Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 56 57 58 59 60 61 62 63 64 ... 203
Перейти на страницу:

Rhand bleef op zijn knieën zitten en staarde naar de banier, die uitgespreid op de grond lag. ‘Nou, soms kun je ervandoor gaan,’ mompelde hij. ‘Maar misschien heeft ze me dit gegeven zodat ik zou vluchten. Misschien heeft ze een plannetje als ik ervandoor ga. Ik zal niet doen wat ze wil. Ik doe het niet. Maar ze zei dat mijn leven ervan af kon hangen en Aes Sedai liegen nooit openlijk...’ Plotseling schokten zijn schouders in een stille lach. ‘Nou ben ik al in mezelf aan het praten. Misschien wórd ik gek.’

Toen hij naar het kamp terugkeerde, had hij de banier weer in het zeildoek gepakt. Zijn knopen waren minder netjes dan die van Moiraine.

Het licht was bijna verdwenen en de schaduw van de rand viel over de ondiepe kom. De lansiers maakten zich op voor de nacht. Ze lagen allemaal bij hun paarden en hadden hun lans bij de hand. Mart en Perijn sliepen bij hun paarden. Rhand keek even droevig naar hen en haalde toen Rood op, die was blijven staan waar hij hem met hangende teugels had achtergelaten. Hij liep naar de andere kant, waar Hurin zich bij Loial had gevoegd. De Ogier zat niet langer te lezen, maar bestudeerde nu de half begraven steen waarop hij had gezeten. Met de lange steel van zijn pijp volgde hij iets op de steen. Hurin stond op en begroette Rhand met iets wat nog net geen buiging was. ‘Hoop dat u het niet erg vindt dat ik mijn leger hier opmaak, heer eh... Rhand. Ik heb naar de Bouwer zitten luisteren.’

‘Ah, ben je daar, Rhand,’ zei Loial. ‘Weet je, ik geloof dat deze steen ooit is bewerkt. Kijk, hij is verweerd, maar hij ziet eruit alsof hij ooit een soort zuil is geweest. En er staan ook tekens op. Ik kan ze niet goed onderscheiden, maar ze komen me ergens bekend voor.’

‘Misschien kun je ze in de ochtend beter zien,’ zei Rhand. Hij trok de zadeltassen van Rood af. ‘Ik ben blij met je gezelschap, Hurin.’ Ik ben blij met het gezelschap van iedereen die niet bang voor me is. Maar hoe lang kan ik er nog van genieten?

Hij stopte al zijn spullen in één zadeltas. Hemden, kniebroeken en wollen kousen, naaigerei, tondeldoos, tinnen bord en beker, een houten doos met mes en lepel, een pak gedroogd vlees en platbrood als voedsel voor noodgevallen, en alle andere reisspullen. Toen stopte hij de in zeildoek verpakte banier in de lege tas. De tas puilde uit en de riemen konden maar net door de gespen, maar ook de andere kant puilde uit. Het moest maar.

Loial en Hurin schenen zijn stemming aan te voelen. Ze lieten hem met rust, terwijl hij Rood van zadel en tuig ontdeed en de grote vos met handen vol uit de grond gerukt gras droogwreef en daarna weer optuigde. Rhand wees hun aanbod van eten af; hij dacht dat hij op dit moment zelfs het beste eten niet kon verdragen. Ze maakten naast de steen hun slaapplaats klaar door een deken tot een kussen te vouwen en hun mantel over zich heen te trekken. Het kamp was stil geworden, maar Rhand lag nog wakker toen de duisternis al diep en zwart was. Zijn gedachten schoten alle kanten op. De banier. Wat wil ze me laten doen? Het dorp. Wat kon een Schim op die manier doden? Het ergste van allemaal, het huis in het dorp. Was het echt gebeurd? Ben ik al gek aan het worden ? Moet ik vluchten of moet ik blijven? Ik moet blijven. Ik moet Mart helpen de dolk te vinden.

Eindelijk viel hij uitgeput in slaap, en met de slaap kwam de leegte die hem ongenood omhulde, flakkerend met een griezelige gloed die zijn dromen verstoorde.

Padan Fajin staarde in de nacht naar het noorden, voorbij het enige vuur in het kamp. Om zijn lippen lag een bevroren glimlach die zijn ogen niet bereikte. Hij zag zichzelf nog steeds als Padan Fajin – Padan Fajin was zijn kern – maar hij was veranderd en hij wist het. Hij wist nu vele dingen, meer zelfs dan zijn oude meesters konden vermoeden. Hij was al vele jaren een Duistervriend geweest voordat Ba’alzamon hem had ontboden om hem op het spoor te zetten van de drie jongens uit Emondsveld. Alles wat hij van hen wist, was uit hem getrokken en het wezenlijke was versterkt in hem teruggeplant, zodat hij ze kon voelen, kon ruiken waar ze waren geweest en ze kon volgen waarheen ze ook vluchtten. Vooral die ene. Een deel van hem verkrampte nog steeds bij de gedachte aan wat Ba’alzamon hem had aangedaan, maar dat was maar een klein deel, verborgen, onderdrukt. Hij was veranderd. Het volgen van de drie had hem naar Shadar Logoth gebracht. Hij had niet willen gaan, maar hij had moeten gehoorzamen. Toen. En in Shadar Logoth...

Fajin haalde diep adem en voelde aan het robijnheft van de dolk in zijn riem. Die kwam ook uit Shadar Logoth. Het was het enige wapen dat hij droeg, het enige dat hij nodig had; het voelde aan als een deel van hemzelf. Nu was hij weer één met zichzelf. Dat was het enige dat telde.

Hij keek rond het kampvuur. De twaalf laatste Duistervrienden waren in het donker bij elkaar gekropen. Hun eens zo mooie kleren waren nu gekreukt en smerig. Ze staarden niet naar het vuur, maar naar hem. Aan de andere kant hurkten zijn Trolloks, twintig in getal. De veel te menselijke ogen in die misvormde dierensnuiten volgden al zijn bewegingen, zoals muizen een kat gadeslaan. Het was aanvankelijk een hele strijd geweest om elke morgen wakker te worden en maar een deel van zichzelf terug te vinden, om te merken dat de Myrddraal de leiding weer had. Iedere ochtend eiste die razend dat ze naar het noorden trokken, naar de Verwording en naar Shayol Ghul. Maar geleidelijk werden die ochtenden van zwakte minder, tot... Weer voelde hij hoe de hamer in zijn hand de nagels in het hout dreef, en hij glimlachte. Deze keer bereikte de glimlach zijn ogen, toonde het plezier van zoete herinneringen. Uit het duister ving hij gejammer op en zijn glimlach verdween. Ik had de Trolloks nooit zoveel moeten gunnen. Een heel dorp dat hen ophield. Als die paar huizen bij de pont niet leeg waren geweest, dan misschien... Maar Trolloks waren van nature hebzuchtig en hij had zich door de dood van de Myrddraal zo uitgelaten gevoeld dat hij er onvoldoende op had gelet.

Hij wierp een blik op de Trolloks. Elk van hen was bijna tweemaal zo groot als hij en sterk genoeg om hem met één hand tot moes te knijpen, maar ze kropen achteruit en drongen tegen elkaar aan. ‘Dood ze. Allemaal. Je mag eten, maar maak een stapel van de resten, zodat onze vrienden ze kunnen vinden. Zet de hoofden erbovenop. Netjes!’ Hij lachte kort. ‘Vooruit!’

De Trolloks verdwenen haastig. Ze trokken kromzwaarden en hieven piekbijlen. Even later klonk gebrul en geschreeuw van de plek waar de dorpelingen waren vastgebonden. Kreten om genade en kindergekrijs werden afgesneden door doffe dreunen en smerig soppende geluiden, als van meloenen die werden kapotgegooid. Fajin keerde zijn rug naar de kakofonie en keek naar zijn Duistervrienden. Ook zij behoorden hem met lichaam en ziel toe. Wat er tenminste van hun zielen over was. Ieders val was even diep als de zijne. Maar hij had een uitweg gevonden. Geen van hen kon ergens heen, ze konden slechts volgen. Hun ogen stonden vol vrees en smeekbeden. ‘Denken jullie dat ze honger zullen krijgen voor we een volgende boerderij of dorp vinden? Het zou kunnen. Denken jullie dat ik ze nog wat meer van jullie zal voeren? Ach, misschien een of twee. De paarden zijn op.’

‘De anderen waren slechts gewone burgers,’ wist een vrouw met onzekere stem uit te brengen. Haar gezicht zat vol vuile vegen en ze droeg de fraaie kleren van een welgestelde koopvrouw. Vlekken ontsierden de mooie, grijze stof en een grote scheur bedierf haar rok. ‘Het waren boeren. Wij hebben u gediend – ik heb u goed gediend...’ Fajin onderbrak haar en zijn kalme stem maakte de woorden alleen maar wreder. ‘Wat zijn jullie voor mij? Minder dan boeren. Vee voor de Trolloks misschien? Als jullie willen leven, vee, moet je nuttig zijn.’ Het gezicht van de vrouw verschrompelde. Ze barstte in snikken uit en opeens wauwelden de anderen ook hoe nuttig ze waren. Het waren mannen en vrouwen die invloed en hoge posities hadden gehad voordat ze werden geroepen om in Fal Dara hun eed gestand te doen. Ze noemden namen van belangrijke en machtige kennissen in de Grenslanden, in Cairhien en in andere landen. Ze zeurden over kennis waar alleen zij over beschikten. Over dit of dat land, over politiek, over bondgenootschappen en kuiperijen. Ze konden hem alles vertellen, als hij goed vond dat ze zijn dienaar waren. Hun gejank vermengde zich met de geluiden van de Trollokslachtpartij en paste er goed bij.

1 ... 56 57 58 59 60 61 62 63 64 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)