De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Rhand aarzelde en keek om zich heen. De krakende deuren, de piepende windmolens, de paardenhoeven. Alles maakte te veel lawaai, alsof er geen ander geluid ter wereld bestond. Hij zocht huis na huis af. De gordijnen in een open venster wapperden tegen de buitenmuur. Alles leek verlaten. Zuchtend steeg hij af en liep naar het dichtstbijzijnde huis. Toen stond hij stil en staarde naar de deur. Het is maar een deur. Waar ben je bang voor? Hij had het rare gevoel dat iets hem aan de andere kant stond op te wachten. Hij duwde de deur open.
Hij zag een kamer die uitnodigend was geweest. Was. De tafel was gedekt voor een maaltijd en er stonden stoelen met hoge rugleuningen klaar. Enkele borden waren al opgeschept. Een paar vliegen zoemden rond boven schalen met knollen en erwten. Nog meer vliegen kropen rond op koud geroosterd vlees dat in gestold vet lag. Er was een plak half afgesneden; de vork stak er nog in en het mes lag gedeeltelijk op het bord alsof het was neergevallen. Rhand stapte naar binnen. Knipper.
Een glimlachende, kale man in werkkleren legde een stuk vlees op een bord dat werd vastgehouden door een vrouw met een afgeleefd gezicht. Maar ook zij glimlachte. Ze deed er knolletjes en erwten bij en gaf het bord aan een van de kinderen bij de tafel. Er was een handvol jongens en meisjes, van bijna volwassen tot amper groot genoeg om over de tafelrand te kijken. De vrouw zei iets en het meisje lachte en pakte het bord aan. De man begon een volgend stuk af te snijden.
Plotseling schreeuwde een ander meisje, wijzend naar de voordeur. De man liet het mes vallen en keerde zich vliegensvlug om. Ook hij schreeuwde en zijn gezicht werd een masker van afschuw. Hij graaide een kind op. De vrouw pakte een ander en gebaarde wanhopig naar de overigen. Haar mond werkte als bezeten, geluidloos. Ze renden elkaar verdringend naar een deur achter in de kamer. Die deur vloog open en... Knipper.
Rhand kon zich niet bewegen. De zoemende vliegen boven de tafel zoemden luider. Zijn adem dampte.
Knipper.
Een glimlachende, kale man in werkkleren legde een stuk vlees op een bord dat werd vastgehouden door een vrouw met een afgeleefd gezicht. Maar ook zij glimlachte. Ze deed er knolletjes en erwten bij en gaf het bord aan een van de kinderen bij de tafel. Er was een handvol jongens en meisjes, van bijna volwassen tot amper groot genoeg om over de tafelrand te kijken. De vrouw zei iets en het meisje lachte en pakte het bord aan. De man begon een volgend stuk af te snijden.
Plotseling schreeuwde een ander meisje, wijzend naar de voordeur. De man liet het mes vallen en keerde zich vliegensvlug om. Ook hij schreeuwde en zijn gezicht werd een masker van afschuw. Hij graaide een kind op. De vrouw pakte een ander en gebaarde wanhopig naar de overigen. Haar mond werkte als bezeten, geluidloos. Ze renden elkaar verdringend naar een deur achter in de kamer.
Die deur vloog open en... Knipper.
Rhand worstelde en verzette zich, maar zijn spieren leken bevroren. De kamer was kouder. Hij wilde rillen, maar zelfs dat lukte niet. Vliegen krioelden over de tafel. Hij tastte naar de leegte. Daar was het valse licht, maar hij gaf er niet om. Hij moest... Knipper.
Een glimlachende, kale man in werkkleren legde een stuk vlees op een bord dat werd vastgehouden door een vrouw met een afgeleefd gezicht. Maar ook zij glimlachte. Ze deed er knolletjes en erwten bij en gaf het bord aan een van de kinderen bij de tafel. Er was een handvol jongens en meisjes, van bijna volwassen tot amper groot genoeg om over de tafelrand te kijken. De vrouw zei iets en het meisje lachte en pakte het bord aan. De man begon een volgend stuk af te snijden.
Plotseling schreeuwde een ander meisje, wijzend naar de voordeur. De man liet het mes vallen en keerde zich vliegensvlug om. Ook hij schreeuwde en zijn gezicht werd een masker van afschuw. Hij graaide een kind op. De vrouw pakte een ander en gebaarde wanhopig naar de overigen. Haar mond werkte als bezeten, geluidloos. Ze renden elkaar verdringend naar een deur achter in de kamer. Die deur vloog open en... Knipper.
In de kamer vroor het. Zo koud. De tafel was zwart van de vliegen; de muren waren een krioelende massa vliegen; de vloer, de zoldering, alles zag zwart van een dikke laag vliegen. Ze kropen over Rhand, bedekten hem, kropen over zijn gezicht, zijn ogen, in zijn neusgaten, zijn mond. Licht, help me. Koud. Het gegons van de vliegen klonk oorverdovend. Koud. De kou drong de leegte binnen, bespotte het niets en sloot hem op in ijs. Wanhopig reikte hij naar het flakkerende licht. Zijn maag draaide zich om, maar het licht was warm. Warm. Heet. Hij was heet.
Plotseling rukte hij aan... iets. Hij wist niet wat of hoe. Spinnenwebben gesponnen uit staal. Manestralen gehouwen uit steen. Ze verkruimelden onder zijn aanraking, maar hij wist dat hij niets had aangeraakt. Ze krompen en smolten door de hitte die door hem heen schoot, hitte als een smidsvuur, hitte als de brandende wereld, hitte als...
Het was verdwenen. Hijgend keek hij met opengesperde ogen om zich heen. Een paar vliegen lagen op het aangesneden vlees. Dode vliegen. Zes vliegen. Maar zes. Er lagen ook enkele in de schalen, een stuk of vijf zwarte vlekjes tussen de koude groenten. Allemaal dood. Hij wankelde naar buiten.
Mart kwam hoofdschuddend uit een huis aan de overkant van de straat. ‘Niemand binnen,’ zei hij tegen Perijn, die nog steeds te paard zat. ‘Het lijkt net of ze gewoon tijdens de maaltijd zijn opgestaan en weggewandeld.’
Op het plein klonk een schreeuw.
‘Ze hebben iets gevonden,’ zei Perijn en porde zijn hielen in de flanken van zijn paard. Mart klauterde in het zadel en galoppeerde achter hem aan.
Rhand klom wat langzamer op Rood; het dier bokte alsof het zijn verontrusting aanvoelde. Hij keek vluchtig naar de huizen toen hij langzaam naar het plein reed, maar hij kon niet lang kijken. Mart ging een huis binnen en met hem gebeurde niks. Hij besloot dat hij in dit dorp geen voet meer in een andere woning zou zetten, wat er ook gebeurde. Hij spoorde Rood aan, die zijn draf versnelde. Iedereen stond als een standbeeld voor een groot gebouw met brede, dubbele deuren. Rhand dacht niet dat het een herberg was; er hing bijvoorbeeld geen uithangbord. Misschien een plaats waar dorpelingen elkaar ontmoetten. Hij voegde zich in de kring van starende, zwijgende mannen.
Tegen de deur hing een man aan dikke nagels die door zijn polsen en schouders waren geslagen. In zijn ogen waren nog meer nagels gedreven om zijn hoofd overeind te houden. Donker, opgedroogd bloed tekende stroompjes op zijn wangen. Krassen op het hout achter zijn laarzen verrieden dat de man nog leefde toen het gebeurde. In ieder geval toen het was begonnen.
Rhand snakte naar adem. Het was geen man. Die zwarte kleren, zwarter dan zwart, waren nooit door een menselijk wezen gedragen. De wind bewoog een rand van de mantel die achter het lichaam vastzat. Dat gebeurde niet altijd, dat wist hij maar al te goed, de wind beroerde nooit zulke kleren. In dat bleke, bloedeloze gezicht hadden nooit ogen gezeten.
‘Myrddraal,’ fluisterde hij, en het was alsof zijn woord de anderen verloste. Ze bewogen zich weer en lieten hun adem ontsnappen. ‘Wie...’ begon Mart en zweeg om te slikken. ‘Wie zou zoiets bij een Schim kunnen doen?’ Aan het eind sloeg zijn stem over.
‘Ik weet het niet,’ zei Ingtar. ‘Ik weet het niet.’ Hij keek om zich heen en onderzocht de gezichten, of misschien telde hij ze wel om er zeker van te zijn dat iedereen er nog was. ‘Ik geloof niet dat we hier iets zullen vinden. We rijden verder. Stijg op! Hurin, zoek het spoor dat ons van deze plek wegvoert.’
‘Ja, heer, ja. Graag. Die kant op, heer. Ze trekken nog steeds naar het zuiden.’
Ze reden weg en lieten de dode Myrddraal achter waar hij hing en waar de wind zijn zwarte mantel bewoog. Hurin was het eerst buiten de muur. Voor de verandering wachtte hij nu niet op Ingtar, en Rhand kwam vlak achter hem aan.