijgbeugel gestoken. Egwene en Nynaeve stuurden hun paarden naar de overige Aes Sedai achter de palankijn.
Het gebrul en gejuich van de menigte langs de straten begroetten de stoet en wisten het geroffel van de trommelaars en het geschetter van de blazers bijna te overstemmen. Voorop reden de zwaardhanden, met de wapperende banier van de Witte Vlam. Ze reden als bescherming rond de Aes Sedai en hielden de menigte op afstand. Daarna volgden in het gelid de boogschutters en piekeniers met het blazoen van de Vlam op hun borst. De blazers zwegen toen de stoet de stad uit en naar het zuiden trok, maar ook buiten de poorten konden ze nog steeds de toejuichingen in de stad opvangen. Egwene keek regelmatig om rot bomen en heuvels de torens en muren van Fal Dara aan het gezicht onttrokken.
Nynaeve, die naast haar reed, schudde het hoofd. ‘Rhand is veilig. Hij heeft heer Ingtar en twintig lansiers bij zich. Hoe dan ook, je kunt er toch niets meer aan veranderen. Jij niet, ik niet.’ Ze gluurde even naar Moiraine. De slanke witte merrie van de Aes Sedai en Lans grote zwarte hengst vormden een merkwaardig paar. ‘Nog niet.’ De stoet boog af naar het westen, maar vorderde slechts langzaam. Zelfs krijgslieden met een lichte wapenrusting konden niet snel in de Shienaraanse heuvels marcheren en dat tempo lang volhouden. Maar ze liepen zo snel ze konden.