De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Hij gluurde het kamp rond. De Shienaranen ontdeden de pakdieren van hun lasten en enkelen deelden al een koud maal uit van gedroogd vlees en platbrood. Mart en Perijn verzorgden hun paarden en Loial zat op een steen een boek te lezen, met een lange pijp tussen zijn tanden geklemd. Een vleugje rook kringelde boven zijn hoofd. Rhand hield de bundel vast alsof hij bang was hem te laten vallen en verdween heimelijk tussen de bomen. Hij knielde neer op een kleine onbegroeide plek, verborgen tussen dicht gebladerte, en legde de bundel op de grond. Een tijdlang zat hij ernaar te kijken. Dat zou ze toch niet doen? Dat kon ze niet doen! Een klein stemmetje gaf antwoord: O ja, dat kon ze wel. Ze kan het en zal het doen. Toen begon hij de koorden rond de bundel los te knopen. De nette precieze knopen verrieden overduidelijk Moiraines hand. Dit zou een dienaar niet voor haar hebben gedaan. Ze zou dit nooit aan een dienaar overlaten. Toen hij het laatste koord los had, vouwde hij de inhoud open. Zijn handen voelden verdoofd aan. Toen zat hij er met droge mond naar te staren. Het was helemaal uit een stuk, niet geweven, niet beschilderd of gekleurd. Een banier, wit als sneeuw, groot genoeg om overal op een slagveld gezien te worden. Er stond een kronkelende figuur op. Een serpent met gouden en karmozijnen schubben, een serpent met vier geschubde poten, elk met vijf gouden klauwen, een serpent met ogen als de zon en gouden leeuwenmanen. Hij had hem één keer eerder gezien en Moiraine had hem verteld wat het was. De banier van Lews Therin Telamon, Lews Therin Verwantslachter, in de Oorlog van de Schaduw. De banier van de Draak. ‘Moet je kijken! Moet je zien wat hij nu weer heeft!’ Mart drong zich tussen de takken door naar het open stuk. Perijn kwam langzaam achter hem aan. ‘Eerst opschepperige mantels,’ snauwde Mart, ‘en nu nog een banier! Er komt geen eind aan dat herengedoe, met...’ Hij was nu zo dichtbij dat hij de banier duidelijk kon zien en zijn mond viel open. ‘Licht!’ Hij struikelde achteruit. ‘Bloedvuur!’ Hij was er ook bij geweest toen Moiraine de banier een naam had gegeven. Net als Perijn.
Woede borrelde in Rhand omhoog. Woede tegen Moiraine en de Amyrlin Zetel, die hem nu hier en dan daarheen duwden. Hij pakte de banier met beide handen beet en schudde die voor Marts ogen heen en weer. De woorden stroomden als een waterval. ‘Ja, dat is het! De Drakenbanier!’ Mart deed nog een stap naar achter. ‘Moiraine wil dat ik een pop word aan de touwtjes van Tar Valon, een valse Draak voor de Aes Sedai. Ze wringt het me door de strot, wat ik ook doe, maar ik laat me niet gebruiken!’ Mart was teruggedeinsd tot hij tegen een boomstam stond. ‘Een valse Draak?’ Hij slikte. ‘Jij? Dat... dat is krankzinnig.’ Perijn had zich niet teruggetrokken. Hij ging op zijn hurken zitten met zijn armen om zijn knieën en bestudeerde Rhand met zijn heldere, gouden ogen. In het avondlicht leken ze te schitteren. ‘Als de Aes Sedai jou als valse Draak willen...’ Hij wachtte even en overdacht alles. Eindelijk zei hij zacht: ‘Rhand, kun jij geleiden?’ Mart gaf een gesmoorde kreet.
Rhand liet de banier vallen. Hij aarzelde slechts een moment voordat hij berustend knikte. ‘Ik heb er niet om gevraagd. Ik wil het niet. Maar... Maar ik weet niet hoe ik het kan laten ophouden.’ Onwillekeurig kwam de kamer met de vliegen weer in zijn gedachten. ‘Ik denk niet dat ze me tegen willen houden.’
‘Bloedvuur!’ hijgde Mart. ‘Bloed en as! Ze zullen ons doden, weet je. Allemaal. Jou, en Perijn, en mij net zo goed. Als Ingtar en de anderen erachter komen, snijden ze ons als een stel Duistervrienden de keel af. Licht, ze zullen denken dat we iets te maken hebben met het stelen van de Hoorn en met die vermoorde mensen in Fal Dara.’
‘Hou je kop, Mart,’ zei Perijn kalm.
‘Wat nou, mijn kop houden? Als Ingtar ons niet doodt, zal Rhand gek worden en het voor hem doen. Bloedvuur, bloedvuur!’ Mart gleed langs de stam op de grond. ‘Waarom hebben ze je niet gestild? Als de Aes Sedai het weten, waarom hebben ze je dan niet gestild? Ik heb nog nooit gehoord dat ze een man laten gaan die de Kracht kan gebruiken.’
‘Ze weten het niet allemaal,’ verzuchtte Rhand. ‘De Amyrlin...’
‘De Amyrlin Zetel? Weet zij het? Geen wonder dat ze me zo vreemd aankeek.’
‘... en Moiraine hebben me gezegd dat ik de Herrezen Draak ben, en toen zeiden ze dat ik mocht gaan en staan waar ik wilde. Begrijp je het niet, Mart? Ze proberen me te gebruiken.’
‘Dat verandert niks aan het feit dat je kunt geleiden,’ mompelde Mart. ‘Als ik jou was, zou ik nu al halverwege de Arythische Oceaan zijn. En ik zou niet stoppen voor ik een plek vond waar geen Aes Sedai zijn en waarschijnlijk ook nooit zullen komen. En geen mensen. Ik bedoel... nou ja...’
‘Hou je kop, Mart,’ zei Perijn. ‘Waarom bén je hier, Rhand? Hoe langer je onder de mensen bent, hoe eerder iemand erachter komt en de Aes Sedai laat komen. Aes Sedai die je niét vertellen je eigen gang te gaan.’ Hij zweeg en krabde zijn hoofd. ‘En Mart heeft gelijk over Ingtar. Hij zal je ongetwijfeld een Duistervriend noemen en je doden. Misschien ons alle drie. Hij schijnt je te mogen, maar hij zou het wel doen, denk ik. Een valse Draak? De anderen zouden het ook doen. Masema zou dat voorwendsel niet eens nodig hebben. Dus waarom ben je er niet vandoor gegaan?’
Rhand trok zijn schouders op. ‘Dat wilde ik ook, maar eerst kwam de Amyrlin, en toen werd de Hoorn gestolen, en de dolk, en Moiraine zei dat Mart aan het doodgaan was, en... Licht, ik dacht dat ik tenminste bij jullie kon blijven tot we de dolk hadden gevonden; ik dacht dat ik daarbij kon helpen. Misschien had ik ongelijk.’
‘Kwam je vanwege de dolk?’ zei Mart zacht. Hij wreef over zijn neus en grijnsde. ‘Daar heb ik nooit aan gedacht. Ik dacht niet dat je wilde... Aahhhh! Voel je je wel goed? Ik bedoel, je bent toch niet al aan het gek worden?’
Rhand groef een steentje uit de grond en gooide het naar hem toe. ‘Au!’ Mart wreef zijn arm. ‘Ik vroeg het alleen maar. Ik bedoel, al die mooie kleren en al dat gepraat over een heer zijn en zo. Dan ben je toch niet echt bij je verstand?’
‘Ik probeerde jullie te lozen, sufferd! Ik was bang dat ik gek zou worden en jullie kwaad zou doen.’ Zijn ogen vielen op de banier en zijn stem werd zachter. ‘Dat gaat uiteindelijk ook met me gebeuren, als ik het niet kan tegenhouden. Licht, ik weet niet hoe.’
‘Daar was ik al bang voor,’ zei Mart, die opgestaan was. ‘Niet kwaad bedoeld, Rhand, maar ik geloof dat ik zo ver mogelijk bij je vandaan ga slapen, als je het niet erg vindt. Als je tenminste blijft. Ik heb eens gehoord van een vent die kon geleiden. Een koopmanswacht vertelde het me. Voordat de Rode Ajah hem vond, werd hij op een ochtend wakker en lag zijn hele dorp plat. Alle huizen, alle mensen, alles! Behalve het bed waarin hij sliep. Het was alsof er een berg over ze heen was gerold.’
Perijn zei: ‘In dat geval, Mart, zou je juist heel dicht bij hem moeten slapen.’
‘Ik mag dan een sufferd zijn, maar ik ben wel van plan om een levende sufferd te zijn.’ Mart aarzelde en keek schuins naar Rhand. ‘Kijk, ik weet nou dat je bent meegekomen om me te helpen, en daar ben ik je dankbaar voor. Echt waar. Maar je bent gewoon niet meer dezelfde. Dat begrijp je toch, niet?’ Hij wachtte alsof hij op een antwoord rekende. Er kwam niets. Ten slotte verdween hij tussen de bomen naar het kamp. ‘En jij?’ vroeg Rhand.
Perijn schudde zijn hoofd en zijn warrige krullen dansten. ‘Ik weet het niet, Rhand. Je bent dezelfde en toch ook weer niet. Een man die kan geleiden. Mijn moeder probeerde me daarmee bang te maken toen ik klein was. Ik weet het gewoon niet.’ Hij stak zijn hand uit en raakte een hoek van de banier aan. ‘Ik denk dat ik dit zou verbranden of begraven, als ik jou was. Dan zou ik zo hard wegrennen dat geen Aes Sedai me ooit zou vinden. Daar had Mart gelijk in.’ Hij stond op, kneep zijn ogen dicht en tuurde naar het westen, waar de ondergaande zon de hemel langzaam rood kleurde. ‘Tijd om terug te gaan naar het kamp. Denk na over wat ik gezegd heb, Rhand. Ik zou ervandoor gaan. Maar misschien kun je dat niet. Denk daar ook over na.’ Zijn gouden ogen leken zich naar binnen te keren en hij klonk vermoeid. ‘Soms kun je niet vluchten.’ Toen was hij verdwenen.