De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
11
Flitsen van het Patroon
Voor het eerst liet Ingtar halt houden terwijl de zon nog als een gouden bal boven de horizon stond. De geharde Shienaranen voelden de naweeën van wat zij in het dorp hadden gezien. Dit was voor het eerst dat Ingtar zo vroeg stopte en de gekozen kampplaats zag eruit als een plek die verdedigd kon worden. Het was een diepe, vrijwel ronde kom die groot genoeg was voor alle mannen en paarden. Bosjes bergeiken en lederbladbomen stonden verspreid over de helling. De rand zelf was hoog genoeg om iedereen in het kamp te verbergen, zelfs zonder de bomen. In dit landschap was de rand hoog genoeg om voor een heuvel door te gaan.
‘Vervloekt, alles wat ik zeg,’ hoorde hij Uno tegen Ragan zeggen toen ze afstegen, ‘is dat ik haar zag, bloedsukkel. Net voor we die Trollok-neukende Halfman vonden. Dezelfde klotevrouw als bij die bloedpont. Ze was er en toen was ze er niet meer. Je mag je kloteopmerkingen maken, maar pas op met je klotige woorden of ik vil je eigenhandig en steek je klotehuid in de fik, schaapskop!’ Rhand bleef stokstijf staan, met een voet op de grond en de andere nog in de stijgbeugel. Dezelfde vrouw? Maar er was helemaal geen vrouw bij de veerboot, alleen een paar gordijnen die in de wind wapperden. En ze kon dat dorp niet vóór ons bereikt hebben als ze daar was geweest. Het dorp...
Hij onderdrukte die herinnering. Hij wilde liever die kamer vergeten dan de vastgenagelde Schim; hij wilde die kamer vergeten en de vliegen en de mensen die er waren en er toch niet waren. De Halfman was echt geweest – iedereen had hem gezien – maar de kamer... Misschien word ik eindelijk gek. Hij wilde dat Moiraine er was om mee te praten. Verlangen naar een Aes Sedai? Je bént een dwaas. Je hebt daar nu helemaal niets meer mee te maken, dus hou je erbuiten. Maar is dat zo? Wat was daar gebeurd?
‘Pakpaarden en voorraden in het midden,’ beval Ingtar toen de lansiers het kamp opzetten. ‘Wrijf de paarden droog en zadel ze dan weer op voor het geval we er snel vandoor moeten. Iedereen slaapt bij zijn rijdier. Geen vuur vannacht en de wacht wisselt iedere twee uur. Uno, ik wil verkenners op pad hebben die zo ver mogelijk rijden en voor het donker terug zijn. Ik wil weten wat er daarbuiten is.’
Hij voelt bet, dacht Rhand. Dit zijn niet meer gewoon wat Duistervrienden, een handvol Trolloks en misschien een Schim. Gewoon wat Duistervrienden, een handvol Trolloks en misschien een Schim! Enkele dagen geleden zou het woord ‘gewoon’ zelfs niet zijn gevallen. Zelfs in de Grenslanden, waar de Verwording op nog geen dagrit rijden lag, waren Duistervrienden, Trolloks en Myrddraal erg genoeg voor een nachtmerrie. Maar dat was voordat hij een Myrddraal had gezien die aan een deur was genageld. Licht, wat kon dat hebben gedaan? En Licht, wat niet? En daarvóór was hij een kamer ingelopen waar een familie wilde gaan eten en waar hun gelach werd afgebroken. Ik moet het me verbeeld hebben. Dat moet. Maar het klonk hem niet erg overtuigend in de oren. Hij had zich die wind op de burchttoren ook niet verbeeld, of dat de Amyrlin had gezegd... ‘Rhand?’ Hij schrok op toen Ingtar naast hem kwam staan. ‘Blijf je de hele nacht met een voet in de stijgbeugel staan?’ Rhand zette zijn voet op de grond. ‘Ingtar, wat is er in dat dorp gebeurd?’
‘Trolloks hebben ze te pakken genomen. Net als de mensen bij de veerboot. Dat is er gebeurd. De Schim...’ Ingtar schokschouderde en staarde naar een platte, in zeildoek gewikkelde bundel, groot en vierkant, in zijn armen. Hij staarde ernaar alsof hij verborgen geheimen zag die hij liever niet wilde kennen. ‘De Trolloks hebben de mensen voor voedsel meegenomen. Ze doen het soms ook in dorpen en boerderijen dicht bij de Verwording, als ze ’s nachts voor een overval langs de grenstorens kunnen komen. Soms krijgen we de mensen terug. Vaak willen we dat liever niet. Trolloks doden nier altijd voordat ze beginnen te slachten. En halfmensen willen hun... pretjes. Dat is erger dan wat Trolloks doen.’ Zijn stem klonk even rustig alsof hij het over alledaagse dingen had, en misschien was dat ook zo, voor een Shienaraanse krijgsman.
Rhand haalde diep adem om zijn maag tot rust te laten komen. ‘Die Schim daar, Ingtar, had helemaal geen pret. Wat kan een Myrddraal levend tegen een deur spijkeren?’
Ingtar aarzelde en schudde het hoofd. Toen gaf hij Rhand de omvangrijke bundel. ‘Hier. Moiraine Sedai zei dat ik je dit in ons eerste kamp ten zuiden van de Erinin moest geven. Ik weet niet wat het is, maar ze zei dat je het nodig zou hebben. Ze droeg me op jou te zeggen er goed op te passen; je leven kan ervan afhangen.’ Rhand nam het pak met tegenzin aan; zijn huid prikkelde bij de aanraking van het zeildoek. Er zat iets zachts in. Kleding misschien. Hij hield het pak voorzichtig vast. Hij wil ook niet aan die Myrddraal denken. Wat was er in die kamer gebeurd – Hij besefte opeens dat hij liever dacht aan die Schim of zelfs aan die kamer dan aan wat Moiraine hem kon hebben gestuurd.
‘Er werd me ook opgedragen jou te vertellen dat de lansiers jou zullen volgen als mij iets mocht overkomen.’
‘Mij?’ hijgde Rhand. Hij vergat de bundel en de rest. Ingtar beantwoordde zijn ongelovige blik met een kalm knikje. ‘Dat is waanzin! Ik heb nooit iets anders geleid dan een kudde schapen, Ingtar. Ze zouden me trouwens toch niet volgen. Bovendien kan Moiraine je niet opdragen wie jou opvolgt. Dat is Uno.’
‘Op de ochtend dat we vertrokken, werden Uno en ik bij heer Agelmar geroepen. Moiraine was erbij, maar het was heer Agelmar die het me opdroeg. Jij bent de tweede, Rhand.’
‘Maar waarom, Ingtar? Waarom?’ Hij zag er Moiraines hand in, scherp en duidelijk. De hare en die van de Amyrlin. Ze drongen hem een pad op dat zij hadden gekozen, maar hij moest het vragen. De Shienaraan keek alsof hij het ook niet begreep, maar hij was een krijgsman, gewend aan vreemde bevelen in de eindeloze oorlog langs de Verwording. ‘Ik hoorde geruchten uit de vrouwenverblijven dat je in werkelijkheid een...’ Hij stak zijn gepantserde handen op. ‘Het maakt niet uit. Ik weet dat je het zult ontkennen. Net zoals je de kenmerken van je eigen gezicht ontkent. Moiraine Sedai zegt dat je een schaapherder bent, maar ik heb nog nooit een herder met een reigerzwaard gezien. Het maakt niet uit. Ik beweer niet dat ik jou zelf zou hebben gekozen, maar ik geloof dat je het in je hebt om te doen wat nodig is. Je zult je plicht doen, als het erop aankomt.’ Rhand wilde zeggen dat het zijn plicht niet was, maar in plaats daarvan zei hij: ‘Uno weet hiervan. Wie nog meer, Ingtar?’
‘Alle lansiers. Als wij Shienaranen uitrijden, weet iedere man wie na de dood van de bevelhebber de volgende is. Een ongebroken keten die loopt tot en met de laatst overgebleven man, zelfs al is hij niet meer dan een paardenknecht. Zie je, op die manier is die man, zelfs al is hij de laatste, niet slechts een eenzame vluchteling die in leven probeert te blijven. Hij heeft het bevel en de plicht zegt hem te doen wat gedaan moet worden. Als ik naar de laatste omarming van de moeder ga, is die plicht de jouwe. Je zult de Hoorn vinden en hem brengen waar hij hoort. Dat zul je.’ Ingtar sprak die laatste woorden merkwaardig nadrukkelijk uit.
De bundel in Rhands armen leek wel tien steen te wegen. Licht, ze is misschien wel honderd roeden ver weg en ze kan me nog steeds aan een touw leiden. Deze kant op, Rhand. Die kant op. Jij bent de Herrezen Draak, Rhand. ‘Ik wil die verplichting niet, Ingtar. Licht, ik ben een simpele schaapherder. Waarom gelooft niemand dat?’
‘Je zult je plicht doen, Rhand. Als de eerste man faalt, valt alles daaronder uit elkaar. Er valt al te veel uit elkaar. Veel te veel. Vrede begunstige je zwaard, Rhand Altor.’
‘Ingtar, ik...’ Maar Ingtar liep al weg, roepend naar Uno of de verkenners al waren uitgezonden.
Rhand staarde naar de bundel in zijn armen en bevochtigde zijn lippen. Hij was bang dat hij al wist wat erin zat. Hij wilde kijken en het tegelijk ongeopend in een vuur gooien. Hij dacht dat hij het nog zou doen ook, als hij er zeker van kon zijn dat de inhoud ongezien zou verbranden. Maar hier kon hij niet kijken; andere ogen zouden het kunnen zien.